Posts Tagged ‘What Design Can Do!’

What Design Can Do! – Verse chocola is veel lekkerder

“Iedereen weet wat chocola is, maar bijna niemand weet hoe het precies tot stand komt. De keten van cacaoboon tot consument is enorm; er zitten meer dan tien partijen tussen: boeren, opkopers, handelaren, transporteurs, mensen die voor de opslag zorgen, branders, walsers, afgieters, winkeliers… En iedereen moet iets verdienen. Wij houden alles in eigen hand, behalve de bonenteelt, natuurlijk, dat moeten de boeren doen, het is immers een tropisch product. Maar ook daar hebben we ook goed over nagedacht. Je krijgt namelijk alleen goede cacao als de boer er aandacht aan besteedt. En dat doet-ie als hij er een fatsoenlijke prijs voor krijgt. Dat klinkt logisch, maar het gebeurt weinig.”

Nadat Enver Loke en Rodney Nikkels afstudeerden aan de Landbouwuniversiteit, specialisatie ontwikkelingssamenwerking, zijn ze chocolademakers geworden. Chocolatemakers heet hun merk, dat wordt geproduceerd in Amsterdam-Noord, met antieke apparaten die ze overal vandaan haalden en zelfgemaakte machines. Loke: “Sinds twee weken draait onze lange wals, die we hebben laten maken op basis van de tekeningen van dhr. Lindt uit 1879.”

De bedrijfsvoering van Chocolatemakers is gebaseerd op zo min mogelijke uitstoot en afval. Het bedrijf streeft naar lokale oplossingen, de stroom is groen, eigen afval wordt zo veel mogelijk hergebruikt. Omdat aluminiumfolie vervuilend is, worden de verpakkingen gemaakt van vetpapier en bedrukt met bio-inkt. “Het is algemeen bekend dat aluminium slecht voor onze gezondheid is en toch verpakken we daar van alles in. Omdat het lang vers moet blijven; een reep in de supermarkt is vaak meer dan een half jaar oud. Omdat wij de distributie in eigen hand hebben, zijn die van ons hooguit twee, drie weken geleden gemaakt. Meestal maar één week. Dat proef je: verse chocolade is veel lekkerder.”

Alle repen die in de supermarkt worden verkocht, zijn volledig geoutsourced, aldus Loke, niemand maakt de repen daadwerkelijk zelf. “Alle chocolade komt uit dezelfde fabriek waar 70 procent van de Nederlandse chocola vandaan komt. Bijna alle merken zijn inmiddels fair trade, maar dat betekent nog niet dat de prijs voor de bonen de juiste is. Wij betalen de boeren het dubbele van de fair trade-prijs, omdat we de kwaliteit die ze leveren waarderen. Ook investeren we in kennisontwikkeling en infrastructuur. Het ontwerp van iedere reep begint per slot van rekening bij de oorsprong: de cacaoboon en de boer.”

Op 6 juni vaart het zeilschip ‘Tres Hombres’ de haven van Amsterdam binnen met een nieuwe lading: 5 ton cacaobonen en 2 ton cacaoboter, rechtstreeks afkomstig van een boerencoöperatie uit de Dominicaanse Republiek. Dat wordt gevierd met de introductie van een nieuwe reep van de Chocolatemakers, hun vierde: de Tres Hombres 75% met gebrande cacao-nibs. “De vraag naar onze producten wordt steeds groter. Omdat we goede kwaliteit leveren tegen een vrij scherpe prijs. Toch is ons marktaandeel miniem, en dat zal door onze manier van produceren ook zo blijven. Maar we maken wel een statement: je kunt hele lekkere, ambachtelijke chocola maken én tegelijkertijd bijdragen aan een betere wereld.”

De Chocolatemakers verzorgen do 16/5 een presentatie op de conferentie What Design Can Do!, die t/m 17/5 plaatsvindt in de Stadsschouwburg. De chocola is onder meer te koop bij Marqt.

