‘I need support’

Voormalig directeur Gijs van Tuyl en Pierre di Scillo (foto Lex Reitsma)

Pierre di Sciullo is boos. Vorige week verbrak het Amsterdamse Stedelijk Museum, bij monde van directeur Ann Goldstein, de samenwerking met de Franse grafisch ontwerper en typograaf, die sinds begin 2009 aan een nieuwe huisstijl voor het Stedelijk werkte. Di Sciullo heeft nu het volgende statement doen uitgaan:

Dear friends,

The new director of the Stedelijk Museum, Ann Goldstein, announced officially that she broke the contract which binds me to the museum, without the possibility of dialogue. Independently of the legal proceedings that I am going to give to this affair, ‘I need support. Not only this rough decision is a waste and a considerable damage for me and my studio, but also it symbolically attacks the graphic designer profession. All the design community and the adjoining professions should express themself on this case. That is why I propose you to sign the press release below, which will be relayed by the press. Thanks for all. Best regards.

Pierre di Sciullo – amelie@quiresiste.com

Scandal at the Stedelijk Museum
The new director of the Stedelijk museum, Ann Goldstein, announced officially that she broke the contract which binds the french graphic designer Pierre di Sciullo to the museum. One year before, at the conclusion of an international competition of 4 months, the independent jury appointed this graphic designer among 5 candidates. Since, he worked intensely with the museum on the visual identity, on the publishing, on the website, etc… Mrs Goldstein refused every exchange with P. di Sciullo on the made or futur work. Without advancing any reason, she made her decision in a rough and unacceptable way. In this way, she scoffs at the jury’s decision, the work already undertaken with the Stedelijk Museum’s teams, and the graphic designer and his team, in a particularly humiliating and incomprehensible way. This decision doesn’t care about public money already invested. Through this case, sadly exemplary, we can wonder what is the coherence of the big cultural institutions’ policy. And the trust? Because, now, who can still trust the Stedelijk Museum?

Het persbericht van het Stedelijk Museum d.d.3 maart 2010
Het Stedelijk Museum kondigt hierbij aan dat het de huidige plannen met betrekking tot de visuele identiteit niet zal voortzetten. Dit is een besluit genomen door Ann Goldstein, directeur van het Stedelijk Museum, met instemming van de Raad van Toezicht. Het besluit is weloverwogen genomen na zorgvuldig beraad en met diep respect voor de ontwerper Pierre di Sciullo, en voor het proces dat tot de selectie heeft geleid. Rekenschap gevend aan het feit dat het proces in 2006 werd gestart tegen de achtergrond van een heropening van het museum in 2009, heeft Ann Goldstein als nieuwe directeur van het Stedelijk Museum een andere visie op de visuele identiteit en de branding van het Stedelijk.
Het Stedelijk Museum wenst zijn diepste waardering uit te drukken voor Pierre di Sciullo en aan allen die aan dit proces hebben bijgedragen.
Het Stedelijk Museum overweegt zorgvuldig toekomstige plannen voor zijn visuele identiteit.

09

03 2010

Plagiaat! Schande!

Hij stond heel hoog in mijn lijstje met mooiste posters van de jaren nul, de poster van Lee Daniels’ drama Precious. Op plek twee om precies te zijn. En nu blijkt dat het basis-idee gekopieerd is. Wordt-ie in die wetenschap minder mooi? Nee, dat niet, maar ik vraag me af of ik ‘m zo hoog had gezet als ik het had geweten. (Hetzelfde speelde min of meer bij de bekroning van de poster van Angst met de Cinema.nl Afficheprijs 2009.) Meer ernstige gevallen van plagiaat zijn hier te vinden.

09

03 2010

Elk shot is een feest voor het oog

Tim Burton en Lewis Carroll; het is zo’n voor de hand liggende combinatie dat je je afvraagt waarom het zo lang heeft geduurd voordat de regisseur met de wonderlijkste gedachtekronkels zich op het hallucinante boek Alice in Wonderland heeft gestort.

