Archive for June, 2012

Galerie – Beeldende kunst in Amsterdam

Mirjana Vrbaski, New Work. T/m 17/4 bij Wim van Krimpen, Hazenstraat 20.

In Verses of Emptiness onderzoekt de Servisch-Canadese, aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten Den Haag afgestudeerde Mirjana Vrbaski de essentie van portretfotografie. Haar uitgangspunt daarbij is dat leegte het grootste potentieel voor betekenis inhoudt. Haar portretten zijn daarom teruggebracht tot een minimum; de modellen in Verses of Emptiness zijn ontdaan van zo veel mogelijk context, zowel van sociale context als van culturele, zowel qua plaats als wat betreft tijd. Aldus bereiken de gezichten ‘een eerlijkere, essentiëlere staat – een staat waarin een persoon zo hol wordt dat een ander zichzelf in haar kan spiegelen’. Een anoniem model wordt aldus een icoon, bekend en onbekend tegelijk.

Dat mag wat hoogdravend klinken, Vrbaski’s ingetogen, zeg maar gerust serene meisjes- en vrouwenportretten zijn van een hypnotiserende schoonheid. De allermooiste van de nieuwe reeks die nu bij Van Krimpen hangt (op groot formaat, te koop in een oplage van 5), is die van Anna, een meisje dat Vrbaski in haar woonplaats Berlijn van straat plukte. Ze is blond, draagt een neutraal, wit vestje en haar helblauwe ogen blikken zelfbewust in de camera. En als je dan iets langer en beter kijkt, zie je opeens dat ze een snorretje heeft – niet eens een paar haartjes maar een echte…

 

DoMASSStication. T/m 9/7 in het Lloyd Hotel, Oostelijke Handelskade 34.

Het contrast tussen maatwerk en massaproductie, tussen nostalgie en industrialisatie – daar draait het om op de groepstentoonstelling DoMASSStication (een samentrekking van ‘mass’ en ‘domestication’) in het Lloyd Hotel in het Oostelijk Havengebied. In het restaurant, in de gang naar de toiletten en op vier platforms is werk te zien van 22 (toegepaste) kunstenaars en ontwerpers, voor een groot deel alumni van het Sandberg Instituut.

Er staan beeldjes van gevallen dictators van Arthur de Vries en een mobiele keuken van Maxime Ansiau. Lara Roelsma plukte twee jaar lang foto’s van ene Mark van zijn Facebookpagina en exposeert ze in mooie fotolijstjes. Lida Krul, die de expositie samen met Jennifer de Jonge cureerde, bouwde een oude, gietijzeren naaimachine om tot filmprojector. Daar loopt een diafilm doorheen, met beelden die uit haar eigen jeugd komen maar voor iedereen herkenbaar zijn. Terwijl het verleden wordt geprojecteerd, worden de beelden langzaam maar vernietigd; over plusminus een week heeft de naald van het even frivole als destructieve apparaat de complete film doorboord.

29

06 2012

Drie roze wc-blokjes in een pispot kunnen ook veelzeggend zijn

“Ik zeg het je recht in je porum. Als je problemen hebt en je zegt niks, dan ben je een trut. Wees eerlijk voor je gevoel. Je moét praten.” Boksschoolhouder Lucien is niet alleen bezig met het fysiek van zijn pupillen; hij bemoeit zich nadrukkelijk met hun geestelijke gesteldheid. Hij eist dat ze serieus aan hun toekomst werken en doet er alles aan om ze respect en goed fatsoen bij te brengen. “Als je eerlijk bent, kun je iedereen in de ogen kijken. Ik kan iedereen in de ogen kijken. Eerlijkheid, daar begint het mee.”

Naarmate Langer licht duurt, blijken het holle frasen. Voor Lucien zelf gelden andere regels – misschien wel zonder dat hij het in de gaten heeft. Zijn leerlingen overlaadt hij met aandacht en liefde. Zijn puberende zoon Mitchel ziet hij niet staan. Hoewel de twee op elkaar zijn aangewezen, leven ze volstrekt gescheiden levens. Eigenlijk zijn Luciens staccato monologen voor hemzelf bedoeld: het zijn een soort bezweringen.

David Lammers won in 2001 de Tuschinski Award en een Gouden Kalf met zijn afstudeerfilm De laatste dag van Alfred Maassen. Vervolgens maakte hij geslaagde televisieproducties als Snacken en de korte poëtische film Veere, die op het Rotterdamse filmfestival werd onderscheiden met een Tiger Cub. Langer licht – gemaakt voor slechts negen ton maar wel gedraaid op het dure 35mm-formaat – is Lammers’ speelfilmdebuut. De film werd net als Guernsey van Nanouk Leopold, Diep van Simone van Dusseldorp en Het zwijgen van André van der Hout en Adri Schrover geproduceerd in het kader van ‘De oversteek’, een initiatief van de VPRO en het Filmfonds om beginnende makers een kans te geven.

Langer licht is de beste van de opmerkelijk sterke reeks. In een onnadrukkelijke stijl schetst Lammers de uit het lood geslagen levens van een nurkse, door schuldgevoel verteerde vader en zijn naar binnen gekeerde zoon.

Het fotogenieke decor wordt gevormd door Amsterdam-Noord, waar ras-Amsterdammers, Antillianen, Turken, Egyptenaren en Marokkanen samenleven. Voor de bijrollen castte Lammers een aantal buurtbewoners, voor de hoofdrollen koos hij uitstekende acteurs die niet al vaak in films te zien zijn: Raymond Thiry als de boksschoolhouder, Dai Carter als zijn zoon, Mike Meijer als de scharrelaar Rinie, Melody Klaver als Mitchels vriendinnetje en Monique Sluyter en Rian Gerritsen als barvliegen.

Veel lijkt geïmproviseerd; de beste dialogen gaan over het weer en de koffie. In de beste scènes wordt helemaal niet gesproken, maar vertrouwt Lammers op het fraaie camerawerk van Lennert Hillege en de hypnotiserende geluidstrack van Peter Warnier.

Lucien die gedachteloos met zijn trouwring zit te spelen; Mitchel die in een roze tutu met een gebarsten wenkbrauw op zijn nieuwe chopper door de avondschemering van Noord fietst; ja, zelfs de drie roze wc-blokjes in de pispot – Langer licht bewijst maar weer eens dat beelden minstens zo veelzeggend kunnen zijn als dialogen.

Langer licht van David Lammers, vrijdag 29 juni 0:00 uur, Nederland 2.