15

05 2013

What Design Can Do! – Een openbare zitplek op het Leidseplein

“Toen ik aan de slag ging met het Leidseplein heb ik het meermaals bekeken vanaf het Ajaxbalkon van de Stadsschouwburg. Dan zie je precies wat er gebeurt en hoe het plein functioneert. Wat mij direct opviel, is dat geen toerist foto’s maakt van het plein zelf. Ik snap dat wel, het is ook zo ontzettend gefragmenteerd en verrommeld. Wat toeristen wel vaak fotograferen, zijn de fontein voor Americain en de leguanen in het Kleine-Gartmanplantsoen voor de City. Die moeten dus blijven. Op de artist’s impression heb ik de leguanen nu verspreid op de nieuwe bankjes. Maar ik heb al contact opgenomen met Hans van Houwelingen, de kunstenaar die ze heeft bedacht. Samen gaan we een plan voor een nieuwe context voor ze maken.”

Ruwan Aluvihare is senior hoofdontwerper bij de dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) van de Gemeente Amsterdam. Hij is verantwoordelijk voor het Zuidplein, een deel van de ‘rode loper’, het gebied dat loopt van het Centraal Station tot de Ferdinand Bolstraat, en – sinds drie jaar – het Leidseplein.

Er wordt door Stadsdeel Centrum al meer dan tien jaar gewerkt aan een plan voor het Leidseplein, maar het is, aldus Aluvihare, nu eenmaal ‘een verschrikkelijk complex project’. “Het is de drukste voetgangersplek van Amsterdam, het drukste fietskruispunt en het op twee of drie na drukste ov-kruispunt van de stad. En elk ontwerp krijgt te maken met minimaal 250 personen, van de wethouder en de gemeentelijke diensten tot de ondernemers en bewoners.”

80 procent van de regels waarmee hij te maken heeft op het plein wordt bepaald door het verkeer, van de minimale breedte van de stoepen en rijwegen tot de verkeersveiligheid. Het verkeer valt echter niet onder DRO, maar onder de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer.

Het is, wil Aluvihare maar zeggen, een enorme uitdaging om iedereen op één lijn te krijgen. “Maar we zijn al een heel eind. Omdat er continue overleg wordt gevoerd met alle betrokkenheden, en we niet in een ivoren toren een kant-en-klaar plan hebben gemaakt dat vervolgens wordt afgeschoten op een inspraakavond.”

De nota van uitgangspunten waarop Aluvihare’s ‘voorlopige ontwerp’ is gebaseerd, behelst onder meer dat het gemotoriseerde verkeer van het plein verdwijnt en dat de taxistandplaatsen worden verplaatst naar de Leidsebrug, zodat er meer ruimte ontstaat voor voetgangers. “Het Leidseplein moet een verblijfsplein worden, een plek waar de bezoeker zich welkom voelt. Nu zijn er bijna alleen maar geprivatiseerde plekken, waar je iets moet bestellen om te kunnen zitten. Op het Kleine-Gartmanplantsoen, waar nu alleen ‘kijkgroen’ is, komt daarom een openbare zitplek: twee hele lange banken, die tevens het hoogteverschil overbruggen.”

Er rest Aluvihare en zijn collega’s nog één belangrijke opgave: een oplossing vinden voor het fietsparkeerprobleem. “Meer fietspontons of dekschuiten zijn opties; maar dan kom je de UNESCO tegen. Een ondergrondse fietsenstalling is duur. Alle opties worden voorlopig open gehouden. Misschien moeten we het in een heel andere richting zoeken: na iedere uitgaansavond worden er honderden onbeheerde fietsen van het plein verwijderd – ook goeie fietsen. De helft daarvan wordt nooit opgehaald bij de Algemene Fiets Afhandel Centrale. Dat is toch ongelooflijk? Misschien kunnen we iets verzinnen zodat de hechting tussen fiets en eigenaar groter wordt. Maar dat is een ontwerpopdracht die buiten mijn portefeuille valt.”

What Design Can Do!, 16-17/5 in de Stadsschouwburg.

14

05 2013

What Design Can Do! – Vleesvervangers met een unieke, verfijnde rooksmaak

“Vleesvervangers liggen in de supermarktschappen vaak naast of tussen het vlees. Terwijl ze worden gegeten door mensen die geen vlees willen eten. Ze worden gemaakt van soja. Dat is een vormeloos product, je kunt het in iedere denkbare vorm gieten, en toch hebben vleesvervangers de vorm van vlees; het zijn balletjes, filets of burgers; gehakt, schnitzels, worsten, kroketten en frikadellen. Ik vind dat, om het voorzichtig uit te drukken, merkwaardig.”