Nu is het dan zo ver; met een budget van 250 miljoen dollar creëerde Burton een uitzinnige trip, waaraan het verhaal volkomen ondergeschikt is aan de overdadige beelden: elk shot is een feest voor het oog. Dankzij ouderwetse schaalmodellen en hypermoderne 3D-technieken.

De jonge, Australische Mia Wasikowska is geweldig als de 19-jarige Alice, die als ze door een oersaaie, adellijke lelijkerd ten huwelijk wordt gevraagd het hazenpad kiest, een gat in tuimelt en in Wonderland belandt. Van een schattig, naïef meisje verandert ze in een Jeanne d’Arc-achtige vechter, die haar angsten overwint en de strijd aanbindt met de doodenge Jabberwocky.

Maar de show wordt gestolen door Johnny Depp (natuurlijk – als de hoedenmaker) en vooral door mevrouw Burton: Helena Bonham Carter, als de Rode Koningin, die het hoofd van een ieder die haar niet welgezind is eist en een roze flamingo en een opgerold egeltje gebruikt als golfclub en -bal.

Alice in Wonderland is een aanrader voor jong én oud. Hoewel; de kans bestaat dat ál te jonge kijkertjes nachtmerries overhouden aan de ongebreidelde hersenspinsels. Maar de vraag is natuurlijk: is dat wel zo erg?

06

03 2010

Maar het boek was beter

Zondagnacht worden in Los Angeles de Oscars uitgereikt. De Amsterdamse freelance ontwerper Woes van Haaften heeft daarom posters in de stad verspreid met het felbegeerde gouden Oscarbeeldje. Lezend welteverstaan; de rechterhand rust niet op het zwaard maar heeft een boek vast. ‘Maar het boek was beter’ staat er onder het mannetje.

Van Haaften maakt niet alleen reclame voor de Oscars (de Academy zal overigens ongetwijfeld met rechtzaken dreigen als ze de uiting in het vizier krijgen) en voor de boekhandel (Scheltema wilde het postertje overigens niet ophangen), maar natuurlijk vooral voor Woes van Haaften zelf. Meer fraai werk staat op zijn website.

05

03 2010

‘Dit is een gevoelige kwestie’

Het Stedelijk Museum heeft de samenwerking met de Franse grafisch ontwerper en typograaf Pierre di Sciullo verbroken. Di Sciullo werkte sinds begin 2009 aan een nieuwe huisstijl voor het Stedelijk – van het logo en grafische toepassingen als briefpapier, visitekaartjes en affiches tot en met de wegbewijzering en toepassingen in de architectuur. Hij was uitverkoren na een intensieve pitch onder vijf gerenommeerde ontwerpbureaus.

Het besluit is genomen door directeur Ann Goldstein, met instemming van de Raad van Toezicht. ‘Rekenschap gevend aan het feit dat het proces in 2006 werd gestart tegen de achtergrond van een heropening van het museum in 2009, heeft Ann Goldstein als nieuwe directeur van het Stedelijk Museum een andere visie op de visuele identiteit en de branding van het Stedelijk.’

Di Sciullo – hij verwierf faam met zijn magazine Qui Résiste, won in 1995 de Charles Nypels Prijs voor zijn uitgebreide onderzoek op het gebied van typografie, en maakte de trambordjes in de stad Nice en de huisstijl van Musée Champollion – reageerde woensdagavond teleurgesteld op het nieuws. De in het persbericht herhaalde passage dat het Stedelijk zijn diepste waardering voor hem wenst uit te drukken, verleidde hem tot een schamper lachje. Omdat de partijen nog in gesprek zijn over de financiële afwikkeling, wenste Di Sciullo verder niet te reageren. ‘Dit is een gevoelige kwestie.’

Het Stedelijk had de ambitie om met de keuze voor een nieuwe huisstijl een standaard te zetten: het hele traject, van de eerste aanzet tot en met de implementatie, moest leiden tot een expositie, een seminar en een publicatie. Grafisch ontwerper Lex Reitsma legt het proces vast in een documentaire over ‘de stijl van het Stedelijk’.

