Posts Tagged ‘EYE’

Niet eens één aanvraag!

‘Johan van der Keuken / Tegen het licht. Filmer en fotograaf’ staat nog tot en met zondag in EYE. Toen directeur Sandra den Hamer de expositie eind maart opende, maakte ze ook trots melding van een fietstocht door het centrum van Amsterdam, ‘door de ogen van cineast Van der Keuken’. “Geïnspireerd op Amsterdam Global Village en andere films van Van der Keuken, waarin hij zijn visie op tolerant Amsterdam verbeeldt. Maar ook ‘historisch’ Amsterdam zoals in Beppie: kijken, zien en fietsen…”

Dat leek me wel wat, en ik vroeg of er een kaartje met de route was. Dat was niet ter plekke beschikbaar, ik werd doorverwezen naar Marianne Schutte van ‘cultureel organisatiebureau’ ARTTRA. Schutte vertelde dat het niet de bedoeling was om de route individueel te fietsen, maar groepsgewijs, onder begeleiding van een deskundige gids van ARTTRA.

“Op avontuur met uw kunsthistorische gids ontdekt u per fiets allerlei plekken waar verschillende nationaliteiten, religieuze overtuigingen en culturele gewoonten zich manifesteren! Van typisch Jordanese volkscultuur, Chinatown tot Armeense christenen. De gids laat geheel in de geest van Van der Keuken u op een nieuwe manier naar Amsterdam kijken.

De kosten voor de 2 uur durende fietstocht? “€ 235,95 inclusief BTW per keer, maximaal aantal deelnemers 20 per gids. Hierbij is geen fietshuur inbegrepen. Wij verzorgen voor groepen ook fietsen vanaf EYE of een andere locatie in het centrum van Amsterdam. Vraag offerte op maat aan bij ARTTRA.”

Ik vertelde dat ik graag mee wilde fietsen, voor een reportage in Het Parool. Dat kon.

Half april kreeg ik echter een mail: “Helaas hebben wij weinig aanmeldingen voor de Johan van der Keuken-rondleidingen in EYE en nog helemaal niet voor de fietstocht. Maar wat niet is kan nog komen. Zodra de eerste is laten wij het weten.”

Daarna hoorde ik niets meer, dus zelf nog maar eens gemaild. 31 mei kreeg ik antwoord van Marianne Schutte: “Je kan het bijna niet geloven, niet eens één aanvraag! Waarom? Ik zou het niet weten, behalve dan dat onbekend, onbemind maakt. Misschien ligt het ook aan onze pr hoor. Nu maar hopen dat de side-programma’s van Fellini wel gaan lopen. Zo gaan wij naast rondleidingen door de tentoonstelling in EYE vanaf 30 juni boottochten à la Fellini organiseren, met Italiaanse lunches en diners met muziek van Nino Rota.”

Laten we hopen dat de pr snel verbetert. En misschien moet het prijsbeleid ook nog eens tegen het licht worden gehouden…

07

06 2013

“Ik ben de trait-d’union”

Met de vertoning van Soldaat van Oranje en Het Grootste van het Grootste brengt EYE op 3 mei een hommage aan producent Rob Houwer. Voorafgaand aan Soldaat van Oranje, om ca. 20.30 uur, wordt Houwer geïnterviewd door Martin Koolhoven. Samen met Ronald Ockhuysen sprak ik Houwer een aantal jaar geleden, bij de voltooiing van ‘De Rob Houwer Film Collectie’. Houwer nam destijds bepaald geen blad voor de mond.

Een prijs voor een flop. Zo noemt Rob Houwer de Gouden Film, de prijs van het Filmfonds en het Nederlands Film Festival die wordt uitgereikt wanneer 100 duizend bezoekers naar een Nederlandse film zijn geweest. ‘Dat is echt helemaal niks. Een mislukking. Pas vanaf zo’n 350 duizend verkochte bioscoopkaartjes begint het voor de producent ergens op te lijken. Het is onbegrijpelijk dat de media over die prijs berichten. Waarom slikt iedereen deze ongein voor zoete koek?’

Bij binnenkomst had hij het al gezegd: hij heeft niet meer zo’n zin in de Nederlandse filmwereld. En daarmee bedoelt hij niet het productievak, maar het rumoer erom heen. ‘Ik bevind me in een teruggetrokken positie. Ik houd niet van de show. De mooiste film, daar gaat het om. En niet om mijn eigen ego.’ Houwer heeft weinig collega’s in Nederland voor wie hij professioneel waardering kan opbrengen. Eigenlijk kan hij er nauwelijks een noemen. ‘Het is zaak hard te werken en verder niet al te hoog van de toren te blazen, vind ik. Hier is de praktijk andersom.’

Aanleiding voor het gesprek is de verschijning van ‘De Rob Houwer Film Collectie’, een dvdbox met veertien speelfilms die hij produceerde. Het is, vindt Houwer, niet vreemd dat films als Turks fruit (Paul Verhoeven, 1973), Soldaat van Oranje (Paul Verhoeven, 1977) en Als je begrijpt wat ik bedoel (artistieke supervisie: Rob Houwer & Marten Toonder, 1983) onder de naam van de producent op dvd verschijnen. ‘Ik ben van al die films de trait-d’union. Dan moet je dat ook zo doen.’

