Archive for February, 2012

Galerie – Beeldende kunst in Amsterdam

Sofie Knijff, Translations. T/m 24/3 in Galerie Ron Mandos, Prinsengracht 282.

Sofie Knijf zat op de Toneelschool in Maastricht en speelde bij De Trust en Het Nationale Toneel voordat ze een carrièreswitch maakte en naar de Amsterdamse Fotoacademie ging. Sindsdien werkt ze als huisfotograaf van theatergezelschap De Warme Winkel en reist ze de wereld over om even theatrale als ingetogen foto’s te maken van kinderen die hun toekomstdroom acteren.

Bij Galerie Ron Mandos zijn nu foto’s te zien uit Mali en Zuid-Afrika. Van een donker jochie uit Hombori, bijvoorbeeld, een dorp in een regio die wordt geteisterd door droogte en armoede. Maar hoe onzeker zijn toekomst ook moge zijn, de jongen op de foto straalt een rotsvast vertrouwen in de toekomst uit: hij wordt journalist als hij later groot is, Hij kijkt er ernstig bij. Vastberaden. Op zijn neus heeft hij een zwarte bril zonder glazen, hij ‘draagt’ een blauw jasje, niet van stof maar met verf op zijn blote bast aangebracht.

Het gaat Knijff overigens niet om het vastleggen van de armoede; ook is het haar niet te doen om de verkleedpartij. Het draait om de verbeelding; om de alleszeggende blik van de kinderen.

De serie groeit overigens nog steeds; Knijff is net terug uit Brazilië, binnenkort vertrekt ze naar Groenland om de kinderen in een inuît-dorp te fotograferen.

Fritz Bornstück, Klaas Kloosterboer, Simon Hemmer en Jan van der Ploeg, Whatever Lola Wants. T/m 24/3 bij Gerhard Hofland, Bilderdijkstraat 165-C.

‘Whatever Lola Wants’ heet de groepstentoonstelling bij Gerhard Hofland, naar een liedje van Sarah Vaugahn, dat ook wordt gespeeld door Terry Snyder and The All Stars. In de studio van Jan van der Ploeg neemt de platenhoes van die uitvoering, ontworpen door Josef Albers, een prominente plaats in. De galeriehouders en de kunstenaars vonden de titel “los, eigentijds en toch dwingend”.

Hun werken hebben verder niet zo veel met elkaar van doen; de schilderijen van de jonge Duitser Fritz Bornstück niet met die van zijn landgenoot Simon Hemmer, die ook weer weinig raakvlakken hebben met de twee enorme lappen van Klaas Kloosterboer. Op zichzelf zijn ze overigens intrigerend genoeg.

Het meest bijzonder aan de expositie is de bijdrage van Van der Ploeg. Hij liet een poster drukken op basis van een van zijn hypnotiserende, uit geometrische vormen opgebouwde schilderijen. Te koop voor 50 euro, de oplage is 250 stuks. Het werk leent zich goed voor het bekleden van een gehele wand.

27

02 2012

Calder vóór en na Mondriaan

“This one visit gave me a shock that started things”, noteert de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder nadat hij in het najaar van 1930 het atelier van de Nederlandse schilder Piet Mondriaan aan de Rue du Départ in Parijs heeft bezocht. Het prikkelende zinnetje vormt het uitgangspunt van de al even prikkelende, zeg maar gerust tintelende tentoonstelling ‘Alexander Calder. De grote ontdekking’ in het Gemeentemuseum Den Haag. Het is de eerste grote Calder-expositie in Nederland sinds de jaren zestig, toen het Stedelijk Museum Amsterdam een retrospectief aan hem wijdde.

Vóór zijn ontmoeting met Mondriaan genoot Calder (1898-1976), die in Amerika was opgeleid tot werktuigbouwkundig ingenieur, in het mondaine Parijs bekendheid vanwege zijn eigenhandig gefabriceerde miniatuurcircus, en maakte hij sieraden en zwierige draadsculpturen. Van zangeres Josephine Baker, bijvoorbeeld, die hij moet hebben zien optreden in de ‘revue nègre’ in het Theatre de L’Etoile, en van circustaferelen.

