Archive for March, 2011

‘Ik ben overal’

‘Dit verhaal had ik nooit als boek kunnen schrijven. Het eerste idee was een beeld, geen woorden of zinnen. Het was het beeld van een vrouwengezicht. Grauw en grijs. Triest. Verwoest na jaren gevangenis. Ik wil laten zien hoe de gevangenis een mens kapot maakt.’

Philippe Claudel (Dombasie-sur-Meurthe, 1962) maakte naam als romanschrijver, met romans als Het kleine meisje van Meneer Linh, De wereld zonder kinderen en Rivier van vergetelheid. Eerst in Frankrijk en sinds de historische thriller Les âmes grises (in Nederland door de Bezige Bij uitgegeven als Grijze zielen), ook buiten zijn thuisland. Les âmes grises werd onderscheiden met de Prix Renaudot; de Franse boekhandelaars verkozen het tot boek van het jaar. De kritieken waren lovend – ook in Nederland – en het boek vloog de toonbank over.

Claudel is niet alleen schrijver; hij gaf les in de gevangenis en werkt al jaren als literatuurdocent aan de Universiteit van Nancy. En hij schrijft scenario’s. ‘Ik heb de afgelopen tien jaar talloze scripts geschreven, voor verschillende producenten en regisseurs. Maar aanvankelijk werd geen van mijn scenario’s verfilmd’, vertelde Claudel op een persdag in de bibliotheek van het Amsterdamse schrijvershotel Ambassador.

De omslag kwam in 2002, toen Yves Angelo Sur le bout des doigts regisseerde naar een script van Claudel. Diezelfde Angelo verfilmde in 2005 ook Claudels roman Les âmes grises, eveneens op basis van een script van Claudel. Il y a longtemps que je t’aime is de eerste film die Claudel zelf regisseerde. ‘Toen ik dit script schreef, wist ik direct dat ik het zelf wilde verfilmen. Dit verhaal is belangrijk voor mij.’

Zijn eerste kennismaking met het filmvak was tijdens zijn studie literatuur. ‘Met wat andere studenten heb ik destijds een aantal korte films gemaakt. Heel slechte films. Ze bestaan niet meer, gelukkig. Toch heb ik er veel van geleerd, denk ik. Of je nu korte film maakt met drie vrienden of een grote film met een beroemde actrice, het komt in principe op hetzelfde neer; je hebt hetzelfde probleem: hoe vertaal je een idee dat jij in je hoofd hebt zitten naar beelden die begrijpelijk en meeslepend zijn voor het publiek.’

Niet alleen de overstap van kleine filmpjes naar een dure productie viel Claudel eenvoudig, ook de verschillen tussen schrijven en films maken, weet hij eenvoudig te benoemen. ‘Als ik een boek schrijf, heb ik de gezichten niet scherp voor ogen. Dan werk ik stap voor stap, en weet ik zelf ook niet precies waar ik uitkom. Bij een script kan dat niet, daar is meer structuur voor nodig. Als je een producent ontmoet en je zegt ‘ik heb een idee, maar ik weet nog niet precies waar het toe leidt’, sta je in een mum van tijd weer op straat.’

Dat is het zo’n beetje, verder ziet Claudel vooral veel overeenkomsten: ‘Als ik een roman schrijf, beschrijf ik een gezicht. Als regisseur doe ik hetzelfde door de camera te bewegen, met licht te spelen en muziek te gebruiken. Dat werkt hetzelfde als inkt; je kunt er heel precies emoties mee vangen. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik nu de keuze heb: om van het ene idee een film te maken en van het andere een boek. Ik heb nu twee manieren om mezelf uit te drukken.’

In zijn romans draait het meestal om mannen; in Il y a longtemps que je t’aime gaat het om twee zussen, gespeeld door Kristin Scott Thomas en Elsa Zylberstein. ‘Het is een hommage aan de vrouw. En toch is er ook veel ruimte voor mijzelf. Niet in een personage, maar in allemaal. Iedereen heeft wel iets van mij, ook de vrouwen. Ik ben overal. Dat heb ik niet bewust gedaan. Ik merkte het pas toen ik de film voor de vierde of vijfde keer zag. ‘Hee, dat ben ik. Ha, dat ben ik ook.’

Dat de jongste zus, Léa, gespeeld zou worden door Elsa Zylberstein was al snel duidelijk voor Claudel. ‘Ik ken haar persoonlijk en wilde heel graag met haar werken.’ De keuze voor Kristin Scott Thomas als Juliette, de oudste zus die na jaren uit de gevangenis komt, had meer voeten in aarde. ‘Zij woont al 25 jaar in Frankrijk. Kristin was getrouwd met een Fransman en heeft kinderen die in Frankrijk wonen, maar ze heeft nog nooit een grote rol in een Franse film gespeeld.’