29

06 2012

“Ik ben geen gewetenloze grafische prostituee”

“De flyer bij mijn tentoonstelling? Die vind ik verschrikkelijk. Maar het zijn wel aardige mensen hoor, die lui van Thonik. Ik ontmoette ze bij de opening. ‘Gielijn’, zei de baas, ‘ik weet dat jij geen fan van ons bent, maar wij zijn wel fan van jou’. ‘Ach’, antwoordde ik, ‘zo erg is het nou ook weer niet; ik vind die animaties die jullie voor de VPRO maken heel leuk’. Maar ja, als je diep in mijn hart kijkt, dan zie ik liever wat anders.”

Gielijn Escher (Oegstgeest 1945) is afficheontwerper, -verzamelaar en -plakker. In Museum Boijmans Van Beuningen is nu een fijne tentoonstelling met affiches van zijn hand, aangevuld met een aantal puntgave affiches van Duitse ontwerpers als Lucian Bernhard en Ludwig Hohlwein, afkomstig uit de omvangrijke collectie die Escher sinds zijn tiende bijeen verzamelde.

‘Gielijn Escher – Leven voor affiches’ heet de tentoonstelling. De flyer is, zoals alle uitingen van het Boijmans, vormgegeven door het Amsterdamse ontwerpbureau Thonik; als basis is een affiche gebruikt dat Escher in 1982 maakte voor het theaterfestival Festival of Fools.

“Dat het er net niet helemaal op staat, dat vind ik zó kinderachtig. Die letters vind ik ook niet mooi. Je hebt op de Middenweg een beddenzaak die dezelfde aanstellerige letter gebruikt, er is een zonnecentrum dat een dergelijk lettertype heeft, en het is ook gebruikt voor het logo van de Olympische Spelen in Mexico in 1968. Ik vind het verschrikkelijk”, spraakwatervalt Escher daags na de opening, in de sociëteit van Arti et Amicitiae. “Maar ik heb er geen punt van gemaakt. De tentoonstelling is me meer waard dan de flyer. Daar ben ik eerlijk in.”

Op zijn vijfde begon Escher met het verzamelen van sinaasappelvloeitjes, vier jaar later stapte hij over op affiches. “Toen ik begon te verzamelen had ik geen cent te makken. Ik moest het hebben van mijn netwerk, bestaande uit drukkers, plakbedrijven, musea, winkels en reclamebureaus. Die gaven het me allemaal gratis.”

Inmiddels bestaat zijn verzameling uit ‘enkele duizenden stuks’, waaronder enkele zeer zeldzame. “Ik heb ze nooit geteld. Ik houd ook geen lijsten bij; ik heb het allemaal in mijn kop zitten.”

Wat hij nu in de stad ziet hangen, verzamelt Escher niet. “Dat is één grote hoop vreselijke kitsch. Heel soms hangt er in de bushokjes wel eens iets voor een duur parfummerk met goeie fotografie en een stijlvolle belettering. Dan zie je in elk geval waar het over gaat… Maar verder zie ik nooit iets waarvan ik denk: dat had ik graag gemaakt willen hebben. Want dát moet natuurlijk het criterium zijn. Maar nogmaals: ik zie het niet. Ook niet in het buitenland. Daar zie je precies hetzelfde soort affiches als hier. Logisch, want ze worden met precies dezelfde programma’s en computers gemaakt als hier.”

Zijn eerste poster maakte Escher vijftig jaar geleden, in juni 1962, voor een schoolvoorstelling. Het was sterk beïnvloed door beeldend kunstenaar Nicolaas Wijnberg. Daarna ontwikkelde Escher razendsnel een eigen stijl, die wordt gekenmerkt door een ogenschijnlijke eenvoud en een pakkende vorm, toegesneden op het onderwerp van aandacht; door handgetekende fantasieletters in duizendeneen vormen en maten en een grote helderheid. De opvallende, sprekende kleuren mengde hij altijd zelf aan de pers, niet zelden tot wanhoop van een drukker.

“Een poster moet opvallen. Hij moet eruit springen tussen tientallen andere posters. Een goed kleurcontrast helpt daarbij. Daarnaast houd ik ervan als een affiche een gimmick heeft. Dat heb ik geleerd van Frans Mettes, een geweldig getalenteerde affichemaker die voornamelijk voor het bedrijfsleven heeft gewerkt.”

Eschers eigen opdrachtgevers komen zonder uitzondering uit de culturele hoek. Hij maakte krachtige en kleurrijke aankondigingsposters van dans- en toneelvoorstellingen, concerten en tentoonstellingen, onder meer voor het Shaffy Theater, Toneelgroep Baal en het Festival of Fools. De dansvoorstellingen op minimal music (“muziek zonder kop of staart, die gewoon maar door gaat”) van Krisztina de Châtel vertaalde Escher uiterst adequaat naar een geniale reeks doorlopende affiches.

“Op een gegeven moment vond Krisztina het tijd voor een andere ontwerper. Die maakte iets wat werkelijk niets met haar choreografieën van doen had. Het was driemaal niks. Toen dacht ik: dit kan zo niet. Ik heb toen op eigen houtje een affiche gemaakt en in de stad opgehangen. Dat heeft Krisztina heel sportief opgevat; ze heeft ruiterlijk toegegeven dat ze een verkeerde weg had bewandeld. Drie jaar later zijn onze wegen alsnog gescheiden. Soms is dat niet anders. Ik ben nu eenmaal geen gewetenloze grafische prostituee; ik maak alleen maar dingen waar ik achter sta.”

Zijn laatste affiche maakte Escher eind 2010, voor een tentoonstelling in het Lloyd Hotel over de klapstoel. “Daarna heb ik geen opdracht meer gehad. Dat is wel een beetje bitter. Dat geen enkele culturele instelling denkt: die man maakt mooie dingen, misschien kunnen we daar ons voordeel mee doen.”

Maar Escher zit niet stil; hij werkt aan een monografie over Frans Mettes en een expositie in het Spoorwegmuseum in Utrecht. En wie weet brengt de expositie in Boijmans hem nog wat. “Zo ging dat vroeger ook; het een verkocht het ander.”

De expositie is sowieso de kroon op zijn werk, vindt Escher, die in 1978 de H.N. Werkmanprijs kreeg en in 1997 de Prins Bernhard Fonds Prijs voor Toegepaste Kunst en Bouwkunst. “Ik vind het een topmuseum; Boijmans Van Beuningen. Het Gemeentemuseum in Den Haag is ook een topmuseum. Het Stedelijk? In de tijd van Sandberg was het Stedelijk een topmuseum. Misschien wordt het ooit weer een topmuseum, wie zal het zeggen, maar het is het in ieder geval al jaren niet meer.”