Na zijn ontmoeting met Mondriaan maakt Calders alleen nog abstract werk. Binnen twee weken produceert hij een twintigtal Miró-achtige schilderijen (behalve Mondriaan was hij in Parijs, in die jaren het onstuimig kloppend hart van de moderne kunst, ook de Spaanse surrealist Joan Miró tegen het lijf gelopen), vervolgens bouwt hij zijn eerste uit geometrische vormen samengestelde sculpturen: ‘mobiles’.

In het voorjaar van 1931, nog geen half jaar na zijn bezoek aan Mondriaan, exposeert Calder zijn nieuwe werken voor het eerst. Er werd niets verkocht, zo rapporteerde de kunstenaar aan zijn ouders. Maar, zo voegde hij er aan toe, bij collega-kunstenaars oogste hij wél succes: Picasso is speciaal komen kijken, Fernand Léger is lovend.

De eerste ‘mobiles’ worden nog met motortjes in beweging gehouden, maar al snel kunnen ze ook met behulp van de wind en luchtstromen in beweging worden gezet. Naast die kleurige, speelse en ragfijne ‘mobiles’, die zich lijken te onttrekken aan de wetten van de zwaartekracht, gaat Calder ook monumentale sculpturen maken, met zware, rigide vormen, die door collega-beeldhouwer Jean Arp spitsvondig ‘stabiles’ worden gedoopt.

En dat alles door één ontmoeting, in een atelier dat dan ook met recht een centrale plek in de tentoonstelling heeft gekregen. Letterlijk: in het museum staat de reproductie die in het Mondriaanjaar 1994 in de Beurs van Berlage te zien was. Aan de muren hangen opvallend veel spiegels en (reproducties van) Mondriaans eigen schilderijen; op tafel staat een asbak met een pijp erin en ligt zijn ronde brilletje. De museumbezoeker kan er in rondlopen en zelf ervaren wat Calder moet hebben gezien.

En precies zoals het atelier voor Calder een breuk markeerde, doet het dat ook in Den Haag. In de zalen ervoor zijn de sierraden, het circus en de figuratieve draadsculpturen te zien; in die erna staan en hangen tientallen abstracte ‘mobiles’ en ‘stabiles’, piepklein en metersgroot, beweeglijk en vast, maar allemaal met dezelfde verbluffende lichtheid. Het werk van Calder wordt gecombineerd met dat van Mondriaan, de ‘huiskunstenaar’ van het Haags Gemeente Museum.

De tentoonstelling eindigt met een van de grote ontdekkingen waaraan de naam is ontleend: een ontwerp dat Calder in 1976 maakte voor de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum. De maquette van aluminium en beschilderd staal, voorzien van potloodstreepjes en bij elkaar gehouden door stalen nietjes, werd tijdens de research voor de expositie ontdekt in het depot van het Kröller-Müller. Door het overlijden van Calder in 1976 is de combinatie van een ‘mobile’ en een ‘stabile’ nooit gerealiseerd.

Het breekbare model staat veilig achter glas. Ook voor alle werken geldt: aanraken strikt verboden, helaas. De unieke, vaak handbeschilderde werken zijn uiterst kwetsbaar. Dat gold overigens ook al ten tijde van Calders eerste grote tentoonstelling in het MoMA, in 1943. Naar verluidt moedigde de kunstenaar zelf destijds echter het aanwezige publiek aan het verbod toch vooral te negeren.

Alexander Calder. De grote ontdekking. T/m 28 mei in het Gemeentemuseum Den Haag. Bij de tentoonstelling verschijnt een rijk geïllustreerde catalogus (Ludion, € 24,95) en het kinderkunstboek De draad van Alexander (Uitgeverij Leopold, € 13,95). De originele illustraties van Sieb Posthuma zijn te zien in de kindermuseumzaal.

Scheppende handen

Onderdeel van de expositie is een fraai, 9 minuten durend, op 35 mm gedraaid zwart-wit filmpje, afkomstig uit de collectie van het EYE film Institute, dat begin jaren dertig in de Amsterdamse bioscopen te zien is geweest. Het betreft een aflevering uit de reeks Schaffende Hände, in 1929 gemaakt door de Duitser Hans Cürlis, die eerder al kunstenaars als Wassily Kandinsky en Georg Grosz tijdens het werken had gefilmd.