Scott Thomas wordt meestal gecast als ‘ijsvrouw’, meent Claudel; als ‘mooie, klassieke schoonheid’. ‘Dat vind ik niet zo interessant. Toen ik haar ontmoette, zei ik dat ik haar juist niet glamoureus wilde portretteren, maar sterk en hard. Ze zei direct: oké, geen probleem. Dat had ik eigenlijk niet verwacht. Tijdens de opnamen is ze daar nooit op terug gekomen. Voor de meeste actrices is make-up een tweede huid, en zeker voor actrices die geen twintig meer zijn. Maar Kristin durfde, zij had er geen enkel probleem mee.’

Het was ook essentieel, aldus Claudel. Hij wilde een vrouw laten zien die moeite heeft haar plek in de wereld terug te vinden. Die het vreemd vindt om op straat te lopen of iets te drinken in het café. ‘Deze vrouw is haar schoonheid vergeten, ze is grijs en gesloten.’

Aan het einde van Il y a longtemps que je t’aime maakt Claudel duidelijk waarom Juliette in de gevangenis heeft gezeten en waarom zij is zoals ze is. ‘Ik heb geen moment overwogen niet te vertellen welk geheim Juliette met zich mee draagt; ik wilde geen portret maken van een vrouw zonder geweten. Dus moest ik haar onmogelijke keuze wel verduidelijken. Zodat de kijker zich in haar kan verplaatsen, en zich kan afvragen wat hij of zij zelf zou doen.’

Il y a longtemps que je t’aime van Philippe Claudel. Vrijdag 1 april, 23.00 uur, Nederland 2.

31

03 2011

Gezien – strakke (Oger)pakken en blote dijen

In Jan & Saskia over liefde en seks beantwoorden Playboy-hoofdredacteur Jan (Heemskerk) en thrillerschrijfster Sas(kia Noort) elkaars prangende vragen als ‘waarom zijn vrouwen nooit gelukkig met hun lichaam?’en ‘waarom willen mannen zo graag aanpappen met jonge hertjes?’.

De bundeling van de eerder in LINDA. verschenen columns is door uitgeverij Podium voorzien van een opvallende cover: een vrijwel exacte kopie van de filmposter van Doug Limans Mr. & Mrs. Smith uit 2005, een actiefilm rond de supersterren Angelina Jolie en Brad Pitt. Met dank aan Oger, staat te lezen in het colofon, waarin met geen woord wordt gerept over het origineel.

Dat kwam overigens ook niet helemaal uit het niets: Ashley Judd leunde in 2001 al even bevallig tegen het linker kader om de romantische komedie Someone Like You aan te prijzen. En Brenda Matthijs merkte terecht op dat Richard Gere en Julia Roberts in 1990 al een voorzetje deden op het iconische affiche van Pretty Woman.

Het coverbeeld vult ook de Jan & Saskia-posters die momenteel in de stad hangen. ‘In de boekhandel’ staat er in chocoladeletters boven; mensen mochten eens naar de bioscoop rennen. De poster is wat ruimer aangesneden dan de boekcover, waardoor Sas d’r voet in het niets zweeft.

En bijna hetzelfde beeld werd eerder ook gebruikt om de try-out van De Sas & Jan Zelfhulptour onder de aandacht van de LINDA.-lezeressen te brengen. Alleen had Saskia op dat beeld nog een rode föhn in haar hand, en Jan een klopboor in plaats van een elektrische schroevendraaier. Naar het waarom kan slechts worden gegist…

Het Mr. & Mrs. Smith-stramien werd al vaker gekopieerd. De Japanse spoof Nankai Paradise bediende zich recent van hetzelfde stramien, net als de Marokkaanse komedie Bobbos. Waarom? Omdat het er zo lekker gelikt uitziet, waarschijnlijk.

De rubriek Gezien verschijnt iedere woensdag in PS Kunst van Het Parool.

30

03 2011

Survival of the fittest op het schoolplein. En in de echte wereld

Cady woonde twaalf jaar in donker Afrika. Op haar zestiende gaat ze voor het eerst naar een gewone Amerikaanse school, en ontdekt ze dat ‘the survival of the fittest’ niet alleen in de jungle geldt. Een dikke homo en een vreemd gothic-meisje ontfermen zich over de nieuwkomer, maar Cady raakt danig van de kook als ook de zogenaamde ‘plastics’ interesse in haar veinzen – drie manipulatieve fashion victims, die alleen maar praten over jongens, kleren en calorieën. In razend tempo verandert het naïeve meisje zelf ook in een bitch, om na een therapeutische bijeenkomst in de gymzaal weer terug op aarde te belanden. Je moet jezelf blijven, is de les van de highschoolkomedie Mean Girls, die vooral het aanzien waard is door de prettige verschijning van hoofdrolspeelster Lindsay Lohan.