Gielijn Escher – Leven voor affiches. T/m 30/9 in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Bij de tentoonstelling verschijnt een boek over Gielijn Escher met een tekst door Mienke Simon Thomas, conservator toegepaste kunst en vormgeving van het museum (Uitgeverij De Buitenkant, e 29,50).

27

06 2012

“Wat een lichamen”

Op het Oerol Festival wordt de bezoeker op allerlei manieren uitgedaagd te participeren in een voorstelling. In Door de wind (hoorspel met tachtig deelnemers) van staessens & co krijgen, zoals de titel al enigszins aangeeft, alle tachtig bezoekers een rol in de totstandkoming van een hoorspel dat losjes is gebaseerd op de legende van De Vliegende Hollander. Dat varieert van het rinkelen met flessen tot het produceren van zeemansgeluiden (vereiste: een zware stem).

In Ik wil mijn geld terug! is het in een geblindeerde stadsbus gepropte publiek niet alleen getuige van de live-opnames van de reactionaire radiozender Krachradio (107.5). Tijdens de voorstellingen annex live-uitzendingen worden de waargebeurde verhalen van door de crisis gedupeerde Nederlanders voorgelezen. De bezoekers bepalen vervolgens wie van hen aansprak mag maken op een ‘crisiscompensatie’ van 2500 euro. Ook kunnen ze in de live-uitzending pardoes een microfoon onder de neus geduwd krijgen, om antwoord te geven op vragen als: welk Europese land moet er uit de Europese Unie? Het antwoord ‘Portugal’, en vooral de reden (“omdat ze ons hebben uitgeschakeld op het EK”) zorgde voor de nodige sneren van de talkshowhost dj Alex – de meeste Oerolgangers kunnen gelukkig wel wat hebben.

Voor aanvang van Bonte Avond van Bodybuilders werd het publiek uitgenodigd om na afloop gezellig na te praten met de acteurs. Dat waren negen kickboxers, door regisseur Jetse Batelaan uit een sportschool in Rotterdam-Zuid geplukt. Zij speelden bakker en klant; dokter, patiënt en doktersassistente; en drugsdealers en drugsverslaafde in lullige toneelstukjes. Zingend, en slechts gekleed in een zwartglanzende boksbroekjes. Het zorgde iedere voorstelling weer voor een verregaande staat van opwinding onder het gros van de vrouwelijke bezoekers. “Wat een lichamen”, verzuchtte een vijftigplusser met kort haar en een rode bril. “Ooh, jij mag wel met mij mee”, wierp een ander een van de jongens toe, die in een van de toneelstukjes door de anderen was achtergelaten.

Ook bij de geweldige Terminator Trilogie van het jonge Vlaamse gezelschap FC Bergman wordt een actieve tol van de toeschouwer verwacht. Het is een stil spektakel met weidse vergezichten, tientallen in prachtige avondjurken en pakken gestoken figuranten, een stretched limo en een almaar rondjes rijdende tractor die een spoor van zeepsop achterlaat, waar hoegenaamd geen chocola van te maken is.

De imponerende hoofdolspeler Stef Aerts doet een hardhandige poging zichzelf op te hangen en hij heeft vreugdeloze seks. Hij werpt zich keer op keer op het zilte zand van de enorme zandplaat de Noordsvaarder en beukt met enorme kracht tegen een billboard waarop de jonge Arnold Schwarzenegger zijn bi- en triceps toont.

Juist toen Aerts in uiterste vervoering bezig was met een woordeloze monoloog had een vijftiger met Noorse trui en wollen muts er genoeg van. Hij koos er niet voor om stilletjes in de nacht te verdwijnen, maar bleef seconden lang voor de tribune staan, met zijn arm gestrekt en zijn duim pontificaal naar beneden. Keizer Nero in het amfitheater; de hoofdrolspeler in zijn eigen stuk. Dat is dan waarschijnlijk de keerzijde van de publieksparticipatie op Oerol…

Terschellings Oerol duurt nog t/m zondag 24 juni. Terminator Trilogie van FC Bergman is ook te zien op het Over het IJ Festival, van 5 t/m 15 juli in Amsterdam Noord. Foto’s: Anke Teunissen en Pieter Crucq.

23

06 2012

Galerie – Beeldende kunst in Amsterdam

Door Schildersogen, met werk van Jacco Olivier, Ronald Ophuis, Andrei Roiter, Helen Verhoeven en Kim van Norren. T/m 7/7 in Arti et Amicitiae, Rokin 112.

Om maar direct een misverstand uit de wereld te helpen: Door Schildersogen bevat geen werk van de (oude) leden van Arti et Amicitiae; de expositie is evenmin samengesteld door leden van Arti. Wat het dan wel is? Door Schildersogen is een schilderijenexpositie ín Arti, samengesteld door de schilders Arnout Killian, Frenk Meeuwsen en Harm van den Berg. Zij kozen 32 schilderijen, allemaal in de 21e eeuw gemaakt door Nederlandse en in Nederland opererende schilders – van een witte muur met zwarte stippen van Jan van der Ploeg en een portret van een inktzwarte kindsoldaat met bloeddoorlopen ogen van Ronald Ophuis tot een bewegend, abstract videoschilderij van Jacco Olivier en een aantal enorme, met de spuitbus bewerkte linnen ‘worstjes’ van Klaas Kloosterboer.

Het is een persoonlijke keuze, waarbij de individuele kwaliteit van de werken voorop staat. Per deelnemer is één specifiek werk uitgekozen dat het oeuvre van de kunstenaar vertegenwoordigt, maar dat ook samen met de andere werken een spannend geheel oplevert. Het is geen toeval dat Natasja Kensmils schilderij met een ruiter met een zwarte ‘puntmuts’ naast een abstract werk van Kim van Norren met zwarte driehoeken hangt.

Door Schildersogen doet in de opzet enigszins denken aan de tentoonstelling What’s Up! – De jongste schilderkunst in Nederland, nog maar kort geleden in het Dordrechts Museum. Daar waren dertig kunstenaars geselecteerd die met hun werk een representatief beeld gaven van de stand van de hedendaagse schilderkunst in Nederland. Onder hen onder anderen Arjan van Helmond, Ina van Zyl, Helen Verhoeven, Pim Blokker, Sarah Verbeek, Morgan Betz, Micha Patiniott en Evi Vingerling, van wie nu allemaal ook een werk in Arti te zien is.