Calder werd vanwege zijn onconventionele materiaalkeuze en werkmethode in Nederland gepresenteerd als de grote vernieuwer binnen de beeldhouwkunst. Hij is te zien terwijl hij met een geconcentreerde blik vouwt, buigt en knipt, waardoor een koperdraad langzaam maar zeker in een acrobatenpaar verandert. “Andere beeldhouwers scheppen hun werk uit steen, klei of hout”, staat er op een van de tussentitels. “Calder gebruikt slechts koperdraad voor zijn plastieken.”

23

02 2012

Het gedrukte boek in al zijn verschijningsvormen

Het papieren boek zit in de verdrukking. Opnieuw. In de 18e en 19e eeuw werd ook al gevreesd voor het gedrukte boek, destijds vanwege de opkomst van kranten en tijdschriften. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd de doorbraak van de televisie als een groot gevaar voor het boek gezien. Dit keer zijn de iPad en het e-book de plaaggeesten; wie gaat er nog naar de boekhandel als elk boek thuis, op de bank te downloaden is op iPad of tablet-pc?

Het blijft natuurlijk koffiedikkijken, interactief boek en luisterboek bieden talrijke grote voordelen die nog lang niet zijn uitontwikkeld, maar de geschiedenis leert dat het papieren boek zich óók opnieuw blijft uitvinden. Keer op keer, zo is nu ook te zien in de expositie Het gedrukte boek: een visuele geschiedenis bij Bijzondere Collecties aan de Oude Turfmarkt.

Te zien zijn de 127 meest bijzondere boeken uit de ruim 4 miljoen banden tellende collectie van de Universiteit van Amsterdam, opengeslagen op de mooist vormgegeven bladzijden, in een fraaie inrichting van het Amsterdamse vormgeverscollectief Experimental Jetset. De geschiedenis is tevens opgetekend in een vuistdik boek, dat net als de expositie is samengesteld door Mathieu Lommen, conservator grafische vormgeving bij Bijzondere Collecties. Dat is overigens alleen als papieren boek verkrijgbaar, níet voor de iPad of als e-book.

Boek en expositie tonen het gedrukte boek in al zijn verschijningsvormen, van wegwerppocket tot prestigeboek, van naslagwerk tot kunstwerk, handgemaakt en industrieel vervaardigd. Er zijn werken te zien van vermaarde drukkers, ontwerpers en kunstenaars, zoals Fernand Léger, El Lissitzky, A.M. Cassandre en Jan Tschichold. Drukkershandboeken illustreren hoe het productieproces door de eeuwen is veranderd; kaligrafieboeken en letterproeven geven een gevarieerd beeld van de ontwikkeling van de letter.

Het oudste tentoongestelde boek dateert uit de middeleeuwen, uit 1471 om precies te zijn, en is vervaardigd door de Franse stempelsnijder, typograaf avant la lettre, drukker, uitgever en boekhandelaar Nicolas Jenson. Jenson was in 1458 door Koning Karel VII naar Mainz gestuurd om in het geheim onderzoek te doen naar de ‘invention de imprimer par poincons et carracteres curieux’ van de vindingrijke technicus Johann Gutenberg, die rond 1450 een drukkerij met losse letters was begonnen.

Jenson vestigde zich in Venetië, waar hij typografisch zeer invloedrijke boeken maakte en een uitermate belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de romeinse drukletter leverde. William Morris, de stuwende kracht achter de ‘arts-and-craftsbeweging’ greep aan het einde van de negentiende eeuw weer terug op Jenson; vandaag de dag worden er nog steeds (computer)letters gemaakt die zijn geïnspireerd op zijn romeinse letters.

Het jongste geëxposeerde boek dateert uit 2010 en is gemaakt door de veelvuldig bekroonde Nederlandse meesterontwerper Irma Boom: James Jennifer Georgina. Het is een bijna 9 cm dik, 1198 pagina’s tellend boek met een opvallende, knalgele snede. De revolutionaire rug bestaat uit drie lamellen, waardoor er een soort tunneltje ontstaat als het boek opengeslagen wordt neergelegd. Die opvallende vorm is, zoals altijd bij Boom, niet zo maar gekozen: inhoudelijk bestaat het boek ook uit drie delen, namelijk briefkaarten, gesprekken en foto’s.

