Archive for April, 2010

‘Gewoon eerlijk je zin doen’

Eindhoven Airport, 6 augustus 2006 © Joost van den Broek

Guus Dubbelman, vaste freelance-fotograaf bij De Volkskrant, deed kort geleden zijn beklag over het nieuwe compacte formaat van de krant. Foto’s komen er niet langer tot hun recht, stelde Dubbelman: ‘Fotojournalistiek begint minimaal bij vier kolom in een acht koloms broadsheet’. Wat langer geleden riepen persfotografen hel en verdoemenis over een experiment van regionaal dagblad De Gelderlander om verslaggevers van de stadsredactie uit te rusten met een digitale camera. Sindsdien is het stil rond het onderwerp, terwijl ‘Nokia-fotografie’ toch langzaam maar zeker ingeburgerd raakt.

Fotojournalistiek en beroepsfotojournalisten staan onder druk. Terwijl de betekenis van het beeld alleen maar toeneemt, gaan bezuinigingen van krantenuitgevers vaak ten koste van de persfotografie. Multimediale ontwikkelingen en de opkomst van de amateur-persfotografie tasten de positie van de beroepsfotograaf verder aan. Dat is niet alleen ‘opmerkelijk’, stelt Bijzonder hoogleraar fotografie Frits Gierstberg in het voorwoord van Door de lens van professionele fotografen, ‘als we ons bedenken dat de makers van het beeld achter het beeld in de problemen komen, is dat zonder meer verontrustend te noemen. Want waar blijft de voor onze democratie zo broodnodige onderzoeksjournalistiek als de makers hun verhalen niet meer kwijt kunnen?’

In de bundel Door de lens van professionele fotografen laat Lise Lotte ten Voorde vijftien documentairefotografen aan het woord over hun professionele afwegingen en hun persoonlijke drijfveren. Op één vlak zijn hun tips opvallend eensluidend: het onderwerp. ‘Begin te fotograferen wat je mooi, interessant of spannend vindt. Hou het dicht bij jezelf’, adviseert Chris de Bode. ‘Blijf jezelf’, stelt Filip Claus. ‘Gewoon eerlijk je zin doen’, aldus Paul Van den Abeele. En ook volgens Jimmy Kets moet je gewoon doen waar je zin in hebt: ‘Volg je hart’.

Over andere zaken zijn de dames en heren – afkomstig uit Nederland en België; jong en oud; man en vrouw; geschoold en ongeschoold: ervaren en aanstormend, wereldvermaard en minder bekend – veel minder eensgezind. Zo adviseert Wouter Van Vaerenberg om veel foto’s en fotoboeken te bekijken (‘In de fotogeschiedenis duiken: super tijdverdrijf!’). Paul Van den Abeele stelt juist dat je níet naar fotoboeken moet kijken, ‘maar naar de werkelijkheid, de mensen, de natuur’.

‘Fotografeer heel veel en geef niet te snel op!’ is de tip van Martijn van de Griendt. ‘Doorgaan. Blijf fotograferen’, adviseert Carl de Keyzer. ‘Er zijn natuurlijk heel veel elementen die je van het fotograferen kunnen afhouden of die je kunnen frustreren. Maar je moet er gewoon voor gaan.’ ‘Nooit opgeven, en altijd verder gaan’, meent Lieve Blancquart. Ad van Denderen is een andere mening toegedaan: ‘Werk vier jaar hard, zet zoveel mogelijk opzij en als het na vier jaar nog niets is, STOP en ga wat anders doen’.

Naast de prettig geschreven interviews vol smeuïge anekdotes, open deuren, ontboezemingen en andersoortige tips (‘Je moet een worden met je camera; jij en je camera moeten een entiteit worden’, aldus Lieve Blancquert. De Groninger Reyer Boxem houdt het wat aardser: ‘Neem altijd reservebatterijen mee’) bevat Door de lens van professionele fotografen handige kaders met persoonlijke gegevens van de fotografen, fraaie portfolio’s en informatie over de inhoud van hun cameratassen. Dure camera’s mogen volgens Reyer Boxem dan nog geen goede foto’s maken, de meeste genoemde toestellen – van Leica’s en Hasselblads, Canons en Nikons tot Minolta’s en Mamiya’s – vergen een aardige investering.

Wie, zoals Joost van den Broek, vindt dat fotografie het mooiste vak is dat er bestaat, moet het er maar voor hebben. En een paar tientjes voor Door de lens van professionele fotografen, om inzicht te verkrijgen in de manier waarop goede fotojournalistiek tot stand komt. Niet alleen warm aanbevolen voor amateur-fotografen en semi-professionals, maar ook voor hoofdredacteuren in kranten- en tijdschriftenland.