Daarnaast selecteerden Killian, Meeuwsen en Van den Berg alle drie ook een schilderij van zichzelf. Als statement? Gewoon, omdat het kon? Of om te benadrukken dat met de selectie niet is geprobeerd een topdertig samen te stellen? Want er valt natuurlijk best het een en ander op hun schilderselectie aan te merken, en soms ook wel op de keuze van het specifieke werk van de gekozen schilder. Maar valt er ook veel te ontdekken en te genieten. Omdat er, zoals de samenstellers terecht opmerken, geweldig wordt geschilderd in Nederland. En door de (niet bestaande) verbanden en overeenkomsten, de reikwijdte en de contrasten, en de associaties die daardoor als vanzelf ontstaan.

Marina Abramović, Portrait Gallery en Kitchen. T/m 29/6 in Muziekgebouw aan ’t IJ, Piet Heinkade 1.

Voor beide Holland Festival-voorstellingen van The Life and Death of Marina Abramović waren al snel geen kaarten meer beschikbaar; zelfs de generale repetitie was binnen een mum van tijd uitverkocht. Wie toch iets wil meekrijgen van de grootsheid van de zelfbenoemde ‘grandmother of performance art’ Marina Abramović (Belgrado 1946) kan nu terecht in Muziekgebouw aan ’t IJ. Gratis.

In het Atrium hangt voor het eerst in Nederland The Kitchen Series uit 2009, drie ‘bewegende foto’s’ gemaakt in de keuken van een Spaans klooster waar nonnen in volledige stilte leven en bidden. Rauwer en confronterender is de Video Portrait Gallery (1997/2003), een installatie bestaande uit zestien performance-video’s uit Abramović’ lange, roemruchte carrière (afkomstig uit de collectie van het Nederlands Instituut voor Mediakunst). Daarbij is ook het indringende, zeer fysieke Art must be beautiful, artist must be beatiful, waarin Abramović haar haar zo lang en heftig kamt dat ze begint te steunen van de pijn.

“De meeste mensen ontwijken wat ze als bedreigend of onbekend ervaren. Door zulke dingen juist wél te doen, stel je jezelf open voor nieuwe ervaringen”, zei Abramović over haar performances.

Nota bene: op 19 juni worden de documentaire Marina Abramović: The Artist is Present (Matthew Akers en Jeff Dupre, 2012) en een aantal van haar kortfilms vertoond in EYE. AVRO Close Up zendt The Artist is Present uit op 26 juni om 23.00 uur.

Marjoleine Boonstra, Koeraaj Koeraaj. T/m 14/7 in Galerie Witteveen, Konijnenstraat 16A.

Als Marjoleine Boonstra met haar filmcamera op pad is, heeft ze bijna altijd ook een fotocamera bij zich. Dat doet ze omdat ze met haar foto’s een nét iets ander verhaal kan vertellen dan met haar films; op haar foto’s is dan ook een ander soort beelden te zien dan in haar films, ook al zijn ze op dezelfde locatie gemaakt. Zo zijn in haar films bijvoorbeeld bijna altijd mensen te zien, terwijl die in haar ‘aardse’ foto’s zo goed als afwezig zijn.

Hun sporen zijn wél zichtbaar: van de afgehakte, bebloede poten van een geit ter verkoop uitgestald op de markt, een kleurig kussen op een krakkemikkig bankje tot een paar vergane bruidsjurken die elk moment in een aanstekelijke dans los kunnen barsten.

Koeraaj Koeraaj heet de expositie, omdat Boonstra fotografeert als een koeraaj: een dode struik die over de steppenvlaktes rolt en tolt. Ondertussen neemt een koeraaj mee wat goed voor hem is, zo wil een Centraal-Aziatische wijsheid, en laat hij achter wat goed is voor een ander.

De expositie en het gelijknamige boek met teksten van Céline Linssen maken deel uit van het crossmediale project Keep on Steppin’. Dat bestaat verder uit vijf poëtische korte films, die ook in Galerie Witteveen te zien zijn, een interactieve website en een app voor de iPad. Op 21 juni, Wereldhumanismedag, worden de kortfilms door HUMAN op televisie uitgezonden.

22

06 2012

“Ik wil boeiende dingen doen”

Matthias Schoenaerts en Marion Cotillard in Cannes

“Voor deze film moest ik een ander lichaam kweken. Als je goed kijkt, zie JE dat Jacky in Rundskop er heel anders uitziet dan Ali in De rouille et d’os. Jacky is potig; hij heeft een artificieel lichaam, opgepompt met anabolen. Ali moest juist een enorme natuurlijk kracht uitstralen. Daar ben ik weer een paar maanden mee bezig geweest. Ik moest een natuurlijke kracht zien te combineren met een niet-fit lichaam. Want Ali is een man die niet goed eet, daar heeft hij de middelen nu eenmaal niet voor – je ziet hem aan het begin van de film ook uit een vuilnisbak eten. Hij eet rotzooi, maar hij is wel een krachtige, potige kerel.”

Een jaar nadat hij een glansrol speelde in Michael Roskams oersterke, voor een Oscar genomineerde hormonenmaffiafilm Rundskop is de Vlaamse acteur Matthias Schoenaerts (Antwerpen 1977) te zien in het meeslepende De rouille et d’os van de Franse regisseur Jacques Audiard. Schoenaerts speelt Ali, een gescheiden rouwdouw die kennis krijgt aan Stéphanie, een mooie, arrogante orka-trainster, die haar beide benen is verloren bij een ongeluk (Marion Cotillard). En hij wekt opnieuw veel indruk. In de film én tijdens de interviewsessie op een speciaal voor de Nederlands pers geplande ochtend. Met een kop zwarte koffie en een sigaret onder handbereik acteert hij getapt en zeer volwassen; hij vertoont geen spoor van zenuwen en antwoordt en praat alsof hij al jaren meedraait.