Het in opdracht van moeder Jennifer, ter gelegenheid van de 21e verjaardag van dochter Georgina gemaakte boek beschrijft openhartig de gezinsproblemen van de (drie) Butlers, met name het alcoholisme van vader James. Om hem van de drank af te houden, reisde de steenrijke Butlers de halve wereld over; de ansichtkaarten die ze onderweg aan Georgina verstuurden vormen de hoofdmoot van het boek; Erwin Olaf maakte de schitterende portretfoto’s .

Bij verschijning kostte het boek 999 euro; inmiddels is de prijs verlaagd tot 435 euro (het bedrag moet deelbaar zijn door 3). In digitale vorm zou het waarschijnlijk nóg veel minder duur kunnen zijn, maar hoe vouw je het dan open?

Het gedrukte boek: een visuele geschiedenis. T/m 13 mei bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, Oude Turfmarkt 129. Bij de expositie verschijnt het rijk geïllustreerde Het boek van het gedrukte boek. Een visuele geschiedenis, samengesteld door Mathieu Lommen. Amsterdam University Press, ISBN 978 90 8964 279 0. € 49,50.

Van lood tot led

De tentoonstelling ‘Van lood tot led, de ontwikkeling van het boek sinds 1850’ in Museum Meermanno in Den Haag leidt de bezoeker langs een tijdlijn van ‘lood’, de periode waarin boeken met loodzetsel werden gedrukt, naar ‘led’, de huidige tijd waarin het e-book steeds populairder wordt. Onderweg wordt aandacht besteed aan de veranderingen die de techniek van het maken van boeken onderging, het streven om boeken bereikbaar te maken voor het lezerspubliek, en de wens om boeken van een goede en eigentijdse vorm te voorzien. Er worden hoogtepunten uit de collectie van het museum getoond, zoals de uitgaven van de Kelmscott Press van William Morris, het modernistische drukwerk van Piet Zwart en het SHV-boek van Irma Boom.

22

02 2012

Stripexpositie in Stadsdeelhuis Noord

De winnaars van de Noordse Striptekenwedstrijd, georganiseerd door Edith Kuyvenhoven: Jip Mus, Heleen Mulder, Benno Boland en Iris Vestergaard, allemaal van Hyperion (de school stuurde zo’n 70 strips in!). Het jury-rapport van de winnende strip CAT-MAN: “Benno heeft echt een supergave strip gemaakt! Alle juryleden waren erg onder de indruk en zouden zelf wel willen dat zij zo goed konden tekenen en vertellen. Het verhaal (waarin the cat-man heel slim zelf in een kat verandert, enne… lees later zelf maar in de strip waarom) is origineel en heel helder verteld. Het heeft een fijn leesritme door precies de juiste hoeveelheid plaatjes en stapjes. Het is heel arty getekend en Benno gebruikt kleuren, lijnen letters alsof hij nu al een echte professional is. We hopen nog veel van hem te zien!” Alle winnaars zijn nog t/m half maart te zien in het Stadsdeelhuis op het Buikslotermeerplein.

22

02 2012

Zoek de 10 verschillen

Links de iconische poster van Brian de Palma’s Scarface, met Al Pacino in zwart en wit en de filmtitel in bloedrood. Rechts de Nederlandse poster van Headhunters, naar de bestsellende thriller van de Noor Jo Nesbø.

20

02 2012

Zintuiglijke video’s die voor verwarring zorgen

In beeld verschijnt een blote vrouwenbuik, van net onder de borsten tot aan de heupen; zachtjes beweegt de navel op haar ademhaling. Dan valt de donkere schaduw van een hand op de platte buik – dreigend, als in een film van Fritz Lang.

Het blijkt haar eigen hand. Ze plant ze beide in haar middel en begint vervolgens te wringen alsof ze een natte handdoek vast houdt. Steeds harder, keer op keer, en voor je ogen verandert het alleszins normale vrouwenfiguur in een soort van zandloper. De topjes van haar groen gelakte vingernagels kunnen elkaar voor en achter raken.

Koen Hausers Learn to love yourself maakt deel uit van een duo-expositie in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond waarin het menselijk lichaam de hoofdrol speelt. De zintuiglijke video’s ogen in eerste instantie vertrouwd, maar zorgen bij nadere beschouwing voor onrust en verwarring.

Hauser (Rijswijk, 1972), die na zijn studie psychologie opleidingen volgde aan de KABK in Den Haag en de Rietveld Academie, zoekt de grens van de realiteit op, meestal door middel van digitale manipulatie. Niet zelden, echter, blijkt de werkelijkheid minstens zo vreemd als zijn gedachtenkronkels, zo tonen de kant en klare filmpjes die hij op internet vond.