Door de lens van professionele fotografen. Door Lise Lotte ten Voorde. Uitgeverij Easy Computing Publishing. ISBN: 978-90-456-4750-0 Prijs € 29,95

28

04 2010

‘Een beetje drama, hè’

‘Ik repeteer in Essen, Duitsland doordeweeks… ik zal niet in details treden, lijkt me beter’, twitterde actrice Hadewych Minis enige tijd geleden. En: ‘Even weg uit treurig Essen, yes!’ Naar collega Halina Reijn twitterde Minis ‘ik wil ook bij jou kip eten en niet hier zijn in stom Essen’. En over haar dagindeling schreef ze: ‘Ik werk nu met een Duitse regisseur die de dag begint met een balspel… Ik weet t niet hoor…’

Was het zo erg? Moeten we ons misschien zorgen maken om haar welzijn? Minis lacht. ‘Nee hoor, maar die stad is werkelijk…’ Haar mond beweegt, maar er komen geen woorden uit. ‘En dat is dan de cultuurstad van 2010!’

Hoe het ook zij, vanwege het heuglijke feit dat het Ruhrgebied de Europese Culturele Hoofdstad van 2010 is, spelen vijf acteurs van Toneelgroep Amsterdam en vijf van Schauspiel Essen samen in de voorstelling Ubu. Tussen de eerste voorstellingen in Essen en opnamen in Den Haag en Leuven is Minis even ‘thuis’, in café-restaurant Stanislavski in Amsterdam. Die tweets uit Essen, die hadden met een kleine cultuurschok te maken, legt Minis uit. ‘Ze maken daar dagen van tien uur ’s ochtends tot half vier ‘s middags en dan van zeven tot elf uur ’s avonds. En dat vijf weken lang. Dat zijn wij helemaal niet gewend; dat is voor ons heel heftig. Wij repeteren overdag, ’s avonds heb je tijd voor reflectie, om het allemaal een beetje te laten bezinken en nieuwe inspiratie op te doen. Om andere mensen te zien. Dat was nu allemaal niet het geval, we zaten continue in dat theater. En wat misschien nog wel het ergste was: ik had geen tijd voor mijn muziek. Terwijl ik het altijd zo fijn vind om het een door het ander te laten inspireren. Dat kon daar niet. Het was de hele dag toneel. Vijf weken lang. Verplicht. Dan word ik een beetje opstandig.’ Ze zwijgt een tel; een eeuwigheid voor de spraakwaterval die Minis is. ‘Het is een beetje actrice-eigen om te klagen. Een beetje drama, hè. En ach, je moet toch iets twitteren?!’

Het was niet voor niets, zegt ze, dat ze zo’n tijd met slechts één ding bezig was. Want Ubu is een moeilijk stuk. Het licht absurdistische verhaal werd geschreven door de Franse dramaturg Alfred Jarry; aan het einde van de negentiende eeuw schreef hij meerdere stukken rond het personage Ubu. De bekendste is Ubu Roi, waarin de vraatzuchtige en machtsbeluste Ubu door zijn vrouw wordt aangespoord de troon te veroveren. Met hulp van enkele getrouwen slaagt zijn bloedige staatsgreep. Ubu wordt een populair heerser, maar dan besluit hij de adel en de ambtenaren te ‘onthersenen’. Als het volk zucht en steunt onder zijn heerschappij besluiten zijn oude getrouwen in te grijpen.

Geïnspireerd door deze Ubu schreef de Brit Simon Stephens speciaal voor TGA en Schauspiel Essen een nieuwe toneeltekst, waarin Ubu voor een internationaal strafhof moet verschijnen. De Duitser Sebastian Nübling, die bekendheid verwierf door zijn eigenzinnige, fysieke regiestijl, regisseerde het internationale gezelschap. ‘Bij ons is bijna altijd de tekst het vertrekpunt. Sebastian werkt vanuit beweging en vanuit beeld. Hij wilde onderzoeksgewijs kijken wat werkt en wat niet. Dus moet je alles proberen; hij wil alles gezien hebben om aan het einde te kunnen beslissen wat het beste is.’

In het eerste deel speelt Minis Bubelas, de 14-jarige zoon van de koning en de koningin; in het tweede deel is ze de aanklager. ‘Het is leuk zo’n jochie te spelen. Met zo’n fout middeleeuwsejongetjeskapsel, een te grote blouse met bretels, een te grote korte broek, grijze sokken en Dr. Martens, van die rijgschoenen… Bubelas is een dromer, een boekenjongen. Hij kijkt aanvankelijk toe bij de gruwelijkheden van Ubu, maar op een gegeven moment komt hij toch in actie en zorgt hij ervoor dat hij in de rechtzaal terechtkomt.’