Hij heeft er geen seconde over gedacht De gulle minnaar (Mady Saks, 1990) en De zeemeerman uit de verzameling weg te laten. ‘Ik blijf altijd eindverantwoordelijk. Ook als ik een enkele keer een regisseur op een project zette die een miskleun was.’ Hoe dergelijke fouten gebeuren? ‘Ik had van Mady Saks Iris gezien, en dacht: die past bij De gulle minnaar. Ik wist toen niet dat cameraman Frans Bromet Iris eigenlijk had gemaakt.’ Een verkeerde inschatting. ‘Mady heeft tijdens het draaien van De gulle minnaar haar volgende huwelijk voorbereid. Kun je nagaan met wat voor instelling ze op de set heeft gestaan. En Herrebout bleek bij nader inzien een bluffende kwebbelaar. Hij kreeg zojuist voor zijn tweede speelfilm de prijs voor de slechtste regie en de slechtste Nederlandse film [Joy-Ride, 2005] en haalde die nog trots zelf op ook, de ijdele ezel’.

Hoewel de dvd-serie zijn naam draagt, wil Houwer van chique kwalificaties niets weten. ‘Persoonlijke geschiedschrijving? Zo zie ik dat niet. Het is een moment om het verleden vast te zetten. Meer niet. Ik ben niet zo’n terugkijker.’ Hij is door het Nederlands Film Festival wel eens benaderd om Gast van het Jaar te zijn. ‘Gast, of een cultuurprijs. Ik denk dan aan Bert Haanstra of Johan van der Keuken. Niet aan iemand die nog leeft.’

Met Paul Verhoeven, met wie hij vijf producties van de grond tilde die nu als ijkpunten binnen de Nedelandse film gelden, vormt Houwer nog altijd een ‘een congeniaal paar’, ondanks Verhoevens gewoonte de budgetten ‘soms halverwege al helemaal te hebben opgesoupeerd’. Aanvankelijk zou Houwer ook Verhoevens nieuwe film Zwartboek produceren. De samenwerking ketste af toen Houwer aangaf dat hij drie jaar nodig had om de financiering rond te krijgen. ‘Dat was op dat moment nog 12 miljoen. Paul had weinig geduld. Ik zei: ”dan moet je hiermee maar naar een ander”.’

Tijdens de topjaren, tussen 1971 en 1983, waren de films van Houwer en Verhoeven nationale gebeurtenissen waarop miljoenen mensen af kwamen. ‘Van dat succes is niets over. We zitten in Nederland tussen het servet en het tafellaken. De Denen, die altijd als voorbeeld worden genoemd van hoe het wél moet, kunnen niets anders dan samenwerken. Die vormen een kleine, homogene samenleving. Wij zijn net iets groter, ontberen daardoor de saamhorigheid. Erger: we concurreren elkaar de tent uit.’

Hij heeft nooit de ambitie gehad net als Verhoeven naar Amerika te gaan. Dat komt vooral doordat hij altijd in Duitsland werk heeft gehad, al vanaf het begin van zijn loopbaan eind jaren vijftig toen hij aan de Filmacademie in München studeerde. Eerst als regisseur, en daarna als producent; Houwer maakte in Duitsland al zo’n 120 producties, waarvan vijftien speelfilms ‘die hier nauwelijks iemand kent ofschoon er vette prijswinnaars tussen zitten’.

Duitsland is meer dan genoeg, internationaal gezien. ‘Door de jaren heen is mijn naam in Nederland en Duitsland de mensen iets gaan zeggen. Het is een soort trademark. Dan is het niet aantrekkelijk om in Los Angeles weer bij nul te beginnen. Ik zou ook echt gestoord raken van het intercontinentale heen en weer vliegen.’

Houwer is doordrenkt van cinefilie, zegt hij. Die passie dwingt hem te blijven streven naar de ultieme film. ‘Het kan altijd beter. Een goede film. Een goed script. Dat is zo moeilijk. Vooral het script. Dat is de pijler. Een slechte regisseur kan een goed script verknoeien, maar van een slecht script is geen goede film te maken.’

Zijn imago is niet bepaald dat van een benaderbare, vriendelijke man – om het zacht uit te drukken. Aan Houwer kleven verhalen over knalharde contracten, en dictatoriaal gezag op de set. Zo zou hij van zijn acteurs eisen dat ze 24 uur per dag oproepbaar zijn.

Onzin, oordeelt hij. ‘Ik ben niemand ook maar een cent schuldig.’ Wel is hij ‘zakelijk nogal precies ingesteld’, en daar hebben Nederlanders het moeilijk mee. Houwer wil dat ook acteurs zich aan de letter van het contract houden. Net zoals hij dat zelf doet. Dat is niet te veel gevraagd, toch? ‘Tegenwoordig zijn acteurs niet meer zoals vroeger. Ze kunnen lezen, hebben advocaten, managers. Achteraf zeuren vind ik volstrekte flauwekul.’

Zijn reputatie van Einzelgänger is niet iets waar hij zich druk om maakt, al noemt hij zichzelf liever ‘professioneel’. ‘Dan horen dit soort verhalen er blijkbaar bij. Dat moet dan maar. Ik ben geen voorstander van gezelligheid op de set. Een goede film maak je niet met kletspraat.’

En de kapitalen die hij met films vergaarde? Ook overdreven? ‘Ik heb een zakelijke rust gecreëerd met de verkoop van FilmNet Abonnee-TV, de eerste commerciële omroep in Nederland, die heb ik bedacht en groot gemaakt. Dat kwam me op de jaloezie van de meeste collega-filmproducenten te staan. Sindsdien worden er kwaadaardige roddels in de branche over me verspreid. Maar het raakt me niet en armer ben ik er niet van geworden.’ En ja: hij rijdt in een Jaguar, inderdaad. ‘Die is tien jaar oud, en net opnieuw gespoten. Dus hij kan nog wel tien jaar mee.’ Wat pas echt iets is om opgewonden over te raken, vindt Houwer, zijn producenten die hun contracten niet nakomen en hun mensen niet betalen en die intussen zelf wel een dik inkomen uit een film halen. ‘Dát zou bij mij nooit gebeuren.’