Er zijn YouTube-beelden te zien van Indiase bodybuilders die hun lichaam net zo extreem hebben toegetakeld als de vrouw met de wespentaille, maar dan met behulp van halters en steroïden. Er is een fragment uit een Italiaanse zondagmiddagshow, waarin de meest-gepiercete vrouw van de wereld nog maar eens een sabel door haar al meermaals gepiercete tong wurmt. Naast haar lijkt de rondborstige, hoogblonde presentatrice met een strak getrokken gezicht opeens een heel gewoon mens.

Een tweede zaaltje van De Brakke Grond is ingericht als rouwcentrum, met twee rijen stoelen en een podium met twee boeketten witte lelies. Op de achterwand wordt een video geprojecteerd waarin de dode ligt opgebaard. Mahlers aangrijpende Ich bin der Welt abhanden gekommen draagt bij aan de serene sfeer.

In de gelijknamige video vloeit vrouwelijk over in mannelijk, dan weer zachtjes golvend, dan weer hard. Borsthaar verandert in borsten, een kaal mannenhoofd in een vrouwengezicht, oud in jong, levend in dood.

En langzaam maar zeker word je bevangen door emoties. Terwijl het leven gewoon verdergaat.

Koen Hauser, Ich bin der Welt abhanden gekommen. T/m 26-2 in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond.

20

02 2012

Hoogtepunten uit de prentenverzameling van het Van Gogh Museum

Prentkunst gold lange tijd als het laagste van het laagste; het was een weinig verheffend middel om de edele schilderkunst te reproduceren, meer niet. En het werd beoefend door ambachtslieden, niet door kunstenaars. De opkomst van de fotografie, die de reproductiefunctie overnam, veranderde de zaak; de prent werd een autonome, gerespecteerde kunstvorm. Aan het einde van de 19e eeuw ontstond in Parijs zelfs een soort van rage, zo toont de kleine, maar fijne expositie ‘Schoonheid in veelvoud’ in het Van Gogh Museum.

Het museum heeft, in navolging van Vincent en Theo van Gogh, vanaf de opening in 1973 prenten verzameld en tentoongesteld. Aanvankelijk gebeurde dat nog op bescheiden schaal, maar met de aankoop van de prentenverzameling van een particuliere Duitse verzamelaar in 2000, met rond de duizend werken uit het fin de siècle, van kunstenaars als Henri de Toulouse-Lautrec, Pierre Bonnard en Félix Vallotton, heeft de collectie volume en samenhang gekregen.

De afgelopen jaren werd de collectie verder aangevuld met belangrijke series, zoals Gaugains Volpini-suite en de Elles-serie van Toulouse-Lautrec. Ook werd een aanzienlijke hoeveelheid proefdrukken en ontwerpen van Bonnard, Edouard Vuillard en Maurice Denis aangekocht, waarmee het artistieke proces van de prentkunst inzichtelijk kan worden gemaakt. Al met al bezit het Van Gogh volgens directeur Axel Rüger nu een van ’s werelds belangrijkste collecties Franse prenten uit de periode 1890-1905 (dus net na de dood van Vincent van Gogh).

Meestentijds blijven de kleurrijke prenten achter slot en grendel; de werken op papier zijn uiterst kwetsbaar. Maar met de presentatie van de studie Prentkunst in Parijs – De rage van het fin de siècle worden nu honderd hoogtepunten uit de verzameling tentoongesteld in het Prentenkabinet op de tweede verdieping. Er zijn prenten te zien, veelal kleurenlithografieën maar ook etsen en houtsneden, die in kleine oplages verschenen (30 à 100) en bedoeld waren voor liefhebbers en verzamelaars. Ze werden gedrukt op chique papier, genummerd en gesigneerd. Het meest in het oog springend is L’Estampe originale, een prentenalbum dat tussen 1893 en 1895 vier keer per jaar verscheen. In totaal werkten er 75 kunstenaars aan mee, onder wie ouderen als Henri Fantin-Latour en Pierre Auguste Renoir én avant-garde kunstenaars als Gauguin, Bernard en Toulouse-Lautrec. Laatstgenoemde maakte ook een aantal schitterende omslagen voor de fraaie, losbladige uitgaven.