Voor de ontwikkeling van een grafische identiteit voor het ‘nieuwe’ Stedelijk werd in het voorjaar van 2008 een werkgroep geformeerd, die onder leiding stond van de eertijdse directeur Gijs van Tuyl. Grafisch ontwerper Gerard Hadders werd als extern adviseur aangetrokken om de huisstijlcompetitie inhoudelijk te begeleiden, daarnaast werd een projectleider aangesteld.

Toen de keuze van een speciaal benoemde vakjury (met onder anderen Dingeman Kuilman, directeur Premsela, Dutch platform for design and fashion, Hendrik Driessen, directeur De Pont, en Mels Crouwel, architect bij bureau Benthem Crouwel, dat de renovatie en nieuwbouw van het Stedelijk Museum realiseert) op Di Sciullo was gevallen, werd hij geprezen om zijn inhoudelijke betrokkenheid bij en interpretaties van het Stedelijk, om zijn gevoel voor de relatie tussen kunst en leven, om zijn speelse, enigszins anarchistische mentaliteit, om zijn openheid en bravoure. Volgens de jury zou het Stedelijk met deze ontwerper ‘een nieuw avontuur kunnen aangaan, dat in de verte doet denken aan dat van Willem Sandberg, de voormalige directeur en grafisch ontwerper van het Stedelijk Museum, die het mede dankzij zijn unieke typografie internationaal op de kaart zette’.

Op dit moment zegt het Stedelijk Museum zorgvuldig toekomstige plannen voor zijn visuele identiteit te overwegen.

03

03 2010

Micha Wertheim wéér niet in Carré

Het eerste (en soms zo’n beetje het enige) wat ik iedere week lees in Vrij Nederland zijn de (beeld)columns van Micha Werheim. Zijn nieuwste show wordt onder meer aan de man gebracht met een geinige poster die de vreselijke uniforme posters van Carré persifleert (witte tekst tegen een rode achtergrond: Youp in Carré, China in Carré, et cetera). Die Carré-posters worden overigens gemaakt door Thonik, de ontwerpfabriek die ook verantwoordelijk is voor de huisstijl van de Openbare bibliotheek Amsterdam, de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, NRC (die vreselijke pijltjes die geen pijltjes zijn) en zeer binnenkort de VPRO…

03

03 2010

‘Mijn echtgenoot heeft geposeerd’

Lavish the Thirsty van F. Franciscus, 200 x 160 cm, olieverf op linnen, 2007/2009 (courtesy Flatland gallery, Utrecht/Paris)

‘Ik vergeet er altijd een. Maar telkens weer een andere.’ Beeldend kunstenaar/schilder F. Franciscus denkt even diep na. Dan somt hij op: de doden begraven, de naakten kleden, de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de vreemdelingen herbergen, de gevangenen bezoeken… Heb ik ze nu alle zeven? O nee… de zieken bezoeken, hoe kan ik die nu vergeten?’

Franciscus van de Vooren – kortweg F. Franciscus – schilderde van ieder van de zeven werken van barmhartigheid een metersgroot doek. Ze zijn samen met ander, verwant werk te zien in de tentoonstelling ‘Works of Mercy’ in het Gemeentemuseum Helmond.

In zijn atelier in een voormalige munitiedepot van de linie van Amsterdam hangen aquarellen op een kleiner formaat (‘tussen- en voorstudies’). ‘Dat is mijn favoriet’. Franciscus wijst naar de tekening van twee naakte mannen, die bij het vallen van de avond tot aan hun enkels in het water staan. De een laat water uit zijn handpalm op het voorhoofd van de ander druppelen. Hun naaktheid wordt benadrukt door de afscheiding van hun zwembroeken. ‘De naakten kleden. Het is een knipoog naar de doop van Jezus door Johannes, zegt Franciscus. ‘Mijn echtgenoot heeft geposeerd.’