28

04 2013

Botsende beelden, een kakofonie van geluid

‘Johan van der Keuken / Tegen het licht. Filmer en fotograaf’ is alweer de vijfde grote expositie in EYE. Het is de eerste die in zijn geheel is gewijd aan het oeuvre van een Nederlandse filmmaker. En het is de eerste waarvoor de tentoonstellingsruimte (1200 m2) niet is opgedeeld in verschillende ruimtes.

Waar het FOAM eind 2010 nog Van der Keukens fotowerk toonde, focust EYE op het filmische oeuvre. Maar, zoals de drievoudige tentoonstellingstitel al aangeeft, in relatie tot zijn fotografie. Van filmsequenties naar beeldreeksen, met nadruk op Van der Keukens bijzondere oog voor montage.

Daartoe worden in de enorme ruimte gedemonteerde beeldreeksen uit Van der Keukens rijke oeuvre naast elkaar getoond. Meerdere botsende, associatief samengevoegde beeldreeksen op tientallen schermen – je komt ogen tekort en je oren gaan ervan piepen; bij alle beelden is namelijk de oorspronkelijke score hoorbaar.

De kakofonie doet afbreuk aan de enorme visuele rijkdom. Hopelijk wordt het geluid in de komende weken nog wat teruggeschroefd; de koptelefoons bieden namelijk ook geen uitkomst.

Johan van der Keuken / Tegen het licht. Filmer en fotograaf. T/m 9/6 in EYE. Er is een uitgebreid ‘flankerend filmprogramma’.

04

04 2013

‘Engagement? Het woord bevalt me niet’

Vanaf deze week draait Paradies: Liebe van de Oostenrijker Ulrich Seidl in de Nederlandse filmhuizen. In EYE is voor de gelegenheid ook een aantal oude films van Seidl te zien, waaronder het geweldige Import/Export. Begin 2008 zocht ik Seidl op in zijn studio in Wenen, voor een stuk in de Volkskrant bij de Nederlandse première op het IFFR. Seidl was toen net begonnen met de voorbereidingen op zijn Paradies-trilogie.

‘Volgens mij is Import/Export geen typisch Oostenrijkse film. Hij zou evengoed in Duitsland kunnen spelen, of in Nederland. Het onderwerp gaat heel Europa aan; het is een Europees verhaal. Om te werken zullen mensen steeds vaker huis en haard achter zich moeten laten, hun wortels moeten doorsnijden. De globalisering en het kapitalisme blijven de wereld in hoog tempo veranderen.’

De Oostenrijker Ulrich Seidl maakte naam met uitgebeende, bijtende films waarin een onthutsend beeld wordt geschetst van zijn vaderland en zijn landgenoten. In een ogenschijnlijk netjes aangeharkte maatschappij richt Seidl zijn camera op de goot; op primair reagerende racisten en verkampte lieden met onderdrukte perverse obsessies. Hij debuteerde in 1990 met de documentaire Good News – Von Kolporteuren, toten Hunden und anderen Wienern, de doorbraak volgde in 2001 met de speelfilm Hundstage, die op het festival van Venetië werd bekroond met de Speciale Juryprijs. Sindsdien wisselt Seidl documentaires en speelfilms af. Import/Export werd in 2007 geselecteerd voor de Gouden Palm-competitie van het festival van Cannes en beleefde zijn Nederlandse première begin 2008 op het International Film Festival Rotterdam.

Kort voor het festival bezoek ik Seidl in zijn studio in de Wasserburgergasse, vlakbij het Franz-Josef Bahnhof in Alsergrund, de academische wijk van Wenen. Buiten is het ijzig koud; binnen brandt de gaskachel. Op de keukentafel heeft Seidl – zwart pak, zwart overhemd met roesjes – twee schaaltjes met chocolade en twee schaaltjes met fruit klaargezet, twee glazen water en twee koffiekopjes. Op een keurig stapeltje liggen een Oostenrijke folder en een Duitstalige persmap van Import/Export. In een grote kast staan tientallen exemplaren van al zijn films, netjes naast elkaar; aan de muren hangen ingelijste posters van zijn werk. Maar het meest in het oog springen de Mariabeelden en -beeltenissen. ‘Ik ben streng katholiek opgevoed. Dat heeft me gevormd. Religie speelt nog steeds een grote rol in mijn leven, hoewel ik mezelf niet gelovig zou willen noemen. Ik ben zoekend, niet overtuigd.’

Maar dat de jonge Olga, een alleenstaande verpleegster die haar pasgeboren kind en de Oekraïne achter zich laat om in Oostenrijk een beter leven te zoeken, zich in Import/Export aan haar geloof vastklampt heeft niets met hem zelf te maken, benadrukt Seidl. ‘Ik ben veel in de Oekraïne geweest. En daar heb ik gezien dat het geloof vaak een reddingsboei is onder benarde omstandigheden.’

Het verhaal van Olga wordt doorsneden met dat van Pauli, een werkloze, want volstrekt ongeschikte beveiligingsbeambte, die met zijn stiefvader naar de Oekraïne reist om gokkasten af te leveren. Het grondidee voor de film ontstond toen hij bezig was met Zur Lage, aldus Seidl. ‘Ik wilde laten zien hoe gewone Oostenrijkers sinds de opkomst van Jörg Haider en de FPÖ denken over zaken als werkloosheid en immigratie. Tijdens de opnamen leerde ik in een Weense familie kennen. De beide ouders en hun vijf zonen zijn allemaal werkloos. De 17-jarige zoon is als voorbeeld gaan dienen voor Pauli.’