Naast de autonome prenten zijn er ook veel toepassingen te zien die voor een groter publiek waren bedoeld: zogenaamde ‘gebruiksgrafiek’, zoals geïllustreerde theaterprogramma’s, bladmuziek, tijdschriften, boeken en affiches voor van alles en nog wat, van romans en champagne tot tentoonstellingen en het ‘cabaret’ in de beruchte Moulin Rouge. Onmiskenbaar Toulouse-Lautrec, met vrouwen met ruisende rokken natuurlijk, en als heer vermomde mannen – zo groot dat-ie in drie delen moest worden gedrukt.

Misschien wel het mooiste werkje van de expositie is vele malen kleiner, en zwart-wit in plaats van blikvangend rood, geel en oranje. Het is een houtsnede, gemaakt door Félix Vallotton. Erop staat het publiek van de Wereldtentoonstelling van 1900, waarover heel Parijs in de wolken was. Dat publiek bestaat uit weinig meer dan wat gezichten en witte vlekjes. Boven hun hoofden spettert het vuurwerk: negen friemelige witte lijntjes, meer niet, maar o zo beeldend.

Schoonheid in veelvoud – Hoogtepunten uit de prentencollectie van het Van Gogh Museum. T/m 23 september in het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7. Bij de expositie is het rijk-geïllustreerde boek Prentkunst in Parijs. De rage van het fin de siècle verschenen, met essays van Fleur Roos Rosa de Carvalho en Marije Vellekoop. € 24,95.

18

02 2012

Eenzaamheid en isolement, vastgezet in fotografie en Bambino

“We bezoeken dezelfde plekken en putten dus uit dezelfde inspiratiebronnen. Maar we werken met verschillende materialen en geven er een andere vertaling aan. Je bent natuurlijk ook anders. Maar in deze expositie komt het op een wonderbaarlijke manier prachtig bij elkaar.”

In de Kunstkerk op Prinseneiland presenteert het (kunstenaars)koppel Katharina Pöhlmann en Adrian Faes ‘Still. How are you’. Pöhlmann (Erlangen DL, 1969) toont ingetogen foto’s van (Duitse) woonblokken waar de eenzaamheid vanaf spat. Faes (’s Hertogenbosch, 1955) stelt wonderlijke, vrolijk stemmende bouwwerken tentoon: een vuurrood huis zonder deuren en ramen, omgekeerde daken, een groene stad die half onder water staat en waar een eenzame goudvis omheen zwemt.

De objecten zijn opgetrokken uit Bambino, oer-Hollandse, zachtplastic bouwblokjes in rood, geel, wit en blauw. Faes vond de blokjes, die dateren uit de pionierstijd van plastic en plastic speelgoed, nog voor Lego, in kringloopwinkels en op Marktplaats. “Soms worden ze omschreven als unieke jaren ’70 vintage-bouwstenen en wordt er een vermogen voor gevraagd. Maar veel vaker koop ik wasmiddeltonnen vol voor een tientje van een oud omaatje wier kleinkinderen te groot zijn geworden om nog te komen spelen.”

De blokjes zijn gemaakt van het zachte en goedkope poly-ethyleen. Faes, die tevens een winkel met spullen en curiosa uit de jaren vijftig, zestig en zeventig runt op de Haarlemmerdijk. “Lego is hard, hoekig en heel erg éénkleurig. Bambino niet. Dat voelt bijna als kaarsvet en heeft een hoge tactiele waarde. En het verkleurt op een prachtige manier; geen twee blokjes hebben dezelfde kleur. Voor het tweeluik Reliëf heb ik Bambino gecombineerd met Monti, dat net weer een andere dikte heeft.”

De gele reliëfs van Faes vormen een fraai verbond met vier grote nachtopnames van gestapelde woningen, die Pöhlmann schoot in Marzhan, een eentonige flatgebouwenwijk in het oosten van Berlijn. “We hebben er in de winter van 2011 een tijdje gewoond. Een flatje op de tiende verdieping met een geweldig uitzicht. Er zijn maar weinig sociale ontmoetingsplekken en op straat zie je er ook bijna niemand. Dat vind ik juist mooi. Ik laat mensen bij voorkeur weg op mijn foto’s, zodat de kijker zich de ruimte makkelijker eigen kan maken.”