Ook de eenvoudige vraag of het een moeilijke rol was, is goed voor een ellenlang antwoord waarin werkelijk geen enkel aspect onaangeroerd blijft. “Ali is iemand die weinig spreekt, iemand die is losgekoppeld van zijn eigen emoties, maar hij moet wel emoties laten blijken. En het liefst niet al te opvallend, maar op een subtiele manier. Die dualiteit, dat evenwicht; dat is de opgave. Hij zit vol angsten, ook al drukt hij ze niet uit. Dat moet je ruiken als kijker, dat moet je aan alles ruiken. Ali is een oprechte, eenvoudige kerel. Geen naïeve idioot, wel een beetje vreemd. En hij is een overlever. Als hij aan de illegale straatgevechten begint, doet hij dat niet om de held uit te hangen, maar omdat hij er geld mee verdient. Het is het enige talent dat Ali heeft. Dat beseft hij heel goed; hij heeft zijn lichaam. Daarbij komt nog eens het enorme contrast met Stéphanie; er gaapt een enorm gat tussen die twee: fysiek, sociaal, maar ook intellectueel en emotioneel. Hoe geef je dat gestalte? En hoe maak je toch aannemelijk dat die vrouw iets voor hem voelt?”

In het oorspronkelijke script was zijn personage veel brutaler; veel donkerder, aldus Schoenaerts. “Maar we kwamen er al snel achter dat we dat wat moesten verlichten, dat we er iets speels in moesten brengen. Niet dat Ali een grappenmaker moest worden, hij moest wel iets aandoenlijks krijgen. Een soort tederheid uitstralen. En hij moest verleidelijk zijn. Maar geen verleider; geen man die honderdduizend woorden verkondigt aan een vrouw. Al die dingen moet je meenemen.”

Schoenaerts heeft het niet van een vreemde; hij is de zoon van Julien Schoenaerts, een van de grootste naoorlogse Vlaamse acteurs. Aan de zijde van zijn vader zette hij zijn eerste stappen op het toneel, naast zijn vader speelde hij zijn eerste filmrolletje in Daens.

Zijn vader heeft veel voor hem betekend, beaamt Schoenaerts, maar op een andere manier dan veel mensen denken. “Toen ik aan het conservatorium ging studeren, was zijn carrière al voorbij. Hij was aan het transcenderen, zou je kunnen zeggen, en stond op een heel andere manier in het leven dan toen hij acteur was. Daar heb ik ongelooflijk veel aan gehad. Omdat hij in de laatste jaren van zijn leven veel meer in het hier en nu leefde dan ooit daarvoor. Daar getuige van te mogen zijn, dat is de schoonste les die je kunt krijgen als acteur. Hij verwonderde zich voortdurend over de dingen die hem overkwamen. Dat valt nog niet mee voor een acteur. Als acteur ben je juist heel zelfbewust. Het is een continue gevecht om dat kapot te slaan; om daar ver weg van te blijven.”

Wat hij ook speelt of doet, het gaat er volgens Schoenaerts om dat je een soort ‘zijn’ bedenkt voor je personage. “Ik haal het hele verhaal weg, al het drama, en stel me de vraag: wie is hij als er niets aan de hand is? Hoe staat hij in het leven? Is hij iemand die lacht, is hij iemand die mijmert? Of is hij misschien iemand die lacht én mijmert? Dat is mijn vertrekpunt. Van daaruit reageer ik op alle dingen die in het scenario op het personage af komen.”

Hij kreeg daarbij alle vrijheid en ruimte van Audiard, maar hij had nooit het idee dat hij aan zijn lot werd overgelaten. “Jacques bijt zich vast in zijn acteurs, hij zit er bovenop en stuurt ons alle kanten op. En hij ziet alles. Geef mij iets, zei hij vaak. Biedt me iets aan, zorg dat mijn scenario verandert! Voor Jacques is het scenario geen bijbel die van voor tot achter moet worden verfilmd. In tegendeel, het is dode materie. Het begint voor hem pas te leven als de acteurs ermee aan de slag gaan. Dát interesseert hem. Als hij voelt dat we precies uitvoeren wat er staat, wordt Jacques knettergek en brult hij heel de boel bij elkaar.”

Dat Schoenaerts precies weet wat hij wil, blijkt ook uit de films die hij kiest en afzegt. Zo kreeg hij de hoofdrol aangeboden in José Padilha’s (Tropa de Elite) remake van de Paul Verhoeven- sciencefictionfilm RoboCop, maar zei hij nee. “Volgens mij was het niet de juiste stap, de hoofdrol in een blockbuster met een budget van 150 miljoen. Ik heb José twee keer ontmoet in Los Angeles: een fijne gast met een uitstekend verhaal. Maar het is zo’n grote studiofilm, dat ik ook angst had: laten ze hem wel doen wat hij wil? Met het script kun je zo veel verschillende richtingen op. Het kan geweldig worden, maar ook gigantisch misgaan. Het voelde gewoon niet goed.”

Hij hoeft ook niet per se naar Amerika. “In Hollywood zitten heel grote talenten maar er worden niet per se de beste films gemaakt. Ik wil boeiende dingen doen. Er zijn geweldige cineasten over de hele wereld, ook in Azië, ook in Europa. Dat was ook wat Marion Cotillard me vertelde: ze is dankbaar voor de kansen die ze in Amerika heeft gekregen, maar ze heeft in jaren niet zo’n consistente, rijke rol mogen spelen als in De rouille et d’os.”

Schoenaerts was de afgelopen jaren onder meer te zien in Zwartboek, De Muze, De President en De bende van Oss, maar nieuwe Nederlandse producties staan voorlopig niet gepland. Wel gaat hij opnieuw samenwerken met zijn landgenoot Pieter Van Hees en heeft hij een rol aangenomen in een Amerikaanse film van Guillaume Canet, de echtgenoot van Marion Cotillard. Niet opnieuw tegenover haar, overigens; Zoe Saldana is zijn tegenspeelster. “Ook niet slecht, toch?”

Daarnaast is Schoenaerts ook zelf aan het regisseren; hij werkt al twee jaar aan een documentaire over zijn jeugdvriend Franky. “Over toeval gesproken. Franky heeft een extreem heftig leven achter de rug. Hij was een crimineel, een echte gangster. En een jaar of tien geleden heeft hij een motorongeluk gehad waarbij hij een been is verloren. Op een gegeven moment is hij gaan freefighten. Hij vecht op één been tegen mensen die niet gehandicapt zijn. Dat was de enige manier waarop hij nog voldoening kon krijgen. Bizar niet? Hij is eigenlijk Ali en Stéphanie ineen. Toen mijn agent me vroeg of ik auditie wilde doen voor Jacques’ film en hij me het verhaal schetste, viel ik van mijn stoel: ik heb meer kans de Lotto te winnen dan om dit soort toevalligheden mee te maken.”