Vervolgens is Seidl meerdere verhaallijnen gaan schrijven, in samenwerking met Veronika Franz, die ook de casting voor de film deed. ‘Op een gegeven moment hadden we er een stuk of zeven, acht die zich van oost naar west bewegen en evenveel andersom, van west naar oost. Het project werd steeds omvangrijker. Op een gegeven moment heb ik besloten: ik kies de twee beste. De rest valt af.’

Hij schrijf altijd te veel, verzucht Seidl, en hij neemt ook veel te veel op. Voor Import/Export schoot hij meer dan tachtig uur. ‘Het is mijn perfectionisme’ aldus Seidl. ‘Telkens zie ik weer iets anders wat met niet bevalt. En dan moet het opnieuw. Dat kun je maniakaal noemen, inderdaad. Ik troost me maar met de gedachte dat ik de enige niet ben. Hij daar bijvoorbeeld – Seidl wijst naar het portret van Picasso boven de tafel –, die kon ook eindeloos variëren op een thema.’

Een script – dat van het 135 minuten durende Import/Export was nog geen veertig pagina’s – dient slechts als startpunt voor Seidl. Het is nodig voor de financiering en om alle medewerkers een idee te geven. ‘Een film is een avontuur, ook voor mij. Tijdens de opnamen leidt het een tot het ander. Tijdens de montage stelt dat me dan opnieuw voor enorme problemen.’

Wat wel in het script staat, wordt ook niet automatisch verfilmd. Zo had Seidl bedacht dat de Oekraïense Olga en de Oostenrijks Pauli elkaar aan de Oostenrijkse grens zouden ontmoeten. ‘Natuurlijk. Dat is klassiek. Ze zouden elkaar niet kennen, maar ik had bedacht dat Pauli een sigaret van haar zou roken. Maar tijdens de opnamen kwam het er gewoon niet van. Ik heb van alles geprobeerd, maar ik kon niets goeds bedenken. Hoe langer we bezig waren, en hoe beter ik de personages leerde kennen, hoe minder goed het voelde. Dus heb ik het niet gedraaid. Zo is het beter, denk ik.’

Niets staat vast voor Seidl. In het script speelde de film zich af in Roemenië; het werd Oekraïne. Tijdens de casting stond Michael Thomas opeens bij hem voor de deur, de zoon van de Oostenrijke cabaretier Fred Weis en actrice Tilla Hohenfels. Hij had gehoord dat zijn stadgenoot aan een nieuwe film bezig was, en wilde per se meedoen – welke rol maakte hem niets uit. ‘Hij was heel goed. Toen heb ik hem een scène laten spelen met Paul Hoffman, die Pauli speelt. Ze waren zo goed samen dat ik een rol voor hem ben gaan schrijven. Zo kwam de stiefvader in het script terecht.’

Ter vergroting van de authenticiteit werkt Seidl vaak met niet-professionele acteurs. Er zijn wel wat goede acteurs – Maria Hofstätter bijvoorbeeld, die zuster Maria speelt in Import/Export -, maar de meesten zijn ijdel volgens Seidl. ‘IJdelheid is een probleem voor veel acteurs. Ze zijn bang dat ze grenzen overschrijden. Ze durven hun ziel en zaligheid niet in een rol te leggen. Alles wat Paul doet, komt uit hem zelf, het is niet aangeleerd.’

De moeilijkste rol was die van Olga. Seidl zocht op verschillende plekken in de Oekraïne naar de perfecte Olga. Maandenlang. Hij vond Ekateryna Rak in een klein gat. Ze was nog nooit in het Westen geweest, sprak geen woord Duits, en had nog nooit geacteerd. ‘Zij had werkelijk geen idee. Ze wist niet eens wat een bioscoopfilm was. Bij de casting vertelde ik iedereen altijd direct dat er seksscènes in de film zitten; Ekateryna dacht toen dat ik een pornofilm met haar wilde maken. Zij vertrouwde het niet. En toch wilde ik haar. Ik heb meer dan 300 vrouwen gecast, maar zij was de beste. Haar uitstraling, haar charisma – die zijn fantastisch. Maar het was niet eenvoudig. Het ligt aan haar, overigens, en niet aan mij. Ik heb met veel vrouwen gewerkt en dan ging het wel goed. Ik hoopte dat het de verhoudingen tijdens de opnamen wel wat beter zouden worden, maar dat was niet zo, helaas. Ekateryna is volkomen ongenaakbaar. Voor de film is dat heel goed; in de dagelijkse omgang was het zwaar.’

Ze heeft de film gezien, kort voor de wereldpremière in Cannes, maar ze vond er niet zo veel van. Nu is ze terug in de Oekraïne. Paul Hoffman zwerft weer op straat. ‘Hij was erg onder de indruk, vertelde hij me voor Cannes. Hij vond dat ik hem zijn waardigheid had teruggegeven; de film was een van de mooiste dingen uit zijn leven. En nu doet hij weer helemaal niets. De film heeft niets veranderd aan zijn leven. Hij wil wel acteren, maar hij doet er niets voor. Pauls leven is een volstrekte chaos.’

Hij zit er mee, benadrukt Seidl. ‘Ik ben vier jaar met Import/Export bezig geweest. Ik heb in de Oekraïne weken rond gelopen in de goorste achterbuurten. Je kent die beelden wel, maar je bent toch geshockeerd. Het is er donker en het stinkt, alles is stuk en het is er koud. En de mensen hebben niets te eten. Dat zal me altijd bijblijven. het was heel zwaar, emotioneel en deprimerend.’