Marije Vogelzang (Enschede 1978) is ‘eating designer’. Ze studeerde af als productontwerper aan de Design Academy in Eindhoven, maar koos er al snel voor om voedsel te gebruiken als belangrijkste materiaal. “Eten was helemaal geen onderwerp toen ik ermee aan de slag ging. Philippe Starck had pasta ontworpen, dat wel, maar mij gaat het niet om het vormpje. Het voedselvraagstuk is een van de nijpendste problemen van onze tijd, maar wordt volkomen over het hoofd gezien door de meeste ontwerpers.”

Vogelzang maakte een geheel witte begrafenismaaltijd als substituut voor koffie met cake en bedacht een lolly in de vorm van pistool om te laten zien wat suiker met je lichaam doet. En ze ontwerpt ‘faked meat’.

“Als mensen meer emotie voelen bij wat ze eten, zullen ze het ook eerder eten. Maar kom daar maar eens om bij Vivera-balletjes en vegetarische burgers. Dat zijn producten zonder een ziel; een slap aftreksel; surrogaat. Ik dacht: als je soja dan toch elke denkbare vorm kunt geven, dan kun je er ook zelf een dier bij verzinnen.”

De dieren die Vogelzang bedacht hebben een eigen habitat, leefwijze en dieet, die bepalend zijn voor de vorm en smaak van het product. De Ponti, bijvoorbeeld, is een muisachtig beestje dat in de vulkanen op Hawaii voorkomt. Hij voedt zich met neergedwarrelde as en gekoelde magma in de kraters, wat zorgt voor een ‘unieke, verfijnde rooksmaak’. Omdat de Ponti (de Latijnse naam luidt Pontikos volcanae) zijn staart gebruikt om holletjes te maken, is die erg sterk en daarom perfect te gebruiken als party snack; als je de stijve staart vasthoudt, kun je ervan knabbelen zonder dat je vingers vies worden.

Vogelzang bedacht de Herbast (met een rechthoekige romp, waardoor hij eenvoudig te verpakken en te transporteren is en gemakkelijk in gelijke parten kan worden verdeeld) en de Sapicu (‘het perfecte dessert-vlees’). Speciaal voor de kerst creëerde ze de Christpila, een dier dat leeft het noorden van Scandinavië en zich voedt met noten en cranberries. “Omdat zijn buikje vol zit, is hij eenvoudig te bereiden: je kunt hem in zijn geheel roosteren, als een gevulde kip.”

Vogelzang – die wordt ingehuurd door multinationals als Nestlé, Procter & Gamble en Albert Heijn om mee te denken over productontwikkeling – draait er niet omheen ze alles verzint. “De meeste fabrikanten draaien er omheen. Die zetten een vrolijke kip of een grazende koe op de verpakking, maar wat onder het cellofaan zit heeft een compleet ander leven gehad. Zie het paardenvleesschandaal; wij kopen wat ons wordt verteld. Ik ben geen uitvinder die nieuwe producten op markt wil zetten; ik zeg ook niet dat de Ponti dé oplossing is voor het voedselvraagstuk. Maar ik weet wel dat het belangrijk is om out of the box te denken als we écht iets willen veranderen.”

Marije Vogelzang is een van de sprekers op de conferentie What Design Can Do!, die 16-17/5 plaatsvindt in de Stadsschouwburg. Zij zal er ook Ponti serveren.

14

05 2013

What Design Can Do!

Donderdag 10 mei en vrijdag is in de Amsterdamse Stadsschouwburg de tweede editie van What Design Can Do!, een internationale conferentie over de kracht van design, mode en architectuur en de rol die deze disciplines in de samenleving kunnen spelen. Er staan meer dan twintig sprekers op het programma, uit binnen- en buitenland. onder wie Catarina Midby, hoofd duurzaamheid van de Zweedse modeketen H&M, de Braziliaanse activistische interieurontwerper Marcelo Rosenbaum die make-overs doet met bewoners van sloppenwijken, en Cameron Sinclair, oprichter van Architecture for Humanity. Uit eigen land zijn onder anderen de landschapsarchitecten Piet Oudolf en productdesigner Hella Jongerius gestrikt.

In de aanloop naar de conferentie vroeg ik Rietveld Landscape, Dietwee, Pink Pony Express en DUS architecten wat design kan doen voor respectievelijk de economische crisis, de grachtenplassers, brood en verkeersopstoppingen.