Dat was toen. De carrière van Lohan ging als een komeet. Ze was te zien in Confessions of a Teenage Drama Queen en speelde in Herbie: Fully Loaded (naar verluidt werden haar borsten na protesten van ouders na testscreenings digitaal verkleind). Ze was op dreef in Robert Altman’s zwanenzang A Prairie Home Companion en heeft een klein maar fijn rolletje nog in Bobby.

Maar haar carrière raakte in het slop, en Lohan haalde het nieuws alleen nog maar vanwege drank, drugs en feestjes, rijden onder invloed, astma-aanvallen en anorexia, winkel- en kledingdiefstal, een lesbische relatie en bezoeken aan de Betty Ford-kliniek. Het leven van een kindsterretje valt nog niet mee.

Mean Girls van Mark Waters. Woensdag 30 maart, 22.30, RTL5.

30

03 2011

Bewonderenswaardig geklaag

‘Accentuate the negative’, luidt de ondertitel van Ghost World. Het is de favoriete bezigheid van de pubermeisjes Enid en Rebecca. Het jodinnetje en haar arische vriendin, zoals een klasgenoot hen noemt, vinden iedereen té dom, té stom of anderszins minderwaardig, en laten dat weten ook.

Enid en Rebecca zijn net klaar met High School. De grotemensenwereld wacht, maar de twee moeten er niks van weten. Hun vakantie brengen ze samen door, in de gezapige buitenwijk van Los Angeles waar ze al hun leven lang wonen. Ze drinken er koffie in obscure diners, vallen bekenden en wildvreemden lastig in het winkelcentrum en de platenwinkel, of slenteren samen op straat.

Ghost World, losjes gebaseerd op Daniel Clowes gelijknamige ‘graphic novel’ die tussen 1993 en 1997 verscheen in het blad Eightball, is het speelfilmdebuut van Terry Zwigoff, die eerder een veelgeprezen documentaire maakte over cult-tekenaar Robert Crumb.

Tekenaar Clowes en documentairemaker Zwigoff zijn jaren bezig geweest hun film gemaakt te krijgen, maar de ene na de andere studio wees het eigenzinnige duo de deur. De studio’s wilden minder cynische meisjes, andere hoofdrolspelers en, natuurlijk, een happy end. Dat was uitgesloten; het echte leven is immers ook geen aaneenschakeling van hoogtepunten, aldus Clowes.

Uiteindelijk ontfermde John Malkovichs productiemaatschappij Mr. Mudd zich over het project, en konden Clowes en Zwigoff ongestoord hun gang gaan. Het resultaat is een verademing; een wonder van diepgang dat tienerkomedies en coming of age-films als American Pie en Varsity Blues in een keer doet vergeten.

In Ghost World wordt duidelijk hoe het is om overal buiten te vallen. De compromisloze Enid Coleslaw (een anagram van Daniel Clowes) vindt geen gehoor bij haar alleenstaande vader, niet bij haar klasgenoten, en uiteindelijk ook niet bij haar beste vriendin Rebecca – die net iets pragmatischer blijkt dan Enid, en wél op zoek gaat naar een baan en een huis.

In de strip lopen de donkerharige, zwaar-bebrilde Enid en de blonde, knappere Rebecca elk hoofdstuk een andere weirdo, loser of misfit tegen het lijf. In de film zijn de meesten samengebracht in één nieuw personage: Seymour, een vrijgezelle, contactgestoorde, dwangmatige verzamelaar van 78-toerenplaten. Het is een geslaagde aanpassing, die de film minder fragmentarisch maakt zonder dat er iets van de sfeer verloren gaat.

Ook andere aanvullingen pakken goed uit: het gifgroen uit de strip maakte plaats voor primaire kleuren, de soundtrack bevat prachtige jazz en blues uit de jaren twintig, de casting had niet beter gekund.

Thora Birch (de opstandige puber in American Beauty) als de sarcastische, non-conformistische Enid en Scarlett Johansson als de weifelende Rebecca zijn overtuigende soul-mates van Holden Caulfield, uit J.D. Salingers Catcher in the Rye. Hun klagen is bewonderenswaardig, hun oogopslag superieur.

Maar het best is Steve Buscemi, die zo uit Clowes’ strip lijkt weggelopen. Zijn Seymour is even treurig als monter (‘He’s such a clueless dork, he’s almost cool’, aldus Enid), en maakt het te vergeven dat Rebecca langzaam maar zeker op het tweede plan verdwijnt.