Op de vraag of hij zichzelf geëngageerd vindt, volgt een besmuikte lach. ‘Mijn films zijn politiek. Ik neem een standpunt in. Ik toon de wereld waarin we leven, en niet altijd op zijn voordeligst. Maar geëngageerd… dat hoor je mij niet zeggen. Het woord bevalt me niet.’

Naar aanleiding van zijn vorige films is Seidl vaak uitgemaakt voor cynisch en misantropisch, maar in de Oostenrijkse recensies van Import/Export werd Seidl zelfs opeens een humanist genoemd. ‘Kun je het geloven? Ik moet er hartelijk om lachen, want voor mij is er niets veranderd. Ik ben zoals ik ben en zo ben ik altijd geweest. Ik heb nooit gedacht: nu ga ik eens een humanistische film maken. Ik toon de mensen op precies dezelfde manier als in Tierische Liebe, vind ik, maar dat werd toch tamelijk ergerlijk bevonden.’

Toch heeft Seidl wel een verklaring. ‘Pauli en Olga houden de sympathie van de kijker. Omdat ze van alles blijven proberen, in een vijandelijke wereld. Die toon ik ook, en hoe! Ze moeten hun weg vinden in die wereld, maar ze verliezen hun waardigheid niet. Ze zijn trots en ze zijn sterk. Ze zoeken, proberen van alles, en laten zich er niet onder krijgen. Ze worden ontmoedigd, maar ze gaan door. Aan het einde van de film hebben ze niet gewonnen, maar het zijn ook geen verliezers. Pauli heeft zich losgemaakt van zijn stiefvader; Olga heeft een baantje gevonden in het ziekenhuis.’

Hij weet het: het publiek ziet graag films over winnaars, over helden. Zelf identificeert hij zich liever met de underdog. ‘ik voel me een outsider, en heb altijd partij gekozen voor outsiders. Maar voor de meeste mensen is de bioscoop een avondje uit. Ik houd daar geen rekening mee; ik zou niet weten hoe. Je maakt wat je moet maken. Ik denk nooit aan de toeschouwer. Aan wie moet ik dan denken?’

‘Veel mensen zijn bang voor de waarheid’, verzucht Seidl. ‘En dat schijn je ze nauwelijks kwalijk te kunnen nemen. Ze zijn bang om iets te zien waarvan ze weten dat het zo is. Ze willen de problemen in de geriatrie niet zien, oud worden is een enorm taboe. Ze willen de ijskoude, vuile uithoeken van de Oekraïne niet zien, of de meisjes die op zoek naar een beter leven in de prostitutie belanden.’

Ook zijn ouders wilden zijn werk lange tijd niet zien. ‘Toen mijn moeder nog leefde, wilde ze ze niet zien. Na haar dood, is mijn vader veranderd. Hij is 85 en zeer conservatief, ik heb mijn leven lang een conflict gehad met mijn vader, maar hij is ze toch gaan kijken en hij denkt er over na. Ongelooflijk!’ ‘Wat hij ervan vindt?’ Seidl lacht. ‘Te veel seks.’

Inmiddels werkt hij aan een volgende film, een drieluik dat Paradies moet gaan heten. De thema’s die Seidl erin wil aansnijden, klinken bekend: sekstoerisme, religie, eetstoornissen, seks tussen jonge meisjes en oude mannen, en meer van zulks. Een van de verhaallijnen gaat over een welgestelde Oostenrijkse vrouw die op vakantie gaat naar Kenia om zo veel mogelijk seks te hebben met moslimmannen. Eigenlijk had Seidl de volgende dag voor research naar Kenia zullen vliegen, maar vanwege het aanhoudende geweld heeft hij zijn vlucht gecancelled. ‘Ik wacht tot het er weer wat veiliger is. Over een paar weken kan de situatie weer anders zijn. En anders ga ik naar Jamaica of de Dominicaanse Republiek. Het thema toerisme houdt me al lang bezig. Het is ook een soort taboe. We zijn allemaal toeristen. We willen allemaal naar prachtige, exotische oorden; naar mooie stranden met mooie mensen. Maar wat er vijfhonderd meter achter de kustlijn gebeurt, interesseert ons niet. Wie er allemaal liggen te verkommeren onder de brandende zon, willen we niet zien.’ Met een sardonisch lachje: ‘Wat gaat u na dit gesprek nog allemaal in Wenen doen?’

06

01 2013

Frans Zwartjes’ foto’s zijn net zo wild, seksueel geladen, vrijgevochten, broeierig én intiem als zijn experimentele films

Een ontmoeting tussen de Amsterdamse galeriehouder en fotoboekenuitgever Willem van Zoetendaal en reclamefotograaf Jasper Zwartjes in Artis, ruim een jaar geleden, vormt het beginpunt van Frans Zwartjes – The Holy Family, een bijzonder fotoboek dat vanavond in EYE wordt gepresenteerd.

De twee kenden elkaar omdat Jasper Zwartjes twintig jaar geleden een van Van Zoetendaals eerste studenten was aan de Gerrit Rietveld Academie, waar hij destijds fotografie doceerde. Van Zoetendaal: “Frans Zwartjes gaf daar ook les, op de afdeling ‘voorheen audiovisueel’. Hij stak zijn hoofd weleens bij mij om de hoek om naar zijn zoon Jasper te informeren. Zo hebben wij elkaar ook leren kennen.”