De rouille et d’os van Jacques Audiard draait vanaf donderdag in de Nederlandse bioscopen.

18

06 2012

“Ik hoop dat er veel geliefden komen”

“De veertjes blijven echt wel zitten, hoor.” Sarkis wijst naar zijn witte fiets. “Dit is mijn privé-exemplaar; hij is wat kleiner dan de andere fietsen. Ik rijd er al tien dagen op en zie: hij zit nog onder de veren.” Boijmans van Beuningen-directeur Sjarel Ex kijkt naar het verenspoor dat daags voor de officiële opening al in de Onderzeebootloods ligt, en onderwerpt dan de met witte donsveertjes beplakte fiets van Sarkis aan een nauwkeurige inspectie. “Mochten ze toch snel loslaten, dan plakken we er gewoon weer nieuwe op.”

Na Atelier Van Lieshout (2010) en het Scandinavische kunstenaarsduo Elmgreen en Dragset (2011) werd de in 1938 in Istanbul geboren, sinds de jaren ’60 in Parijs woonachtige, in Nederland niet al te bekende conceptuele kunstenaar Sarkis Zabunyan uitgenodigd om een expositie te maken in de Onderzeebootloods in de Rotterdamse haven.

Toen hij de gigantische dependance van Museum Boijmans Van Beuningen in de winter van 2010 voor het eerst betrad, lag er overal sneeuw. Er was een bovenraam stuk; alles was zacht-wit en betoverend stil. Nu dwarrelen er witte veertjes door de Onderzeebootloods, afkomstig van zestig door Union beschikbaar gestelde fietsen en van een metershoge lamp. Daarin beweegt een lichtbron op en neer, langzaam, op het ritme van de ademhaling van de kunstenaar.

Ook in de tweede hal plaatste Sarkis een enorm verticaal gevaarte, dat, net als de lamp, een verbinding legt tussen het dak van de hemel en de diepte der zeeën: een carillon bestaande uit 43 aan hoge boomstammen bevestigde klokken. Zoals de ‘zuchtende lamp’ veertjes verspreidt over de zalen, vullen de klokken de ruimte met de ijle tonen van John Cage’s Litany for the Whale (‘smeekgebed voor de walvis’).

Het carillon baadt in rood licht, doordat er gekleurde filters achter de hoge ramen van de loods zijn bevestigd. Het is een theatrale kunstgreep, die Sarkis al vaker toepaste en die hier schitterend uitpakt. Sterker: het is met afstand de belangrijkste ingreep in de loods, waarin verder her en der wat kunstwerken staan opgesteld. Zo staat er een gouden picknicktafel op zijn kant en is er een oude boot waarover geluidstape is gedrapeerd – een werk van Sarkis dat lang geleden al in Amsterdam te zien was tijdens de tentoonstelling Century ’87.

Ook het werk Futuro van de Finse architect Matti Suuronen benadrukt de relatie tussen het heden en verleden. Het is een futuristische vakantiewoning uit 1968; het lijkt alsof er marsmannetjes zijn neergestreken in Rotterdam.

Langs de muren staan waterautomaten. Twaalf stuks om precies te zien; als een ware kabbalist baseerde Sarkis álle afmetingen en aantallen binnen de tentoonstelling op het getal twaalf. En in hoek staat een forse leestafel, met boeken van en over zijn voornaamste inspiratiebronnen: Cage, de architecten Rietveld en Le Corbusier en de Nederlandse schilder Pieter Saenredam.

De 17e-eeuwse kerkinterieurs van laatstgenoemde, met net zulke hoge plafonds als in de Onderzeebootloods, vormen het beginpunt van de expositie. Dat waren geen gewijde plekken, aldus Sarkis, maar levendige ontmoetingsplekken, waar bedelaars rondliepen, spelende kinderen en honden.

En hoewel honden niet zijn toegestaan in de Onderzeebootloods (uitgezonderd blindengeleidehonden) is ‘Ballads’, zoals Sarkis zijn expositie doopte, dat ook; een levendige ontmoetingsplek. Het is een wereld van mystiek en symboliek, waarin alles – oud en nieuw, water en lucht, hoog en laag – met elkaar wordt verbonden. Leuk om gewoon doorheen te wandelen, fietsen of te skaten, razend interessant naarmate je er meer over leest en weet. Zelf spreekt Sarkis van een exposition d’amour. “Ik hoop dat er veel geliefden komen.”

Sarkis, Ballads. T/m 30/9 in de Onderzeebootloods, RDM-straat 1 Rotterdam.

13

06 2012

“Mijn beeld van de 21ste eeuw is te zien in #MOTI! Fotolink”

Ik kreeg vanochtend mail van de afdeling Marketing & Communicatie van het MOTI. Of ik via sociale media ‘wereldkundig’ wil maken dat mijn beeldkeuze is opgenomen in de tentoonstelling Rollercoaster. “Omdat we ons voor kunnen stellen dat je graag online je beeldkeuze deelt met volgers, vrienden of vreemden hebben we een pakketje samengesteld met voorbeeldteksten en jouw beeldkeuze in de zalen van MOTI. Daarbij hebben we wat gegevens bij elkaar gezet die wellicht van pas komen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de hashtag van ons museum. We hopen dat jullie even trots zijn als wij op deze tentoonstellingen jullie daar uiting aan willen geven.”

Voorbeelden voor Twitter:
Mijn beeld van de 21ste eeuw is te zien in #MOTI! Fotolink

Zie hier mijn beeld van de 21ste eeuw voor #Rollercoaster in #MOTI: Fotolink
#MOTI
@MOTI_museum
#Rollercoaster

Voorbeelden voor Facebook:
Ik heb ook mijn beeld van de 21ste eeuw aangeleverd voor Rollercoaster in @MOTI! Foto
Zo ziet mijn beeld van de 21ste eeuw er uit in @MOTI Foto

Actie! – Valentijnkade 131, 1095 KH Amsterdam. Woensdag 18 april 2012, 12.05 uur.

“Het is echt heel grappig zo, maar het is net wat te veel. Kun je het ietsje kleiner houden?” In een hoek van het hoofdgebouw van het kinderparadijs Jeugdland in Amsterdam Oost staan twee mannen te praten. Althans, de een haalt herinneringen op aan zijn oude liefdes in een commune, aan het grote hart dat hij had, aan de jaloezie. Hij zegt dat-ie zich niet schuldig had hoeven voelen maar dat wel deed. De ander knikt begrijpend.