De (te) kleine rol van Rebecca is eigenlijk de enige kanttekening bij een meesterlijke stripbewerking, waarin alle ruimte is gelaten voor Clowes’ prachtige details, fraaie dialogen, rake observaties over trends, kunst, consumentisme en discriminatie, én onbenullige voorvallen (een man in de videotheek vraagt om Fellini’s 8 1/2 en krijgt Nine 1/2 Weeks).

Echte mensen, met echte problemen, waarvoor geen pasklare oplossing bestaat – heerlijk!

Ghost World van Terry Zwigoff, zaterdag 26 maart om 23:00 uur op RTL 8.

26

03 2011

Nagespeelde werkelijkheid

Vanavond om 23:00 uur wordt op Nederland 2 The Road to Guantánamo uitgezonden, een film als een mokerslag, geregisseerd door Michael Winterbottom en Mat Whitecross. Volgens de omroepgidsen is het een documentaire, maar dat is het niet. Het is een speelfilm, vermomd als documentaire. Ik sprak Winterbottom begin 2006, direct na de wereldpremière op het filmfestival van Berlijn, waar The Road to Guantánamo werd onderscheiden met een Zilveren Beer voor de regie.

‘Ik hoop dat deze film de mensen helpt beseffen hoe krankzinnig het is wat er gebeurt in de kampen in Guantánamo. Als je vijf jaar geleden zou hebben gezegd dat Amerika er zulke praktijken op na hield, zou je voor gek worden uitgemaakt. Nu wordt het al bijna normaal gevonden; er zitten nog steeds honderden mensen gevangen op Cuba. Ze zijn vrijgelaten, maar deze jongens is nooit recht gedaan. We denken niet dat de machthebbers hun fouten zullen toegeven, wel hopen we dat we de publieke opinie kunnen beïnvloeden.’

Slechts één doel hadden de regisseurs Michael Winterbottom en Mat Whitecross met The Road to Guantánamo: zij wilden de wereld laten delen in hun verontwaardiging over het bestaan van Guantánamo, een kamp waar mensen gevangen worden gehouden zonder dat ze formeel ergens van zijn beschuldigd, en zonder dat ze contact mogen hebben met hun familie of met advocaten. Om dat doel te bereiken, worden alle middelen ingezet.

The Road to Guantánamo is gebaseerd op de waargebeurde geschiedenis van vier jonge jongens uit het Midden-Engelse Tipton. Shafiq Rasul, Ruhal Ahmed, Asif Iqbal en Monir Ali vertrokken kort na 9/11 naar Pakistan, waar een van hen zou gaan trouwen. Om geld uit te sparen overnachtten ze in een plaatselijke moskee, waar ze werden opgeroepen hun noodlijdende moslimbroeders in Afghanistan te helpen. Toen ze in Kandahar arriveerden, was de oorlog uitgebroken. In de chaos raakte Monir zoek – tot op de dag van vandaag is niets meer van hem vernomen. De drie anderen belandden via de Noordelijke Alliantie in handen van Amerikaanse militairen, die ervan overtuigd waren dat ze terroristen waren.

Ze werden naar de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay gevlogen, en ruim twee jaar gevangen gehouden in Camp X-Ray en Camp Delta. Daar kregen de drie herhaaldelijk een video te zien waarop ze in gezelschap zouden verkeren van Osama Bin Laden en Mohammed Atta, het brein achter de aanslagen op 11 september. Na maandenlang dezelfde beschuldigingen te hebben aangehoord over hun lidmaatschap van Al Qa’ida bekenden ze alle drie. Niet veel later kwam de Engelse inlichtingendienst met het bewijs dat de jongens in Engeland waren toen de video met Bin Laden was opgenomen. Een maand later waren de ‘Tipton Three’ weer thuis.

Winterbottom en Whitecross doen er alles aan de geschiedenis van de drie zo geloofwaardig mogelijk te maken. Zij vertellen hún verhaal; getuigen à charge worden niet opgevoerd. Winterbottom: ‘We wilden verbeelden hoe hun reis moet zijn geweest. De kijker moet voelen wat zij gevoeld moeten hebben. Dit is volgens ons de beste manier om hun verhaal te vertellen.’

De researchinterviews die co-regisseur Whitecross met de drie jongemannen maakten, vormen het hart van de film. Hun pratende hoofden worden doorsneden met scènes waarin de verhalen worden nagespeeld (in een nagebouwd kamp in Teheran; net als in Winterbottoms In This World door niet-professionele acteurs).

De camera schokschoudert alsof de filmmakers tussen de inslaande bommen stonden. Met tijd- en plaatsbepalingen lijkt Winterbottom te willen benadrukken dat alles echt zo is gebeurd; ook de tv- beelden, onder meer van Al Jazeera, dragen bij aan het realisme.