In de dierentuin vroeg Jasper aan Van Zoetendaal of hij geïnteresseerd was in de foto’s van zijn vader, die hij tussen diens spullen had gevonden. Dat was Van Zoetendaal, een paar maanden later vond de overdracht plaats. “Ik wist onmiddellijk dat het wat was; ik herkende direct de rook die er vanaf slaat.”

De 600 zwart-witfoto’s dateren uit de periode 1968-1975, Zwartjes’ hoogtijdagen, en ademen exact dezelfde sfeer als zijn experimentele films, waarmee hij een reputatie over de landsgrenzen verwierf (Susan Sontag bestempelde hem tot ‘belangrijkste experimentele filmer van zijn tijd’). Zwartjes is er zelf op te zien, net als zijn echtgenote Trix en zijn andere muze, de vorige maand overleden kunstenaar en actrice Moniek Toebosch. Veelal bloot, overigens; Zwartjes’ foto’s zijn al even wild, seksueel geladen, vrijgevochten, broeierig én intiem als zijn films.

Van Zoetendaal benaderde verschillende musea of ze de foto’s in hun collectie wilden opnemen. Het Gemeentemuseum Den Haag hapte toe. In het najaar van 2013 zal in GEM, museum voor actuele kunst, een tentoonstelling aan Zwartjes worden gewijd. “Hij is daar goed op zijn plek, tussen tijdgenoten als Gerard Fieret en Anton Heyboer,” weet Van Zoetendaal. “Zwartjes is bovendien een Haagse kunstenaar; hij woont 300 meter achter het Gemeentemuseum.”

Het eerste exemplaar van het fotoboek dat Van Zoetendaal samenstelde en ontwierp wordt vanavond al aan Zwartjes overhandigd, in EYE, dat bijna al zijn films in de collectie heeft. Op het programma staan lezingen van Simona Monizza, die verantwoordelijk is voor de conservering van Zwartjes’ films, en Hans Janssen, hoofdconservator moderne kunst van het Gemeentemuseum. Trix Zwartjes komt vertellen over de bijzondere samenwerking met haar man. Daarnaast zijn er niet eerder vertoonde fragmenten te zien, van films die nooit tot voltooiing kwamen, screentests en een ‘nieuwe’, teruggevonden korte film die als dvd is opgenomen in het boek. “Frans is zelf de hoofdpersoon. Hij is hilarisch goed,” aldus Van Zoetendaal.

Ook wordt Living (1971) vertoond, Zwartjes’ ontregelende meesterwerk dat in 2007 werd opgenomen in de prestigieuze Canon van de Nederlandse Film. In het woordloze, nog geen kwartier durende filmpje gaan Zwartjes (in streepjespak) en zijn echtgenote Trix (in een blouse met een knoopje open; hun beider gezichten zijn wit geschminkt) de woonkamer binnen van hun nieuwe, lege Haagse huis. Zij legt een plattegrond van de woonkamer op de grond. Hij inspecteert de ruimte, een zakdoek in de hand. De vrouw ontbloot kortstondig haar borsten en gaat vervolgens verder alsof er niets is gebeurd.

Dat is het zo een beetje. Een dramatische lijn is in Living ver te zoeken; in het werk van de multi-getalenteerde Zwartjes is de vorm allesbepalend. “Zijn films én foto’s zijn rauwe, zintuiglijke ervaringen,” aldus Van Zoetendaal. “Het wordt een bijzondere avond.”

The Holy Family: Frans Zwartjes Special (compilatieprogramma). Do 6/12, 19.00u in EYE, IJpromenade 1. Frans Zwartjes – The Holy Family is verschenen bij Van Zoetendaal Publishers. ISBN 9789072532206. 35 euro. Na afloop zal Zwartjes exemplaren signeren.

06

12 2012

“Ik heb de langste adem”

Documentaire- en speelfilmregisseur, (wetenschappelijk) onderzoeker, performer, beeldend kunstenaar, uitvinder en lector Louis van gasteren viert op 20 november  zijn negentigste verjaardag. Ik sprak hem ruim tien jaar geleden zeer uitgebreid voor Skrien, Hij was destijds zijn huis aan het opruimen. Alles moest gearchiveerd worden, omdat hij zijn oeuvre aan het Filmmuseum wilde overdragen. Van Gasteren sprak onder meer over Er is geen vliegtuig naar Zagreb, die hij nog wilde afmaken. En over heel veel meer; gesprekken met Van Gasteren lijken te meanderen, maar elk antwoord eindigt precies waar hij het wil; elke anekdote heeft betekenis. ‘Als ik op mijn leven terugkijk, denk ik wel eens: was het niet te heavy, al die rugzakken?’

Alleen zijn bureau moet al een enorme klus zijn om op te ruimen: overal liggen stapels boeken, videobanden en papieren met aantekeningen. ‘Heb je dit gelezen?’, vraagt hij, terwijl hij dreigend een hoofdredactioneel uit de Volkskrant over de macht van de media omhoog houdt. ‘Jullie moeten je werk goed doen. Research doen. Niet zomaar alles opschrijven. Ik betrap journalisten voortdurend op leugens. Als ik uit handen van prins Bernard een Zilveren Anjer ontvang, ziet zo’n journalist kans een bericht met louter oud nieuws te maken. Het ANP is nota bene nieuwsvoorziener! Moet ik dan naar de directeur toe stappen? Dat zulks in Story en Privé thuishoort? Ik sta gelukkig stevig op mijn benen. Mijn vader heeft me grootgebracht met een zin uit de Gijsbreght: een krijgsman wint al veel, al wint hij niets dan tijd. Ik heb de langste adem, maar slopend is het wel.’