Wat ontwerp kan doen voor… verkeersopstoppingen

“Nu steden als Parijs, Barcelona en Stockholm ook het concept van de witte fietsen hebben ontdekt, is het in Amsterdam tijd voor een volgende stap: de Vrije Vloot. Of de Witte Vloot of de Amsterdamse Vloot… Het is een vloeiende vrijstaat, die kan dienen als proeftuin voor de stad op het gebied van stedelijke ontwikkeling; voor ruimtelijke, sociale economische en ecologische vraagstukken, die vragen om een andere manier van denken en vooral van doen.”

DUS architecten maakt ‘veelzeggende architectuur zonder vooringenomen visies’; plekken waar mensen zich thuis voelen, van park tot patio, van lounge-plek tot woonwijk en van tijdelijke interieurs tot permanente gebouwen. In 2011 won het bureau de Amsterdamprijs, onder meer vanwege zijn maatschappelijke betrokkenheid. Onlangs heeft DUS de OpenCoop opgericht, een ‘beta-testplek’ in de stad waar ideeën en vraagstukken die nog niet helemaal uitgewerkt zijn getest en verder ontwikkeld kunnen worden.

Het idee voor de Vrije Vloot is niet ontstaan als oplossing voor de opstoppingen in de binnenstad, maar kan daar wel bij helpen, vertelt Hans Vermeulen, een van de drie partners, in het DUS-kantoor in de Tolhuistuin in Noord. “We zochten naar een manier om het water meer te gebruiken, meer in het dagelijks leven te incorporeren. Naar een manier om de oude infrastructuur van de stad op een moderne manier te gebruiken. Ook wilden we Noord wat meer met de stad verbinden. Over een tijdje hebben we natuurlijk de metro, maar dat is maar een dun lijntje. Het water is een enorme verbinding tussen Noord en de stad.”

“De Vrije Vloot bestaat uit honderden witte bootjes”, aldus Vermeulen. Het wit refereert natuurlijk aan het witte fietsenplan en aan de witkar, het tweepersoons, driewielig elektrisch motorvoertuigje, dat in de jaren ’70 is ontworpen door de Amsterdamse provo Luud Schimmelpennink, en bedoeld was als collectief vervoermiddel in de Amsterdamse binnenstad. “Dat was zijn tijd ver vooruit. Als je ze nu ziet, zijn ze nog steeds supermooi en futuristisch. Het zou mooi zijn als we dat principe naar het water kunnen vertalen: drijvende capsules waarin je droog blijft, en die geschikt zijn voor een paar personen. Het moeten geen partyboten worden.”

Dat het op het water bij tijd en wijle ook erg druk kan zijn, weet Vermeulen. “Maar dat is vooral pleziervaart, op zomerse dagen en volksfeesten als Gay Pride! en Koninginnedag. Je zou ook kunnen denken aan een combinatie: een enorme vloot kleine bootjes à la de Witkar én een grote buslijn, zoals de Venetiaanse vaporetto. Dat zijn bussen op het water. Die hebben wij ook niet, Amsterdam heeft alleen toeristenboten. Je zou een ‘rondje IJ’ kunnen maken, langs culturele bestemmingen en horeca, zoals Hannekes Boom, Mediamatic, NDSM, De Zwijger, Eye, Tolhuistuin, de Open Coop, de Westergasfabriek… Je zou desgewenst nog wat meer water en aanlegplekken kunnen creëren in Noord.”

DUS heeft het plan nog niet doorgerekend. “Het is nog een idee. En wij hebben veel ideeën, natuurlijk. Maar het is wel een plan dat opgepakt kan worden. Ook omdat er nieuwe technologieën zijn, zoals de fietsen in Parijs en de car2go, de elektrische Smarts die gebruik maken van een computertjes aan boord, waardoor leden gebruik kunnen maken van het vervoermiddel. Dat lijkt mij sowieso de meest interessante vorm: een coöperatie met leden. Hoe meer leden, hoe goedkoper het kan.”

What Design Can Do!, 10 en 11 mei in de Stadsschouwburg.

09

05 2012

Wat ontwerp kan doen voor… brood

“Volgens het stadsdeel wordt het oude brood gerecycled. Maar bijna iedereen weet dat dat niet gebeurt op de manier die gesuggereerd wordt, in ieder geval niet voor de volle honderd procent. Zoiets vinden wij interessant: de mensen weten dat het brood naar de vuilstort gaat, maar willen het eigenlijk liever niet weten. In de Koran staat namelijk dat je graan moet respecteren. Dat kun je hypocriet noemen, aan de andere kant is het ook heel menselijk: even de andere kant opkijken omdat dat nu eenmaal beter uitkomt.”