Net als in zijn eerdere werk combineert Franciscus in de ‘Works of Mercy’ werken uit de (klassieke) schilderkunst – hij is schatplichtig aan onder anderen Bronzino, Artemisia Gentileschi, Ter Brugghen, Van Baburen en Van Dijck – met popcultuur en andere modeverschijnselen. De hoofdrolspelers dragen All Stars, gouden polshorloges, rijglaarzen en een strak aangesnoerd korset. Uit een hoge hoed komt een wit konijn met een roze lint om zijn nek; op een onderarm staat een groot, rood hart getatoeëerd. Zonder naambordje zullen de werken van barmhartigheid voor de meeste mensen maar moeilijk herkenbaar zijn. Erg is dat niet, vindt Franciscus. ‘Als mensen Roodkapje en de wolf menen te herkennen in ‘Lavish the Thirsty’ vind ik dat prima. Het verschil tussen sprookjes en de bijbel is voor mij sowieso niet zo groot.’

De serie begon als opdracht. ‘Het is een treurig verhaal’, lacht Franciscus. ‘Een directeur van een snel groeiend bedrijf dat fondsen werft voor charitatieve instellingen, die ooit een schilderij van me had gekocht van 1,60 bij 2 meter vroeg me de zeven werken van barmhartigheid te schilderen op hetzelfde formaat. Hij wilde ze ophangen in de zeven vestigingen van zijn kantoor, verspreid over heel Europa. Ik ben niet zo van de opdracht, maar deze leek me op het lijf geschreven.’

Er waren geen beperkingen, de opdrachtgever was een hele tolerante, vriendelijke man. ‘Vaak willen mensen er zelf opstaan. Hij niet. Dat scheelde al weer. Want laten we wel zijn: de meeste mensen die zich laten portretteren, zijn bepaald geen fotomodellen, en daar moet je dan toch iets van maken. Ik maak geen echte portretten; als mensen er zelf op willen staan, zeg ik altijd: je krijgt een Franciscus waarin je figureert. Het zijn eerder genrewerken dan portretten. Portretteren is een vak apart. Daar ben ik niet zo goed in, ben ik door schade en schande achtergekomen.’

Wat Franciscus in zijn achterhoofd hield bij het schilderen, was dat de doeken achter een secretaresse moesten kunnen hangen, ‘of in zo’n zaaltje waar dag in dag uit wordt vergaderd’. ‘Dus ik waakte ervoor dat het niet te bloederig werd – ik kan nogal eens flink uitschieten met bloed. En niet te bloot. Verder moesten het gewoon echte Franciscussen worden. Dus zitten er een heleboel thema’s in die al een keer de revue zijn gepasseerd in mijn oeuvre. Ik ga het wiel niet opnieuw uitvinden voor een opdracht. Dat kost niet alleen veel te veel tijd, de meeste mensen willen helemaal geen experiment. Die willen iets wat ze al eens van je hebben gezien.’

Hij zou drieënhalf jaar de tijd krijgen; twee jaar om de zeven doeken te schilderen, daarna nog anderhalf jaar vrijaf. ‘Ik had al een soort sabbatical in mijn hoofd, in Zuid-Afrika ofzo, maar dat kwam er niet van. Na vijf kwartalen stopten de betalingen: de opdrachtgever ging failliet; zijn bedrijf is in de crisis ten onder gegaan. We zijn trouwens nog steeds goed met elkaar, hoor. En hij heeft er maar mooi voor gezorgd dat een droom van me is uitgekomen. Ik wilde al heel lang een serie grote werken maken. Maar dat kwam er niet van. Ik werk heel langzaam en heel gelaagd, dus ik was altijd maar weer bezig met kleine formaatjes om ervoor te zorgen dat er ook nog iets te verkopen valt.’