Hij is bijna tachtig, maar Louis van Gasteren is nog uiterst strijdvaardig. Hij werkt aan vier, vijf projecten tegelijk en heeft nog plannen in overvloed – werkelijk alles lijkt hem te intrigeren. Zo maar een voorbeeld: in Australië zag hij, na een lange, vermoeiende vliegreis, in de tuin van een vriendin een spin een web maken. De volgende dag stond Van Gasteren vroeg op: de spin en het web waren weg. Hij kocht een zaklantaarn, zodat hij de spin de hele nacht kon observeren: bij de eerste zonnestraal vrat de spin, die ’s nachts twee muggen had gevangen, zijn hele net op en verdween achter een blaadje. Het schouwspel vormt de basis voor een opera, die hij nog steeds aan het schrijven is. ‘Ik ben altijd aan het werk. Dat is heel ernstig, daar word ik gek van.’

Lachend: ‘Maar ik houd zo wel Alzheimer buiten de deur!’ Read the rest of this entry →

20

11 2012

De Duivendrechtse Disney

Van 1946 tot aan zijn dood in 1984 werden er in de Duivendrechtse filmstudio van producent Joop Geesink poppenfilms gemaakt. En hoe. In de hoogtijdagen, in de jaren ’50 en ’60, werkten er zo’n 150 mensen, die honderden reclames voor bioscoop en televisie maakten, voor opdrachtgevers over de gehele wereld, waaronder Philips, Honig en Peter Stuyvesant. De poppenfilms gingen onder de naam Dollywood, de live action films onder de naam Starfilm.

Geesink ontwierp ook decors, onder meer voor de film De spooktrein. Daarnaast schilderde hij schitterende gevelborden voor bioscopen en dito filmaffiches, zoals op deze pagina te zien is.

In de jaren ’70 investeerde Geesink veel tijd en geld in Holland Promenade, wat een groot Hollands pretpark moest worden. Het mislukken betekende tevens de ondergang van Dollywood. Met Loeki de Leeuw keerde Geesink later toch weer terug in het animatiewereldje.

Joop Geesink animatiefilms. Zondag 21 oktober, 16.00 uur in EYE.

17

10 2012

Galerie – Beeldende kunst in Amsterdam

Hedwig Houben, Five Possible Lectures on Six Possibilities for a Sculpture. T/m 15/7 in P/////AKT platform for contemporary art, Zeeburgerpad 53.

“Deze constante transformatie van context herinnerde me een beetje aan de film Zelig van Woody Allen, waarin een man genaamd Zelig zijn voorkomen kan aanpassen aan zijn omgeving. Dan is hij dun, dan weer dik. Hij is schrijver, musicus, en dokter, Aziaat en Europeaan.”

Achter een tafel zit een jonge vrouw. Terwijl ze met haar dunne vingers over het blad schraapt, oreert ze onverdroten over kunst, beelden, identiteit, transformaties, deconstructie en de demystificatie van zichzelf. Dan weer in het Nederlands, dan weer in het Engels. Het ene moment zelfbewust, dan monotoon-weifelend, zachtjes zingend, of lichtjes kreunend, op het sensuele af. Dan weer is ze de kunst zelf, die praat over wat Hedwig de kunstenaar denkt en met haar uithaalt. Dan weer is ze kunstenaar en draait ze bolletjes van klei. “Respect yourself, hey, hey”, kirt ze Madonna na.

Five Possible Lectures on Six Possibilities for a Sculpture heet de talige, prikkelende performance die Houben een paar weken geleden live uitvoerde in P/////AKT, en nu als videoprojectie te zien is als onderdeel van de reeks The Principle Rules II. Het ‘pratende’ kunstwerk dat tijdens de lezing/performance/zelfanalyse tot stand kwam, staat ernaast.

Below Sea Level – Explorations in Film. Met werk van o.a. Janneke van Heesch, Julia Kaiser en John Treffer. T/m 15/7 in EYE, IJpromenade 1.

Below Sea Level – Explorations in film toont het werk van de tweede lichting studenten van de ‘Master of Film’, de masteropleiding van de Filmacademie en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. In alle hoeken en gaten van EYE. En hoewel de focus van de master niet op het eindproduct ligt maar op de weg daar naartoe, zijn de resultaten zeer de moeite waard.

Janneke van Heesch (afgestudeerd aan de Filmacademie) verfilmde vijf korte, prikkelende monologen die op vijf monitoren op de trappen van de Arena kunnen worden bekeken. Van een verliefde, zwevende astronaut tot een roerloos dobberende kabeljauw, achter glas op zoek naar contact. De Duitse Julia Kaiser (ex-Rietveld) regisseerde twee fantasierijke houtje-touwtje 16mm-films, deels stop-motion animatie, deels live-action, met geweldige, geknutselde decors, handgeschreven tussentitels voorzien van poezieplaatjes, poppen en zichzelf in de hoofdrol.

En John Treffer (ex-Rietveld) maakte een fraaie kijkdoos en de schitterende ‘natuurfilm’ Citygulls, beide deels in 3D, beide met meeuwen in de hoofdrol. Er zijn schitterende beelden van een meeuw in een sneeuwstorm, ontroerende plaatjes van meeuwtjes die hun vleugels proberen uit te slaan, en er is een prachtig gevecht in slow motion. Mede door het geweldige sound design is het net een pas à deux.