Het citaat van Bush waarmee de film vilein begint, is alleszeggend: ‘Het enige wat ik zeker weet is dat dit slechte mensen zijn’. Toch is zijn film niet anti-Amerikaans, meent Winterbottom. ‘In Amerika zijn er ook mensen die schande spreken van het bestaan van de gevangenkampen in Guantánamo, net zoals in Engeland en de rest van de wereld. Wij zeggen niet dat alle Pakistani goed zijn en alle Amerikanen slecht. Wij willen laten zien dat het onvoorstelbaar is dat Guantánamo nog steeds bestaat, een kamp waar mensen gevangen worden gehouden zonder dat ze formeel ergens van zijn beschuldigd, en zonder dat ze contact mogen hebben met hun familie of met advocaten.’

25

03 2011

“Kan het ook anders?”

Rudi Fuchs geschilderd door Karel Appel. Het portret uit 2005 siert het omslag van Kijken. Een leesboek over kunst.

“Wij leven in een tijd dat je onmiddellijk moet zeggen wat je van iets vindt. Maar waarom eigenlijk? Dat is voor de Tweede Kamer… De minister zegt dit en dat… wat vindt u? En kort graag! Hans van Mierlo was iemand die nog eens kon zeggen: daar moet ik even over nadenken. Als je dat nu zegt, ben je dood. Dat is een enorm verlies van reflectie. Ik hoop dat mijn stukjes mensen eraan helpen herinneren dat je voor sommige dingen de tijd moet nemen. Als ik iets zou willen meedelen dan is het dat: neem de tijd voor dingen. Dat verrijkt het leven.” Hij lacht. “Met eten is het hetzelfde. Van snel eten krijg je indigestie en maagproblemen en je gaat scheten laten. Ik ben voor slow art.”

Deze week verscheen Kijken. Een leesboek over kunst, een bundeling van de essays die Rudi Fuchs schreef voor De Groene Amsterdammer. Het zijn ‘stukjes’ over kunst, zoals Fuchs ze in zijn voorwoord noemt, waarin hij ‘in de luim van de dag’, naar kunst kijkt en de lezer op weg helpt kunst te lézen, verbanden te ontdekken tussen oude en nieuwe kunst en tussen genres onderling.

Fuchs (Eindhoven 1942) was directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven (1975-1987), het Haags Gemeentemuseum (1987-1993) en het Stedelijk Museum in Amsterdam (1993-2003). Internationaal verwierf hij bekendheid als organisator van Documenta 7 te Kassel; van 1984 tot 1990 was hij artistiek directeur van het Museo d’Arte Contemporanea in Turijn. Sinds 2005 is Fuchs de eerste hoogleraar ‘Kunstpresentatoren’ aan de Universiteit van Amsterdam; vanaf de zomer van 2009 schrijft hij wekelijks over kunst in De Groene.

Fuchs, op de bank van zijn woning in Oud-Zuid: “Ik zit vaak twee dagen op zo’n stukje te pielen. Twee dagen… op 800 woorden… Journalistiek gezien is dat tijdsverspilling, maar ik vind het heerlijk. Is iets ‘strak’ of ‘straf’ of ‘stevig’? Daar kan ik dan uren op kouwen. Dat doet me genoegen, daar beleef ik echt plezier aan. Zoals andere mensen het leuk vinden om te tennissen of te tuinieren, kan ik uren met woorden bezig zijn.”

Read the rest of this entry →

23

03 2011

‘Er ontstaat altijd iets speciaals’

“Kijk nou! Die kleuren: geel, oranje, rood… Dit vind ik heel mooi… Wat het precies vertelt? Geen idee, maar ik kan er uren naar kijken.”

Filmmaker David Lammers ontwikkelde met interactief ontwerpster Dima Stefanova The Scene Machine, een interactieve filminstallatie waarmee op associatieve wijze kennis kan worden gemaakt met de filmcollectie van EYE (voorheen het Filmmuseum). De ‘machine’ is gevuld met honderden filmfragmenten: drama en documentaires, reportages, reclamefilms en home movies; kleur en zwart/wit, animatie en live action. Met behulp van trefwoorden (van hoofddeksel en huwelijk, socialisme en special effect tot propaganda en prostitutie) kan de gebruiker het apparaat steeds weer andere combinaties van die filmbeelden laten maken. “Soms moet je even geduld hebben, maar er ontstaat altijd iets speciaals.”

Lammers is niet de eerste die je verwacht bij een installatie met archiefmateriaal. Hij studeerde in 2001 af aan de Filmacademie met De laatste dag van Alfred Maassen, die vervolgens een Gouden Kalf won en als eerste Nederlandse film werd geselecteerd voor de Cinéfondation van het festival van Cannes, de competitie voor aanstormend talent. In 2006 maakte hij zijn speelfilmdebuut met Langer licht, recent regisseerde hij twee afleveringen van de VPRO-serie Bellicher; de Macht van Meneer Miller.