Toen duidelijk werd dat zijn opdrachtgever het financieel niet kon bolwerken, waren er twee schilderijen afbetaald. ‘Die twee heb ik gelukkig terug kunnen kopen. Vier andere waren al in een vergevorderd stadium, alleen de zevende was nog niet goed in concept. Dat werden de twee blote mannen. Nu het geen opdracht meer was, konden er wél piemels op.’

Franciscus zorgde er zelf voor dat de zeven werken in Helmond kwamen te hangen. ‘Als je zelf niets doet, gebeurt er niks. Ik heb een Powerpointpresentatie rondgestuurd naar mijn connecties. Ik ben in 1986 afgestudeerd, volgend jaar zit ik 25 jaar in het vak, dus ik ken intussen wel wat mensen.’

Bij de expositie verschijnt een fraai boek,  f. franciscus – works of mercy . ‘Het is voortgekomen uit onvrede over mijn vorige boeken. Ik was er zelf bij hoor, maar in het boek uit 2003 stond domweg veel te veel en overwoekerde de vormgeving het werk. Het boek daarvoor is op het verkeerde papier gedrukt. In dit nieuwe boek staat het beeld voorop. We hebben geen foto’s van de werken laten maken, maar de schilderijen één op één laten scannen op een Scusescanner. Daarvan staan er op dit moment maar twee in Nederland. Sommige scans waren 900mb groot en dat zie je: de afbeeldingen zijn ongelooflijk gedetailleerd. Dat is écht kicken, het is een hele sjieke reclamefolder voor mijn werk geworden.’

Franciscus loopt naar zijn schildersezel, waarop een grisaille staat van een jonge, donkere vrouw die een zwart joch vasthoudt. Beiden zijn behangen met goud. ‘Blingbling-Madonna met kind’, legt Franciscus uit. ‘Het is voor een wedstrijd, uitgeschreven door het Utrechtse Museum Catharijneconvent. De opdracht was iets met goud en de bijbel.’

Het is niet zijn taal, de taal van de bijbel, benadrukt Franciscus (Utrecht, 1959). Thuis hadden ze geen bijbel, toen hij begin jaren tachtig in een Berlijns museum schilderijen zag van moeders met kind was hij direct verkocht, zonder dat hij wist dat het Maria en Jezus waren. ‘Er ging een wereld voor me open. Maar de bijbel heb ik tot op de dag van vandaag nooit gelezen. Ik heb wel eens een kinderbijbel doorgebladerd, en ik heb veel films gezien, van The Ten Commandments tot Jesus Christ Superstar. In mijn schilderijen gebruik ik de kunstgeschiedenis en het verleden, om met een flinke portie eclecticisme, anachronismen en een uiterst persoonlijke stilering de toeschouwer over het heden te laten nadenken en mijn wereldbeeld en visie aan te reiken. Ik geef er zogezegd mijn eigen, surreële draai aan. Dat wordt steeds lastiger, omdat ik er steeds meer vanaf weet.’

Zijn ‘blingbling-Madonna moet eind maart verzendklaar zijn. ‘Dat schilderij wordt hartstikke mooi. Funky. Als het Catharijneconvent er niets mee wil, kan ik het wel aan iemand slijten. Moeders met kinderen, die lopen heel goed. Dat is een universele emotie.’

Hij is gezegend met een goede galerie, zegt Franciscus. ‘Ik werk stug door. Ik heb nog een kast vol bespannen doeken, heel veel tubes verf en een perfect atelier op een van de mooiste plekken van Amsterdam. Maar veel andere kunstenaars hebben het echt heel zwaar op het moment. Galeries gaan ook over de kop, schilders lopen de post rond te brengen.’ Hij denkt even na. ‘Eigenlijk is dat altijd zo geweest. Het is altijd crisis in de kunst: er is nu eenmaal veel te veel aanbod en veel te weinig vraag.’