De Pink Pony Express is een interdisciplinair, in Amsterdam gehuisvest ontwerperscollectief dat fenomenen onderzoekt die ‘de tekenen zijn van informele netwerken’, bestaand uit grafisch ontwerper Annemarie van den Berg, de Zweedse stedenbouwkundige Jessica Hammarlund Bergmann, de Amerikaanse grafisch ontwerper Tara Karpinski en ruimtelijk ontwerper Cecilia Hendrikx.

Eind vorig jaar, tijdens een artist in residency in De Kolenkitbuurt, een buurt in stadsdeel West waarvan het grootste deel van de bevolking van Marokkaanse afkomst is, stuitten ze op de zogenoemde broodcontainers. Die zijn door de gemeente geplaatst om te voorkomen dat moslims hun oude boterhammen op straat of langs de waterkant uitstrooien voor vogels en eenden.

De broodcontainers maakten dan wel korte metten met de enorme ratten-, muizen- en meeuwenplaag, ze zorgen er niet voor dat het brood weer voor honderd procent in de kringloop werd teruggebracht, ontdekte de Pink Pony Express toen ze ‘als detectives’ het spoor van het vuilnis volgden.

Na gesprekken met Imams én wetenschappers leek het de Ponies een goed idee het brood binnen de grenzen van de wijk te houden. Eerst dachten de kunstenaars/ontwerpers aan een manier om compost van het brood te maken. Een gesprek met microbiologen, leerde hen echter dat Nederland overgecomposteerd is, en dat er meer energie uit brood te halen valt door middel van vergisting.

Vervolgens hebben ze contact opgenomen met de Wageningen University, de belangrijkste Europese universiteit op het gebied van ‘Life Sciences’. Karpinski: “Daar waren ze net bezig met een project om door middel van vergisting van oud brood strooizout te maken. Dat vonden wij een mooie oplossing, omdat het oude brood dat uitgestrooid op straat een probleem veroorzaakte wordt omgezet in een andere chemische samenstelling, die uiteindelijk ook weer op straat wordt gestrooid.”

De Universiteit was direct geïnteresseerd in de plannen van de Pink Pony Express, aldus Bergmann. “Ze vinden het interessant door de positie van de Kolenkit, die te boek staat als een van de slechtste wijken van Nederland én door de religieuze en politieke aspecten om juist daar een hypermoderne hightech-pilot te starten.” “Het duurt misschien nog wel vijftien jaar voordat het op grote schaal kan”, vult Hendrikx aan. “Maar de Universiteit wil graag op kleine schaal in de Kolenkit experimenteren, juist omdat ze de hele discussie er omheen zo boeiend vinden. En ze vinden het interessant dat wij het vraagstuk op een andere manier onder de aandacht kunnen brengen. Omdat wij nu eenmaal op een beeldende manier denken, bereiken wij andere mensen dan zij met hun formules.”

Een tentoonstelling in Mediamatic FABRIEK op het Oostenburgereiland moet eind 2012 voor nóg meer aandacht zorgen. Hendrikx: “De tentoonstelling heeft de duizenden stukken brood als onderwerp. De bewoners van de Kolenkit zijn dus eigenlijk curator van de show.”

“Het is nu allemaal in ontwikkeling”, zegt Van den Berg. “Uiteindelijk komt er een apparaat. Dat kan nog alle vormen aannemen, maar het mooist zou het zijn als het op zo’n uitvinding van Willie Wortel lijkt: dat je er aan de ene kant brood in kunt gooien en er aan de andere kant strooizout uit komt.”

What Design Can Do!, 10 en 11 mei in de Stadsschouwburg.

08

05 2012

Wat ontwerp kan doen voor… de grachtenplassers

“Je zou een urban myth kunnen ontwikkelen. Iets als het visje in de amazone, dat tegen de stroom in zwemt en zich in je urinebuis zou nestelen als je in de rivier plast. Een virus dat zich in je teelballen nestelt, of zoiets, breed uitgemeten in de pers en in reisgidsen als de Lonely Planet. Misschien schrikt dat de grachtenplassers wel af.”