De man verspreekt zich een paar keer, wat logisch is, want hij moet enorme lappen tekst zien te reproduceren. En gerepeteerd is er niet of nauwelijks; de camera begint direct te draaien. In de meeste gevallen vindt regisseur annex kunstenaar Nicoline van Harskamp het ook niet erg; ze past ter plekke de tekst aan, improviseert, schrapt een paar regels, of laat het gewoon nog een keertje opnieuw spelen. Maar nooit vaker dan drie keer. Er is namelijk haast; de complete lowbudgetfilm moet in vier dagen zijn opgenomen.

Yours in Solidarity heet het kunstproject van Van Harskamp, die in 2009 de Prix de Rome won voor haar videokunst en geënsceneerde debatten over formele en informele machtsstructuren. Het project sluit aan op Any other Business, een videoserie die dit voorjaar te zien was in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, waarin van Harskamp de tegenstrijdigheden blootlegt tussen uiteenlopende ideologische opvattingen en de personen van vlees en bloed die die opvattingen verwoorden, maar hun ego’s en eigenaardigheden niet zomaar opzij kunnen zetten.

In Yours in Solidarity draait het om de Nederlandse anarchist Karl Max Kreuger (1946-1999). In zijn nalatenschap bevinden zich honderden brieven waarin amateur-ideologen verhalen over hun persoonlijke en politieke belevenissen tussen 1989 en 1999, de drempel van wat een nieuw politiek tijdperk leek te worden. In geënsceneerde interviews en een grote bijeenkomst worden de levensverhalen van veertig van hen gereconstrueerd.

V.l.n.r.: Hidde van der Lijn, regisseur Nicoline van Harskamp, Mark Bellamy, cameraman Benito Strangio, Paula Juan Lima en Jelle van der Does geconcentreerd aan het werk in Jeugdland. Foto’s Bob Bronshoff

In Jeugdland zijn allemaal gestencilde postertjes aan de muren bevestigd; overal liggen anarchistische tijdschriften, manifesten en foldertjes over individuele vrijheid en gezamenlijke verantwoordelijkheden. Wie geen monoloog heeft, wordt verzocht zo veel mogelijk ‘in character’ op de set rond te lopen en met de andere ‘personages’ over hun gedeelde anarchistische verleden te praten.

Terwijl de opnames doorgaan, is in de keuken ‘actiekeuken Rampenplan’ bezig een vegetarische maaltijd te bereiden. “We wilden geen filmcatering”, zegt producente en filmmaker Bea de Visser. “Dat past hier niet bij. Normaal koken ze bij manifestaties. De koks zijn allemaal anarchist. Eén is tevens acteur, die doet ook mee aan de film.”

Dan wordt De Visser weggeroepen. Voor de deur staan hardlopers die zich willen omkleden en leden van een fanfare die in Jeugdland moeten repeteren. De hardlopers worden via de zijdeur naar binnen geleid, de fanfare moet maar eventjes wachten. De sfeer op de set wordt nóg wat anarchistischer, maar Van Harskamp laat zich er niet door van de wijs brengen. Ze staart geconcentreerd naar de monitor, en geeft haar acteurs dan opdracht voor een derde en laatste take. “Geluid, camera… en actie!” De Visser: “Ze regelt het allemaal zelf. Dat is het grote verschil tussen een regisseur uit de filmwereld en uit de kunstwereld.”

Yours in Solidarity (Nederland 2012) | Scenario, regie, montage en productie: Nicoline van Harskamp | Camera: Benito Strangio, Jelle Van Der Does | Uitvoerend producent: Bea De Visser/ Anotherfilm | Met: Paula Juan Lima, Brett Cabot, Ralph de Rijke, Hank Botwinik, Ronald de Bruin, René van Asten, Marike van Weelden, Karolina Joniec, Annette Hildebrand, Janna Fassaert, Mark Bellamy, Gusta Geleijnse, Catherine Lord, Carlos García Estévez, Dimitri Ivanov, Dic van Duin | Yours in Solidarity, tot stand gekomen met bijdragen van het Filmfonds en het Mondriaanfonds, gaat in première op Manifesta 9, de reizende biënnale voor hedendaagse kunst die van 2 juni t/m 30 september plaatsvindt in de voormalige kolenmijn Waterschei in Genk, België. Daarna is het filmpje onder meer te zien in Shanghai, Graz en Zagreb; over Nederlandse vertoningen worden nog besprekingen gevoerd.

10

06 2012

‘Het blote lichaam van Marcos – dat is de essentie’

De Mexicaanse regisseur Carlos Reygadas houdt zich graag van de domme en hij provoceert graag. Gevraagd naar zijn favoriete regisseur, tijdens een gesprek in Cannes (in 2005), noemt Reygadas Pierre Woodman, een Franse pornoregisseur met titels op zijn naam als Whores Riding en The Anal Sexplosion. En wat hij precies bedoelt met de minutenlange fellatio-scène aan het begin van Batalla en el cielo is niet van belang. Het gaat erom wat het publiek erbij voelt. ‘Bij een zonsondergang vragen mensen toch ook niet naar de betekenis? Of bij een concert. Het doet je iets of niet, maar niemand vraagt zich af waarom de strijkers invielen in de tweede akte. De meeste muziek staat nergens voor, betekent niets; het brengt alleen een bepaald gevoel over. Echte film is verwant met muziek, met de schilderkunst en met poëzie, maar de meeste films zijn tegenwoordig eerder een soort stripverhalen.’

Cinema is zijn manier om zichzelf uit te drukken, niet om iets over te brengen. ‘Ik maak wat ik moet maken. Niet omdat ik denk dat iemand het mooi zal vinden of het makkelijk zal begrijpen. Als dat het geval is: prima, maar ik houd er geen rekening mee tijdens het maken. Geen moment.’

Carlos Reygadas (Mexico City, 1971) is een kind van welgestelde ouders. Hij volgde een privéschool in Yorkshire, Engeland, studeerde rechten, en werkte voor de Mexicaanse overheid in Brussel. Daar besloot hij van de ene op de andere dag filmmaker te worden. Hij maakte Japón. De film ging begin 2002 betrekkelijk anoniem in wereldpremière op de laatste dag van het Rotterdams Filmfestival (Japón werd ondersteund door het Hubert Bals Fonds), werd een paar maanden later in Cannes bekroond met de Camera d’Or, de prijs voor het beste debuut, en maakte vervolgens een zegetocht langs tientallen festivals.