F. Franciscus – Works of Mercy. T/m 18 april in Gemeentemuseum Helmond. www.gemeentemuseumhelmond.nl. Het gelijknamige boek is ook te koop bij Flatland Gallery in Utrecht voor 39,50 euro (distributie: Idea Books. ISBN: 978-94-90503-03-1)

03

03 2010

UP + Up in the Air = UP in the Air

Ik houd er niet zo van, van dat verhaspelen van filmposters. Maar deze – nogal voor de hand liggende – combi van UP en Up in the Air is wel mooi, omdat je als je snel kijkt helemaal niet ziet dat er is gefotoshopt. Als je wel wat langer kijkt, besef je dat de oude brombeer Carl Fredrickson eigenlijk naar zichzelf staat te kijken… Voor meer ‘filmposter mashups’ zie Worth 1000.

02

03 2010

Actie! – Maandag 15 februari, 17.51 uur. Hoek Brouwersgracht en Prinsengracht, Amsterdam

Dick Maas geeft aan waar het bakje heen moet. Links ‘1st AD’ Sjoerd Steenbeek, rechts art director Lorien Mouyal. In het bakje zitten Robert-Jaap de Lange en ‘D.O.P.’ Guido van Gennep. Foto Bob Bronshoff

Op de allereerste draaidag van Sint, een actiethriller annex zwarte komedie van Dick Maas over een moordende Sinterklaas, wordt er op twee locaties in de Amsterdamse binnenstad gefilmd. Zonder acteurs. Aan de Herengracht worden opnamen van een politieauto gemaakt. Op de Brouwersgracht, slechts een paar honderd meter verderop, worden shots gemaakt van trapgevels en daken.

Het is ijs- en ijskoud. Jongens in gele hesjes doen halfslachtige pogingen automobilisten een andere kant op te bewegen. Door fietsers, voetgangers en moeders met kinderwagens worden ze volslagen genegeerd; die gaan gewoon huns weegs.

Aan een enorme kraan hangt een iel bakje, waarin onder anderen ‘director of photography’ Guido van Gennep heeft plaatsgenomen. Omzichtig wordt het de lucht in gedirigeerd door Robert-Jaap de Lange, totdat het pal boven het bevroren water van de Brouwersgracht hangt. “Voor geen goud dat ik daar zelf in ga staan”, mompelt Dick Maas. ‘Ik heb geen hoogtevrees hoor, maar ik hoor wel eens dat ze omvallen.’ Op een gegeven moment zitten er vijf mannen in het bakje, en begint het gevaarte te piepen. Nader onderzoek wijst uit dat het bakje te zwaar beladen is. Maas: “Er mogen volgens mij maar twee man in.”

In Sint draait het om de moordlustige Niklas, een uit de dood herrezen bisschop die het begrip kindervriend een geheel eigen invulling geeft. Hij wordt gespeeld door Huub Stapel, die ook al te zien was in de Dick Maas-films De lift (1983), Flodder (1986), Amsterdamned (1988) en Flodder in Amerika! (1992). “Voor de rol van Niklas moet de acteur meer dan vier uur in de make-up en moet hij bij min tien op een paard over de daken galopperen”, vertelde Maas eerder al. “Dat wil je je beste vrienden niet aandoen. Huub leek daarom een terechte keus.”

Staand naast het beeld van Theo Thijssen legt Maas uit dat er vandaag ‘plates’ worden opgenomen, waar Niklas en zijn paard later in de studio worden ingezet. “Het zijn behoorlijk ingewikkelde visuel effects. Daarom wil ik zo snel mogelijk weten hoe het eruit komt te zien. Bepaalde dingen kunnen we hier wel; Moordwijven bevatte ook iets van honderdtwintig effect-shots. Maar 3D-animatie is in Nederland eigenlijk totaal onbekend terrein.”

Via Roel Reiné kwam hij in de Oekraïne terecht, bij het bedrijf dat onder meer de special effect maakte voor de spektakelstukken Night Watch (2004) en Day Watch (2006) van Timur Bekmambetov. “Daar zitten ook 3D-paarden in. Een echt paard kan nu eenmaal niet alles. Het paard van Niklas moet van het dak af storten en bovenop een politieauto terechtkomen… het liefst had ik het hele paard in 3D willen animeren, maar daar hebben we hier de know how en het budget niet voor. Helaas. Het is geen Avatar. Wij moeten het doen met 4.4 miljoen.”