Ze hebben het grondig aangepakt, de ontwerpers van Dietwee – merk, ontwerp en communicatie, een Utrechts bureau dat merken ontwikkelt, positioneert en vernieuwt. Ze hebben niet één idee om de Amsterdamse grachtenplassers te behoeden voor gevaar, maar tientallen. En ze hebben hun huiswerk terdege gedaan. “De afgelopen drie jaar kwamen er meer dan vijftig mensen om nadat ze tijdens het plassen in het water vielen”, doceert creative director Jonne Kuyt. “De mogelijkheden voor wildplassers zijn ook legio: er zijn 80 bruggen en ruim 14 kilometer grachten. Keer twee eigenlijk, want je kunt aan beide kanten van de kade plassen.”

Misschien speelt het een rol dat Tirso Francés, die Dietwee samen met Ron Faas in 1988 oprichtte, ervaringsdeskundige is. Toen hij een jaar of achttien was, is hij ladderzat in Utrecht in een gracht gevallen. “Ik had met een corpsbal staan drinken en was gewend aan Engels bier, dat veel minder sterk is. Ik ging plassen en viel zo voorover, gelukkig op een plek waar geen werf was, in het ijskoude water. Je kunt dan niet veel meer. Ik ben eruit geholpen door een man die zijn hond aan het uitlaten was.”

In sneltreinvaart sommen Francés, Kuyt en Faas een aantal ideeën op, waarvan ze de haalbaarheid in veel gevallen zelf ook direct in twijfel trekken. Het gaat dan ook niet om de definitieve oplossing, meent Faas. “Het gaat erom iets in beweging te zetten.”

De gedroomde oplossingen van Dietwee lopen uiteen van het verhogen van de watertemperatuur en het creëren van aanlandige wind aan beide kanten van de gracht tot dispensers met plaszakken (de ‘Wee-to-go’), eventueel voorzien van een nepgoudvis zodat je niet voor aap loopt op straat. Van een awareness-campagne met bierviltjes in de vorm van een waarschuwingsbord (‘Plas op!’) tot het plaatsen van beugels, waarin je veilig kunt hangen als je dan toch ze nodig in de grachten wilt plassen.

“Maar daarmee faciliteer je gedrag dat wettelijk strafbaar is, en dat willen we eigenlijk niet”, aldus Faas. “Het kan veel creatiever.” “Door het om te draaien. Een gedragsverandering te bewerkstellen, die ook nog eens een ander probleem oplost”, vervolgt Kuyt. “Op Lowlands lagen de velden vroeger bezaaid met plastic bierbekers. Om het afvalprobleem te lijf te gaan is toen bedacht dat je een muntje kreeg als je twintig lege bekers inleverde. Op dezelfde manier kun je ook urine waardevol maken.”

“Er dreigt de komende tien, twintig jaar een chronisch fosfaattekort”, vult Francés aan. “Grote concerns als AkzoNobel zijn al bezig met onderzoek hoe fosfaten zijn terug te winnen uit urine. Een complicerende factor is dat we geen gescheiden verwerkingssysteem hebben: poep en plas komen in één pijp terecht.”

“Dat kun je ondervangen door plaszuilen te plaatsen verspreid over de stad. Pedaalemmers met een depot eronder, en een metertje erop. Bij iedere 300 milliliter urine die je afdraagt, krijg je een muntje. Voor drie muntjes krijg je een glas bier bij een van de aangesloten kroegen.”

“Het plan is goed voor de duurzaamheidspropositie van de gemeente”, aldus Faas. “De grachten worden schoner en veiliger, en de gemeente werkt mee aan de winning van fosfaten, dat een belangrijk ingrediënt is voor kunstmest, waardoor de stad een beter imago krijgt.” “Tegelijkertijd is het grappig”, meent Kuyt. “Als je net niet genoeg geplast hebt voor een muntje moet je iemand vragen of hij ook even in de trechter wilt plassen.”

“In hoeverre dit nog design is? Voor veel mensen gaat het om hoe het eruit ziet, om de Senseo-look. Maar het gaat verder dan het apparaatje vormgeven”, aldus Faas. “Het is een vorm van service-design. Design gaat wat ons betreft altijd over het sturen van gedrag. Over hoe je bepaalde processen kunt inrichten zodat ze het minst schadelijk zijn of, zoals in dit geval, zelfs nog iets opleveren.”

What Design Can Do!, 10 en 11 mei in de Stadsschouwburg.