In Japón vertelt een man dat hij zelfmoord wil plegen. Hij laat de stad achter zich en huurt een kamer bij een oude, indiaanse vrouw in een afgelegen bergdorp. De man, een intellectueel, maakt er wandelingen door de woeste natuur; wat hij onderweg ziet – het afgerukte hoofd van een vogel, een varken dat wordt geslacht, neukende paarden – weerspiegelt zijn gemoed. Op de soundtrack klinken het Erbarme dich uit de Mattheus Passion en Cantus in Memoriam of Benjamin Britten van Arvo Pärt. Tot slot van zijn betekenisvolle tocht gaat hij naar bed met de oude, devote vrouw – Reygadas brengt het open en bloot in beeld. Waarom de vrijwel plotloze film Japón heet? Omdat filmtitels volgens Reygadas niet moeten verklaren, maar prikkelen. Japón had ook Liechtenstein of Paraguay kunnen heten.

De opvolger, Batalla en el cielo (Battle in Heaven), is een indringende, intuïtieve verhandeling over dood en liefde, seks en religie, (on)rechtvaardigheid, schuld en boete, die op velerlei manieren te interpreteren valt. De film werd geselecteerd voor de belangrijkste competitie van het festival van Cannes.

In Batalla en el cielo verbeeldt Reygadas net als in Japón de innerlijke strijd van een man, een primair reagerend type van middelbare leeftijd, afkomstig uit de lagere regionen om precies te zijn. De plaats van handeling is dit keer de stad: het hectische Mexico City.

In het begin van Batalla en el cielo is alleen het pokdalige, uitdrukkingsloze gezicht van die man in beeld. Hij heeft een baard en draagt een bril. Als de camera langzaam naar beneden beweegt, worden de zweetdruppels op zijn dikke lijf zichtbaar. Als de camera nog verder naar beneden beweegt, verschijnt een meisje in beeld. Ze zit geknield voor de man; haar mond om zijn stijve geslacht. De armen van de man hangen slap langs zijn gezette lijf. De camera zoomt in op de gesloten ogen van het meisje. Als ze ze opent, rollen er tranen naar beneden. Op de geluidsband klinken violen.

Marcos (gespeeld door Marcos Hernández, die ook al een rolletje had in Japón) heet de dikke man; hij werkt als chauffeur en klusjesman voor een welgestelde generaal en diens dochter Ana (Anapola Mushkadiz, die net als Hernández geen professioneel acteur is), een prachtig, verwend meisje dat zichzelf voor de lol prostitueert. Marcos doet alles wat zij van hem vraagt.

‘Het blote lichaam van Marcos – dát is de essentie voor mij. Zijn huid, zijn botten, de manier waarop hij staat. Mensen die zeggen dat ze alleen maar een blow-job zien, reageren net zoals mijn moeder die bij een voetbalwedstrijd 22 spelers tegen een bal ziet schoppen. Ik zie duizend-en-een dingen tijdens een wedstrijd, en kan er uren over praten.’

Hij snapt de ophef niet, veinst Reygadas. We zijn immers allemaal naakt onder de douche. En de meeste mensen hebben wel eens seks, en lang niet altijd met het licht uit of onder de lakens. ‘Maar als het in een film gebeurt, staat iedereen op zijn achterste benen. Ik vind dat hypocriet. Journalisten zouden filmmakers ter verantwoording moeten roepen als er géén seks in hun film zit. Eigenlijk ben ik de enige normale filmmaker.’

Na enig aandringen snapt Reygadas de ophef misschien toch wel een beetje. ‘Het is een taboe. Omdat het om sociale ongelijkheid gaat. Als de man een steenrijke drugdealer was, zou niemand gechoqueerd zijn. Iedereen zou denken dat het meisje een hoertje was. Het gaat me niet om het schandaal. Integendeel, het gaat mij erom het verwachtingspatroon van de kijker te doorbreken.’

Marcos vertelt Ana dat zijn vrouw een baby heeft ontvoerd, van kennissen nog wel, en dat het kind vanochtend is overleden. Nog voordat ze om losgeld hebben kunnen vragen. Later vermoordt hij haar, en sluit hij zich aan bij een pelgrimstocht, op zoek naar verlossing.

Er zijn volgens Reygadas veel mensen zoals Marcos in Mexico; ontvoering en moord zijn er aan de orde van de dag. ‘Veel mensen zijn slecht opgeleid en hebben geen kans gehad zichzelf te ontwikkelen.’ Maar Marcos is geen slecht mens, vindt Reygadas. Hij heeft alleen nooit geleerd hoe hij zijn problemen op een normale manier kan oplossen. ‘Het systeem bevordert, net zoals de natuur, onrechtvaardigheid. Maar niet alleen voor Marcos, niet alleen voor de armen en minderbedeelden. Uiteindelijk keert de onrechtvaardigheid zich ook tegen de mensen die er in eerste instantie van profiteren, zoals de mooie, rijke Ana. Onrechtvaardigheid is slecht voor iedereen.’

Toch is zijn film niet politiek, zegt Reygadas. En ook niet religieus. ‘Het gaat om de innerlijke strijd van een man. Die leert dat de instanties waarop hij denkt te kunnen vertrouwen, de staat en de kerk, hem ook niet kunnen helpen. Hij moet het zelf doen.’

Reygadas zwijgt een moment. Dan zegt hij het vreemd te vinden dat mensen altijd overal de exacte betekenis van willen weten. ‘Waarom klinkt er muziek van Bach bij de scène bij het benzinestation; wat betekent de titel; waarom hoor je de klokken niet luiden aan het einde van de film; is de film politiek? Die vragen worden me telkens weer gesteld, maar wat maakt het uit? Iemand legde mij uit dat Ana knielt alsof ze in de kerk is. Zo had ik het niet gezien, maar misschien heb ik er onbewust wel aan gedacht. Sommige mensen zien de fellatio-scène als een verbeelding van de klassenstrijd – dat vind ik óók een interessante gedachte. Mensen zijn zo bang dat ze iets missen, maar dat is helemaal niet aan de orde. De mening van de kijker is net zo belangrijk als die van mij: je moet voelen, vergeten waar je bent, je gedachten de vrije loop laten.’

Hij lacht: ‘Eigenlijk zou ik helemaal niets over mijn films moeten zeggen. Helaas lukt het me niet; ik hoor mezelf te graag praten.’

Batalla en el cielo van Carlos Reygadas, vrijdag 8 juni 23,55 uur, Nederland 2.

08

06 2012