De Duitse Pöhlmann kwam naar Nederland voor haar studie choreografie en dansregie (“Ik zie veel raakvlakken; ik maak nog steeds composities van ruimte, tijd en beweging, alleen met een ander medium”), werkte als cameravrouw voor onder meer RTV-NH, en studeerde afgelopen zomer af aan de Fotoacademie. Haar scherpe oog voor urbane vereenzaming blijkt ook uit haar fraaie, vierkante foto’s van verlaten straten, een nachtelijke kruising en desolate trapportalen.

Op de meeste foto’s is geen mens te bekennen. Bij de ingang van de expositie staat wel een halve man die zijn hondje uitlaat, maar die is opgetrokken uit grote blauwe blokken (“Die heb ik gekocht van een kinderdagverblijf. Ze hadden er geen zin meer in om ze aan het einde van de dag allemaal weer bij elkaar te zoeken”).

In een andere hoek staat een enorme, kale, wittige woontoren. Op de begane grond bevinden zich twee ramen. Wie de knusse woning goed wil bekijken, zal echt op de knieën moeten, net zoals vroeger bij het Lego-en of Bambino-en.

Er kan overigens ook écht gebambinood worden tijdens de expositie. Niet alleen staat er een enorm krat steentjes met dat doel (“Iedereen moet zijn eigen kunst maar bouwen”) , ook verkoopt Faes zakjes stenen waarmee huizenblokken uit Nieuwegein, Lunetten en Leidsche Rijn kunnen worden gebouwd: ‘Vinex Originals’. “Spaar ze allemaal”, staat er op de fraai vormgegeven verpakking. “Bij drie stuks een gratis geluidswal!”

Katharina Pöhlmann en Adrian Faes, ‘Still. How are you’. 17 t/m 19/2 en 23 t/m 26/2 in de Kunstkerk, Prinseneiland 89

18

02 2012

“Het is niet meer zo vers als toen ik het verzonnen heb”

“Topsoepje!”, zegt een tevreden klant, terwijl hij twee duimen omhoog steekt. “Ik kom zeker terug”, zegt een ander nadat hij heeft afgerekend. De Amsterdamse regisseur Fow Pyng Hu hoort het tevreden aan. Zijn Japanse noodle shop Le fou Fow, boven de Chinese toko Dun Yong op de hoek van de Geldersekade en de Stormsteeg, is nog maar net heropend of het publiek weet hem alweer te vinden. Dat is hard nodig ook; van filmmaken alleen kan Fow Pyng niet leven.

Fow Pyng Hu werd in 1970 geboren in Eindhoven, waar zijn ouders een Chinees restaurant hadden. Hij studeerde aan de TU Delft en de Gerrit Rietveld Academie, in de richting VAV (voorheen audiovisueel). In 2000 (“Dat is écht lang geleden”) maakte hij samen met studiegenoot Brat Ljatifi zijn speelfilmdebuut: Jacky. Die film, over een onverschillige railtender wiens moeder wil dat hij met een Chinees meisje trouwt, werd bejubeld in binnen-en buitenland en geselecteerd voor Un Certain Regard, de tweede competitie van het festival van Cannes, bedoeld voor kunstzinnige producties.

In 2004 maakte hij Paradise Girls, een drieluik over drie jonge vrouwen die op verschillende locaties een crisis doormaken, dat werd geselecteerd voor de Tiger-competitie van het IFFR. Vorige maand ging Nick in Rotterdam in première; vanaf deze week is de film in Het Ketelhuis te zien.

Read the rest of this entry →

17

02 2012

Een Van Warmerdam voor een Van Warmerdam

piëzografie 30 x 57 cm, ingelijst 77 x 48 cm, oplage 125

Twee jaar geleden schreef Alex van Warmerdam het script voor zijn nieuwe film Camiel Borgman, een donkere, boosaardige vertelling over een arrogant, welgesteld echtpaar, hun drie kinderen en het kindermeisje.

Om het laatste financiële gat te dichten, heeft hij de prent man met baard gemaakt. Wie de film ondersteunt met een bijdrage van € 1000,- ontvangt een gesigneerde, genummerde en ingelijste piëzografie. Ook krijg je de kans om Camiel Borgman nog vóór de landelijke première te zien en ontvang je de film op dvd. Meer informatie via Graniet Film.

16

02 2012