02

05 2012

Wat ontwerp kan doen voor… de economische crisis

Hoofdkantoor van Appsterdam, ontworpen door Sandberg’s Studio Vacant NL. De 1300 app-makers werken graag in het donker. Foto Kendall Helmstetter Gelner

“Neem het Hembrugterrein van Defensie. Of het Paleis van Justitie dat binnenkort van de Prinsengracht naar het Wester-IJdock verhuist. Wat er met het monumentale pand gaat gebeuren, weet geen mens. Daar moet eerst weer tien jaar over worden vergaderd. Ga dat vooral doen, maar geef in de tussentijd de sleutels aan ons. Ontwerpster Hella Jongerius kan erin, samen met een groep talentvolle wetenschappers. Of de app-ontwerpers van Appsterdam. Dat heeft een gigantische economische impact; de potentie van de creatieve industrie is enorm!”

Landschapsarchitect Ronald Rietveld en econoom/filosoof Erik Rietveld (broers, geen familie van architect, grafisch ontwerper en meubelontwerper Gerrit Rietveld) zijn de partners van het Amsterdamse architectenbureau Rietveld Landscape. Zij dagen de overheid uit sleutels te overhandigen van leegstaande gebouwen, zodat er in de ‘tussentijd’ verbindingen en kruisbestuivingen kunnen ontstaan, die als katalysator kunnen fungeren voor plannen in de toekomst.

In 2010 presenteerde Rietveld Landscape het plan op de Architectuurbiënnale van Venetië in de installatie ‘Vacant NL, where architecture meets ideas’. De visueel overdonderende, veel geroemde en bekroonde installatie verbond op ingenieuze wijze de politieke focus op innovatie (‘Nederland in 2020 bij de top-5 van kenniseconomieën in de wereld’) met een ander belangrijk issue: de enorme leegstand onder Rijksoverheidsgebouwen.

Ze hadden het daarbij niet over de afgrijselijke kantoorgebouwen in Zuidoost of aan de Zuidas, benadrukt Ronald. “Wij doelen op erfgoed. Op watertorens en vuurtorens, molens, kerken en kloosters, forten en paleizen, vliegvelden, stadsdeelkantoren en andere publieke gebouwen in Nederland. Meer dan tienduizend stuks, met een enorme diversiteit.” “En het wordt alleen maar meer”, vult Erik aan. “De leegstand zal de komende vijf jaar verdubbelen.”

Amsterdam kan wat apps betreft een soort Silicon Valley worden, meent Ronald. “Als we de beste applicatieontwikkelaars van over de hele wereld naar Amsterdam kunnen lokken met goedkope woon- en werkruimte op een inspirerende locatie.” Erik: “Het maakt nogal verschil of de Universiteit van Amsterdam in de buurt zit of dat een pand in the middle of nowhere ligt.”

Het tijdelijke aspect is geen probleem, benadrukken de Rietvelds, juist omdat de leegstand zo groot is. Ronald: “Als we eruit moeten, gaan we er uit. Dan zoeken we een volgende geschikte locatie.” Erik: “En ondertussen broeden we op oplossingen waardoor we gemakkelijker kunnen verhuizen. Dat is de ontwerpopgave die er nu ligt. Wij willen ontwerpers, ambachtslieden en wetenschappers opleiden tot specialist in tijdelijk hergebruik.”

Daartoe is op uitnodiging van het Sandberg Instituut de masteropleiding Vacant NL opgezet. De eerste lichting studenten bivakkeert nu samen met de app-makers van Appsterdam in het oude hoofdkantoor van de Westergasfabriek. Tijdelijk.

Een van hun eerste vindingen is een verduisterende lichtkoepel gemaakt van karton omdat app-makers graag in het donker werken: licht en goedkoop, maar wél visueel aantrekkelijk. Een ander prototype heet Sleeping under the desk: een werkplek die je in een handomdraai in een slaapplek kunt veranderen. Ronald: “Dat sluit naadloos aan bij de manier waarop die jongelui leven en werken. We zoeken samen naar ontwerpoplossingen zodat we de beste condities kunnen creëren voor duizend à tweeduizend jonge app-makers.” Erik: “Juist in deze tijd zou het besef moeten doorbreken dat tijdelijk gebruik voor economische topsectoren een enorme bijdrage kan leveren om te experimenteren. Experimenten waar je later veel plezier aan kunt beleven, óók economisch. Kennis, kunde en kassa gaan uitstekend samen.”

What Design Can Do!, 10 en 11 mei in de Stadsschouwburg.

25

04 2012