“Ik was een beetje geobsedeerd door die eindeloze beeldenstroom op YouTube,” aldus Lammers, “Iedereen kan tegenwoordig films maken. Veel is prutswerk; eendimensionale meuk. Maar sommige van die filmpjes, op een zolderkamertje gemaakt door amateurs, zijn veel en veel beter dan het werk van zogenaamde professionals. Er is zo veel. En dat verandert ons kijkgedrag. Daar wilde ik iets mee doen.”

Samen met Stefanova maakte Lammers een demo waarmee beelden van YouTube naast elkaar kunnen worden gezet; Stefanova bedacht vervolgens dat de applicatie ook van nut zou kunnen zijn om de beeldarchieven van filminstituten te ontsluiten. EYE was direct geïnteresseerd; de webapplicatie wordt een onderdeel van de binnenkort te lanceren website FilminNederland.nl, waarop de Nederlandse filmgeschiedenis voor het publiek toegankelijk wordt.

Lammers bracht enkele maanden door in de archieven van het Filmmuseum. “Ik heb zo’n beetje alle Nederlandse speelfilms tot 1950 gezien, de mooiste fragmenten eruit gepikt en die allemaal voorzien van minimaal vier tags. Er zijn bijna 150 categorieën. De categorie ‘brief’ is heel groot, in vroege films wordt veel verteld met brieven. ‘Hoofddeksels’ zijn er ook veel; bijna iedereen droeg een hoed in die tijd.”

Bij elk fragment staat vermeld uit welke film het afkomstig is en wie de regisseur is. Lammers’ favoriete fragment is getiteld Eenige snapshots uit de dagelijkse beslommeringen der Familie Alsem, een verzameling familiefilmpjes uit de periode 1920-1944. Hij plaatst een houten blok op de lichttafel, na enige minuten verschijnt een fragment van een jonge vrouw op het scherm. “Kijk… die overbeet. Die bontkraag en dat mutsje. Hier smelt ik van. Ik heb er de tags ‘hoofddeksel’ en ‘poseren’ aan geplakt. En ‘bloem’. Kijk maar, er staat een vaas bloemen naast haar.”

Het apparaat kan worden uitgeprobeerd in EYE in het Vondelpark en thuis op de computer. Het is de bedoeling dat ook de gehele films (tegen betaling) online beschikbaar worden. Of er ook meer recente films in het apparaat worden verwerkt, weet Lammers niet. “Het ligt moeilijk met de rechten. Misschien is het ook maar beter; het zou denk ik wel een beetje pijn doen als mijn eigen films worden vermalen voor The Scene Machine. Aan de andere kant: op YouTube worden speelfilms verknipt tot eenminutenfilmpjes, er worden fake-trailers gemaakt, mijn films worden ook gedownload. Je kan wel zeggen dat je dat niet wilt, maar dat is helemaal niet meer aan de orde.”

De webapplicatie is te bekijken op www.scenemachine.nl.

23

03 2011

Een fragiel, van nostalgie doordrenkt bouwwerk

Ruim tien jaar geleden was ze the next best thing van de vaderlandse kunstwereld: de piepjonge Marenka Gabeler, die grote foto’s van zichzelf in Engels kostschooltenue maakte. Wat hielp: het befaamde Engelse kunstenaarsduo Gilbert & George ondersteunde het project van de Nederlandse, die via een uitwisselingsproject in Londen was terechtgekomen.

Vervolgens werd het even snel weer stil. Terwijl Gabeler bepaald niet stil zat. In 2006 studeerde ze cum laude af aan de Royal College of Art, vorig jaar maakte ze met Amanda Loomes de film Kleine overwinningen ter gelegenheid van de Lung Cancer Awareness Month, en nu heeft ze haar eerste Nederlandse solo-expositie, Musings, bij Marian Cramer Projects in Oud-Zuid.

In verschillende kamers van de ‘home gallery’ hangen haar gelaagde schilderijen, tekeningen en foto’s van onbestemde gezichten, verdwaalde meubelstukken en lege landschappen. Op een tafel ligt een zelf gebonden boek, met uitgelopen inkttekeningen van vormen die het midden houden tussen bloesems en hersenen. Voor de voormalige garage van Cramers huis maakte Gabeler de installatie Fireplace; een nieuwe versie van een 18e-eeuwse schouw die eerder al in Londen te zien is geweest.

Op de schouw staan een parfumflesje en twee potjes nagellak tussen kleine doeken, tekeningen en verkleurde foto’s van orchideeën en vervallen huizen en kamers. Er staan oude ansichtkaarten, de half vergane kaft van een opschrijfboekje en een omgekeerd fotolijstje. Uit een schilderijtje van een gezicht zijn de ogen geknipt (wat herinneringen oproept aan haar ‘mask project’ uit 2006, waarvoor ze twee weken door Londen liep met een masker op); op een ander doek staat een hoofd waaruit bloemen groeien. Voor de open haard staat een grote bos tulpen, in de haard hangt een klein schilderijtje dat veel wegheeft van een Delfts blauw tegeltje.