Terwijl Maas vertelt – het begint al te schemeren –, wordt de kraan voorzichtig een paar meter richting de Prinsengracht gereden. Niet voorzichtig genoeg; in een onhandig geparkeerde auto zit een enorme buts. De eigenaresse haalt haar schouders op; het is een lease-auto.

Maas neemt plaats achter de monitor. Het shot is bijna goed, gebaart hij. Met duim en wijsvinger geeft hij aan dat de camera nog een héél klein stukje opzij moet. “Een tandje naar rechts. Nee, niet te veel Ho! Stop! Terug!” Maas kijkt tevreden. “We gaan dit in ieder geval zo draaien. Draait-ie al?”

Ja hij draait; het rode rec-knopje op de monitor brandt.

“Snel door”, zegt Maas. “We lopen achter op schema!”

Sint / Nederland 2010 / Scenario: Dick Maas / Regie: Dick Maas / Camera: Guido van Gennep / Montage: t.b.a. / Productie: Tom de Mol & Dick Maas / Uitvoerend producent: Gerrit Martijn / Production Design: Wilbert van Dorp / Muziek: t.b.a. / Met: Egbert-Jan Weeber, Huub Stapel, Bert Luppes, Caro Lenssen / Kleur, 90 minuten / Omroep: RTL / Distributie: A-Film Entertainment / Te zien: 25 november 2010

zie ook www.bobbronshoff.nl

01

03 2010

‘Een kaal stuk land met veel beton… dat is niet mijn soort fotografie’

Nikolay Felipovich. Sotsji, Rusland, 2009 © Rob Hornstra, courtesy Flatland Gallery NL/Paris, Yossi Milo Gallery NYC

‘Ik zou graag eens van de mensen van het IOC stemmen horen wat hen ertoe heeft bewogen de volgende winterspelen te organiseren in een subtropisch oord. Er groeien daar palmbomen! Sotsji wordt de Russische rivièra genoemd! Ik snap werkelijk niet dat er niet veel meer weerstand is.’

De winterspelen in Vancouver zijn nog niet voorbij, maar fotograaf Rob Hornstra heeft zijn blik al lang en breed op de volgende editie gericht: Sotsji 2014. ‘In de zomer is Sotsji een ranzig, Benidorm-achtig oord – dat vind ik ook nog wel leuk. En er staat een mooi cultuurhuis waar ik balletmeisjes heb gefotografeerd. Maar verder heeft de stad mij als fotograaf niet zo veel te bieden. Ik heb veel meer met het gebied eromheen.’

Hornstra studeerde Fotografische Vormgeving aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Zijn eerste fotoboek Communism & Cowgirls, in 2004 verschenen in een oplage van 250 stuks, focust op de eerste generatie jongeren die opgroeide na de val van het communisme. Ook in zijn boek 101 Billionaires (De titel verwijst naar een jaarlijkse lijst met rijkste Russen) toont Hornstra de schaduwzijde van het nieuwbakken kapitalisme in de voormalige Sovjet-Unie. ‘Ik geloof niet in het kapitalisme; dat is een fout systeem. Maar hetzelfde geldt zeker ook voor het communisme. Ik was benieuwd naar de overgang. En naar het gebied. Ik sprak geen woord Russisch toen ik er voor het eerst heen ging. Sterker: ik sprak nauwelijks Engels. Maar ik had er een geweldige tijd. Enerzijds is het krankzinnig moeilijk om er te werken, anderzijds liggen de interessante verhalen er voor het opscheppen.’