11

07 2012

EYE viert 25 jaar Cinekid met CinekidKlappers

Omdat Cinekid, het jaarlijkse Film-, Televisie- en Nieuwe Mediafestival voor de jeugd, 25 jaar bestaat, brengt EYE dit najaar het programma CinekidKlappers, met de favoriete kinderfilms van alle leden van de Cinekidklapper-commissie. Op het programma staan klassiekers als De rode ballon, My Life as a Dog, E.T. en Minoes Mijn favoriet is het met de hand gemaakte Ponyo on the Cliff by the Sea van de Japanse Oscar-winnaar Hayao Miyazaki, een vrije variatie op Hans Christian Andersens De kleine zeemeermin en een ecologische parabel ineen. Met zoetgevooisde liedjes, schitterende kwallen, een magische tunnel, hemelse bossen, en wonderlijke transformaties.

De commissie bestaat verder uit Bea Appels (distributeur Twin Film), Els Kuiper (aankoper ZAPPBIOS), Frank Roumen (kinderfilmprogrammeur EYE), Sannette Naeyé (directeur Cinekid), Signe Zeilich-Jensen (filmfestival Jong), Leo Bankersen (filmjournalist) en Sabine Veenendaal (productiebedrijf Flinck Film). Op de CinekidKlapper-lijst staan alle films die ieder kind (van 4 tot 14 jaar) gezien zou moeten hebben. De lijst wordt ieder jaar opnieuw tegen het licht gehouden.

08

09 2011

‘Er ontstaat altijd iets speciaals’

“Kijk nou! Die kleuren: geel, oranje, rood… Dit vind ik heel mooi… Wat het precies vertelt? Geen idee, maar ik kan er uren naar kijken.”

Filmmaker David Lammers ontwikkelde met interactief ontwerpster Dima Stefanova The Scene Machine, een interactieve filminstallatie waarmee op associatieve wijze kennis kan worden gemaakt met de filmcollectie van EYE (voorheen het Filmmuseum). De ‘machine’ is gevuld met honderden filmfragmenten: drama en documentaires, reportages, reclamefilms en home movies; kleur en zwart/wit, animatie en live action. Met behulp van trefwoorden (van hoofddeksel en huwelijk, socialisme en special effect tot propaganda en prostitutie) kan de gebruiker het apparaat steeds weer andere combinaties van die filmbeelden laten maken. “Soms moet je even geduld hebben, maar er ontstaat altijd iets speciaals.”

Lammers is niet de eerste die je verwacht bij een installatie met archiefmateriaal. Hij studeerde in 2001 af aan de Filmacademie met De laatste dag van Alfred Maassen, die vervolgens een Gouden Kalf won en als eerste Nederlandse film werd geselecteerd voor de Cinéfondation van het festival van Cannes, de competitie voor aanstormend talent. In 2006 maakte hij zijn speelfilmdebuut met Langer licht, recent regisseerde hij twee afleveringen van de VPRO-serie Bellicher; de Macht van Meneer Miller.

“Ik was een beetje geobsedeerd door die eindeloze beeldenstroom op YouTube,” aldus Lammers, “Iedereen kan tegenwoordig films maken. Veel is prutswerk; eendimensionale meuk. Maar sommige van die filmpjes, op een zolderkamertje gemaakt door amateurs, zijn veel en veel beter dan het werk van zogenaamde professionals. Er is zo veel. En dat verandert ons kijkgedrag. Daar wilde ik iets mee doen.”

Samen met Stefanova maakte Lammers een demo waarmee beelden van YouTube naast elkaar kunnen worden gezet; Stefanova bedacht vervolgens dat de applicatie ook van nut zou kunnen zijn om de beeldarchieven van filminstituten te ontsluiten. EYE was direct geïnteresseerd; de webapplicatie wordt een onderdeel van de binnenkort te lanceren website FilminNederland.nl, waarop de Nederlandse filmgeschiedenis voor het publiek toegankelijk wordt.

Lammers bracht enkele maanden door in de archieven van het Filmmuseum. “Ik heb zo’n beetje alle Nederlandse speelfilms tot 1950 gezien, de mooiste fragmenten eruit gepikt en die allemaal voorzien van minimaal vier tags. Er zijn bijna 150 categorieën. De categorie ‘brief’ is heel groot, in vroege films wordt veel verteld met brieven. ‘Hoofddeksels’ zijn er ook veel; bijna iedereen droeg een hoed in die tijd.”

Bij elk fragment staat vermeld uit welke film het afkomstig is en wie de regisseur is. Lammers’ favoriete fragment is getiteld Eenige snapshots uit de dagelijkse beslommeringen der Familie Alsem, een verzameling familiefilmpjes uit de periode 1920-1944. Hij plaatst een houten blok op de lichttafel, na enige minuten verschijnt een fragment van een jonge vrouw op het scherm. “Kijk… die overbeet. Die bontkraag en dat mutsje. Hier smelt ik van. Ik heb er de tags ‘hoofddeksel’ en ‘poseren’ aan geplakt. En ‘bloem’. Kijk maar, er staat een vaas bloemen naast haar.”

Het apparaat kan worden uitgeprobeerd in EYE in het Vondelpark en thuis op de computer. Het is de bedoeling dat ook de gehele films (tegen betaling) online beschikbaar worden. Of er ook meer recente films in het apparaat worden verwerkt, weet Lammers niet. “Het ligt moeilijk met de rechten. Misschien is het ook maar beter; het zou denk ik wel een beetje pijn doen als mijn eigen films worden vermalen voor The Scene Machine. Aan de andere kant: op YouTube worden speelfilms verknipt tot eenminutenfilmpjes, er worden fake-trailers gemaakt, mijn films worden ook gedownload. Je kan wel zeggen dat je dat niet wilt, maar dat is helemaal niet meer aan de orde.”

De webapplicatie is te bekijken op www.scenemachine.nl.

23

03 2011