De recente dood van haar Indische oma en de alzheimer van haar andere, Friese oma waren de belangrijkste inspiratiebronnen voor het fragiele, van nostalgie doordrenkte bouwwerk, dat als vanzelf werelden opent, herinneringen oproept. De associatieve werken kunnen tevens worden gezien als onderzoek naar het medium zelf. Vrij naar de Franse criticus, filosoof en schrijver Roland Barthes, die een portret van zijn moeder als klein meisje, genomen in de serre van haar ouderlijk huis, als uitgangspunt nam voor een studie over de werking van fotografie.

Musings van Marenka Gabeler. T/m 20 april in Marian Cramer Projects, Chopinstraat 31. Op afspraak.

23

03 2011

‘Het is meer Moby Dick dan de Bijbel’

Hoofdrolspeler Daniel Day-Lewis en schrijver-regisseur Paul Thomas Anderson op de set van There Will Be Blood.

‘Alle parallellen met het heden – de oorlogen om olie; de conflicten tussen gelovigen en ongelovigen – zijn niet bewust gekozen. We hebben Michael Moore al, en die doet het goed’, vertelde regisseur Paul Thomas Anderson op een ‘minipersconferentie’ op het festival van Berlijn, waar zijn film There Will Be Blood begin 2008 te zien was, kort voordat hij werd bekroond met twee Oscars.

There Will Be Blood is, na Hard Eight (1996), Boogie Nights (1997), Magnolia (1999) en Punch-Drunk Love (2002) de vijfde lange speelfilm van de Amerikaanse regisseur Paul Thomas Anderson (Studio City, Californië, 1970), en vertelt de geschiedenis van Daniel Plainview, een avonturier-entrepeneur à la Charles Foster Kane in Orson Welles’ meesterwerk Citizen Kane, die aan het begin van de 20ste eeuw na een lange en eenzame zoektocht naar zilver per toeval op olie stuit in Californië. Met zijn innemende stiefzoontje aan zijn zijde breidt hij zijn imperium snel uit, en weet hij zich op te werken tot een van de rijkste mannen in Amerika.

Het maken van een film vertoont volgens Anderson overeenkomsten met het zoeken naar zilver of het boren naar olie. ‘Je weet nooit of het iets wordt, en toch ga je door. En als het er dan op lijkt dat je succes zult hebben, kun je buitengewoon hebberig worden, soms zelfs ten koste van je familie en je vrienden. Maar anders dan de hoofdpersoon in mijn film, ben ik weer terug op aarde. Mijn leven werd na de opnamen weer redelijk normaal.’

There Will Be Blood is losjes gebaseerd op Upton Sinclairs Oil! uit 1927. Anderson vond de vuistdikke bestseller in een tweedehandsboekwinkel in Covent Garden, Londen. ‘De titel was gezet in grote, rode letters, en op de cover stond een mooi plaatje van Californië. Ik was in Londen en had heimwee, en vond een boek dat zich afspeelt in een gebied dat ik goed ken. Dat kan geen toeval zijn, ik kon het niet laten liggen. Ik had hulp nodig voor dit verhaal. Het lukte me niet in mijn eentje.’

Sinclairs ruim 500 pagina’s tellende boek beschrijft gedetailleerd hoe een ondernemer een oliepomp op een stuk grond wil neerzetten, en in conflict komt met een priester die er een kerk wil bouwen. ‘Maar na 150 pagina’s verdwijnt dat verhaal naar de achtergrond. Sinclair is vooral geïnteresseerd in politiek. Zijn boek behelst niet alleen de oliebusiness aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, maar gaat ook over de Russische revolutie, over Hollywood en Washington D.C. Het is onmogelijk dat allemaal in een film te stoppen. Daarom besloot ik er mijn eigen richting aan te geven.’

Anderson bezocht oliemusea in Californië en bestudeerde de biografieën van vermaarde oliemannen, zoals Edward L. Doheny, Harry Sinclair en Jean Paul Getty. ‘Als je er een gelezen hebt, ken je ze allemaal. Hun verhalen lijken sterk op elkaar. Ze trekken naar het wilde westen, op zoek naar zilver en goud, stuiten op olie en maken een fortuin. En ze lopen bijna allemaal slecht af. Met schandalen, moord, zelfmoord, in de gevangenis, noem maar op.’