Sinds vorig jaar werkt Hornstra samen met journalist en filmmaker Arnold van Bruggen aan ‘The Sochi Project’: een reportage over de veranderingen in de regio aan de Zwarte Zee waar in 2014 de Olympische Spelen plaatsvinden. Die ‘extreme make-over’ is al aan de gang; vluchtelingenflats en armoedige resorts verdwijnen in hoog tempo, karakteristieke Sovjet-sanatoria worden omgebouwd tot viersterrenhotels. Duizenden arbeiders uit heel Rusland wonen in prefab-woningen om de stadions, hotels en moderne infrastructuur op tijd af te hebben. Helikopters vliegen af en aan met bouwmateriaal. ‘Het perscentrum wordt gebouwd in een beschermde moerassige laagvlakte. Dat mag helemaal niet. Geologen zeggen dat de stadions binnen de kortste keren zullen wegzakken. Maar ook dat lijkt vooralsnog niemand te interesseren.’

The Sochi Project is kostbaar, er is 30 duizend euro per jaar nodig schat Hornstra, terwijl kranten en tijdschriften nauwelijks nog budget hebben voor fotojournalistiek. Dus bedacht Hornstra cum suis een eigen financieringsmodel: iedereen die deze synthese van kunst en journalistiek een warm hart toedraagt, kan donateur worden.

Dat kan voor tien, honderd of duizend euro per jaar, wat respectievelijk de status oplevert van bronzen, zilveren en gouden donateur. Elke categorie heeft eigen privileges, variërend van toegang tot de website waarop alle artikelen, fotoseries, interviews en essays worden gepubliceerd tot een luxe verzamelbox met originele prints. Inmiddels hebben 274 donateurs een kleine 18 duizend euro geïnvesteerd in het project.

Recent werden de gouden en zilveren donateurs getrakteerd op de in eigen beheer gemaakte publicatie Sanatorium, bestaand uit een beeldkatern en een fictief dagboek van een sanatoriumbezoeker. ‘We zijn niet voor niets begonnen met de sanatoria; er is gen veiliger onderwerp. We hadden ook eerst iets over prostituees of iets dergelijks kunnen doen, maar dat is gewoon niet handig. Ik zou het overigens ook wel weer wat vinden, als we er na vier jaar worden uitgeknikkerd. Het is me veel waard als ik aan het eind kan zeggen dat ik het ze lastig heb gemaakt: Rob Hornstra, de paria van Sotsji.’

Of ze in Rusland in de gaten worden gehouden, weet Hornstra niet. Wel ondervindt hij momenteel veel moeite om een persvisum te bemachtigen. ‘Dat is een vrij ernstige schending van de persvrijheid, natuurlijk. Ik vind dat vreemd. Als je de spelen wilt organiseren, dan weet je toch dat er kritische journalisten komen kijken?’

Russische journalisten en fotografen, díe hebben het pas echt moeilijk, weet Hornstra. ‘Rusland staat vijfde op de lijst met landen waar de meeste journalisten omkomen tijdens hun werk. Maar volgens mij staan ze met afstand eerste wat betreft moorden op journalisten uit eigen land. Die worden gewoon afgeknald. Ik heb groot respect voor journalisten die verslag doen vanuit Tsjetsjenië. Het is daar zo ontzettend losgeslagen; ik zou best bang zijn om daar naartoe te gaan.’

Zijn komende reizen gaan naar Abchazië, óók een gebied met een omstreden status, op nog geen tien kilometer van de plek waar de Spelen moeten plaatshebben. ‘Het land is helemaal leeg, iedereen is gevlucht. Wat ik daar precies moet gaan fotograferen, weet ik nog niet. Een kaal stuk land met veel beton… dat is niet mijn soort fotografie. Ik ga dus op zoek naar mijn eigen verhaal: een foto hoeft wat mij betreft niet alleen een verhaal te illustreren. Een foto kan ook weer een ander, op zichzelf staand verhaal vertellen.’

Beelden van The Sochi Project zijn t/m 24 mei te zien op de tentoonstelling QUICKSCAN NL#01 in het Nederlands Fotomuseum. Zie ook thesochiproject.org.

28

02 2010