Bij de referenties naar de Bijbel – van de filmtitel tot de naam van de hoofdrolspeler – wenst Anderson ook niet al te lang stil te staan (‘Het is meer Moby Dick dan de Bijbel’); voor de parallellen met het heden – de huidige oorlogen om olie; de conflicten tussen gelovigen en ongelovigen – zegt hij ook niet bewust te hebben gekozen. ‘We hebben Michael Moore al, en die doet het goed.’

‘In de introductie van zijn boek stelt Sinclair ook al dat de geschiedenis zich herhaalt. Dat schreef hij 80 jaar geleden. Het is een verhaal van alle tijden. Een verhaal dat altijd kan worden verteld. Natuurlijk, de echo’s zijn niet te ontkennen. Maar ons uitgangspunt was een veel persoonlijker verhaal te vertellen, niet om het publiek een les te leren over de wereld waarin we leven. We hebben juist willen vermijden in parallellen en allegorieën verstrikt te raken. Maar ik ben niet dom. Ik weet wat er speelt in de wereld.’

There Will Be Blood van Paul T. Anderson. Woensdag 23 maart, 20:40 uur, Canvas.

22

03 2011

De Amerikaanse droom aan gort geflitst

Een man met lange haren en een forse snor ligt onderuit op een bed in een smoezelige hotelkamer. Hij draagt een spijkerbroek en een wit T-shirt met een rode Vodafone-reclame. In zijn linkerhand houdt hij de afstandbediening. In het belendende toilet staat, met de deur open, een jongen te plassen. De bril is omhoog, dat valt mee.

Het lijkt een foto van de Tokkies, of een still uit een film van de Oostenrijker Ulrich Seidl. Het is een ‘familiekiekje’ van de Vlaamse fotograaf Jimmy Kets. Hij is gemaakt tijdens een trip naar een thuiswedstrijd van Manchester United, de favoriete club van zijn vader; de jongeman in boxershorts is Jimmy’s broer.

Zelf heeft Kets niets met voetballen, daar was het hem ook niet om te doen. Kets (Lier, 1979) reist de wereld over om de mens te fotograferen die zijn leven probeert vorm te geven; mannen en vrouwen op zoek naar geluk en vermaak. Op eroticabeurzen, autoshows en kermissen; in dierentuinen, nachtclubs en casino’s. Zonder aanzien des persoons, zo maakt de foto van zijn vader en broer duidelijk. Tegelijkertijd veroordeelt Kets niets of niemand. Zijn blik is er een met mededogen; zijn foto’s tonen wat de mens tot mens maakt.

Veel beelden zijn goed voor een grote grijns. In de dierentuin van Peking fotografeerde Kets een jochie in een zwart-wit gestreepte trui, op het moment dat hij gehurkt een zebra fotografeert. Op het strand van Benidorm viel zijn oog op een net iets te dikke vrouw met lichtverbrande benen, die in een hoog opgehesen bloemetjesbikini de Story ligt te lezen. Haar gezicht gaat schuil achter dat van Katja Schuurman, over wie het verhaal gaat (‘De keerzijde van de roem’). Er is niets bewerkt en niets in scène gezet. Kets was er op het juiste moment, waarop precies genoeg getoond én gemaskeerd wordt. Alsof de zon niet fel genoeg scheen, flitste hij ook nog maar eens in: knallende kleuren zijn het resultaat.

Brightside, zoals de twee jaar geleden gerealiseerde reeks heet, is nu in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond te zien samen met nieuw werk: Shot in Flanders. Het is meer van hetzelfde, maar dat is in dit geval geen enkel bezwaar: elke foto is raak. In Shot in Flanders focust Kets op Amerikaanse symbolen in Vlaanderen. Mythes en clichés, maar met een twist.

Kets fotografeerde Elvis Presley, getatoeëerd op de kuit van een vrouw op een hondenshow, een plastic machinegeweer onderin in een hippe kinderwagen, en een jukebox in een bruin café. Op een uitdragerij zag een blauwe replica van het Vrijheidsbeeld staan. Uit de toorts komt een stekker, maar een lamp zit er niet in.

Ronald McDonald fotografeerde Kets van achteren, half verscholen achter een gifgroen struikgewas en tegen een donkere hemel; hij lijkt wel een kinderlokker. Een witte limousine, symbool van glitter en glamour, staat verweesd op een troosteloze parkeerplaats, voor een betonnen hek dat kapot is.

Het mooist is Kets’ verbeelding van de cowboy. Het icoon van de ultieme vrijheid is een Dik Trom-achtig joch in een kiel, dat fier met zijn cowboyhoed zwaait terwijl hij rondjes draait op een speelgoedpaard. De illusie aan duigen. De Amerikaanse droom aan gort geflitst.

Brightside / Shot in Flanders van Jimmy Kets. T/m 17 april in De Brakke Grond. www.brakkegrond.nl.

21

03 2011