Voor haar rol van aanklager bestudeerde ze de Zwitserse juriste Carla del Ponte, die van 1999 tot en met 2007 hoofdaanklager was van het Joegoslavië-tribunaal. ‘Ik heb veel over haar gelezen. Dan zie je hoe gepassioneerd ze is en dat ze óók een mens is. Want van te voren denk je toch: wat is dat voor een machine? Ze vocht met een missie: ze wilde laten zien welke vreselijke misdrijven er waren begaan tegen de menselijkheid. De verdachten moesten worden berecht, ook als niet alles kon worden bewezen.’

Daar draait het óók om in Ubu, legt Minis uit: over de macht van misdaad en de onmacht van het gesproken woord. ‘Welke misdaden werden feitelijk gepleegd en hoe kunnen die worden bewezen. De ene getuige zegt: hij heeft het gedaan. Maar een ander beweert dat híj het zelf heeft gedaan. Er zijn mensen die alles bij elkaar liegen, veroordeeld worden, en vervolgens zeggen dat het allemaal anders was. Hoe kom je erachter of iemand de waarheid spreekt? Hoe krijg je de waarheid boven tafel?’

In dezelfde periode dat Ubu speelt, werkt Minis aan een grote film: Majesteit van Peter de Baan. Ze is prinses Máxima, een rol die ze al eerder speelde. ‘Vijf, zes jaar geleden in was ik Máxima in De Kroon, ook onder regie van Peter de Baan. Daarna ben ik gevraagd om haar stem te doen in Café De Wereld en was ik een paar keer Máxima in Koppensnellers. Eigenlijk wilde ik haar niet meer doen, maar ik vind het leuk om weer met Peter te werken, en het is een fijne groep acteurs. Bovendien is het alweer even geleden; intussen heeft ook een aantal andere actrices Maxima gespeeld. Daar ben ik wel blij om. Voor je het weet ben jij die actrice die altijd Máxima doet; dat lijkt me niet zo’n fijne gedachte.’

‘Er zijn wel meer acteurs die film en theater combineren’, doet Minis de vraag af of het allemaal niet een beetje veel is. ‘Ik vind dat geen probleem. Ik heb het altijd fijn gevonden om dingen naast elkaar te doen. Op een snelweg heb je ook drie stroken, soms ga je naar de rechter baan, soms neem je de linker, maar je blijft wel op dezelfde weg…’ Minis staart even voor zich uit, dan zegt ze: ‘Zingen is mijn échte grote droom. Dat is het allerleukste op aarde. Begrijp me niet verkeerd: ik heb het geweldig naar mijn zin bij Toneelgroep Amsterdam; ik werk met de beste acteurs, regisseurs en decorontwerpers, dat is echt een cadeau. Maar wat er gebeurt als ik zing… dan kan ik alles helemaal loslaten. Als ik optreed met Mike Boddé… we zijn zo goed op elkaar ingespeeld. Je begint op een bepaald punt, maar weet niet waar het gaat eindigen. Dat klinkt een beetje pathetisch, ik weet het, maar je laat je gewoon meevoeren. Als je muziek maakt, voel je dat je mensen bereikt. Dat zijn ervaringen, die zijn zo bruut, dat gevoel is onbeschrijflijk. En heel verslavend. Als je twee noten zingt en de mensen beginnen allemaal te juichen en te joelen, waan je je een soort popster. Het is raar wat dat doet met een mens.’

De komende maanden gaat Minis op reis met Toneelgroep Amsterdam, met Opening Night naar München en Australië, voor Romeinse Tragedies naar Canada, met Teorema naar New York. En ze speelt een rolletje in Loft, Antoinette Beumers remake van de gelijknamige Vlaamse kaskraker. ‘Ik houd van afwisseling, dat zit in mijn karakter. Er zijn momenten dat ik ernaar verlang om maar één ding te doen. Maar dat hoort niet bij mij. Nu niet in ieder geval.’

Ubu van 1 t/m 8 mei in de Stadsschouwburg.

28

04 2010

Carice van Houten als postermeisje

Twee recente boekverfilmingen met Carice van Houten in de hoofdrol hebben logischerwijs ook allebei Nederlands’ enige echte filmster prominent op de poster staan. Maar in beide gevallen is ze behoorlijk onherkenbaar. En bovendien niet half zo mooi als ze werkelijk is. Op de poster van Komt een vrouw bij de dokter lijkt ze een paspop en heeft ze een krankzinnig gefotoshopt figuur. Op de poster van De gelukkige huisvrouw lijkt het alsof voormalig Frizzle Sizzle-zangers Laura Vlasblom model heeft gestaan. Ook opmerkelijk: in beide gevallen heeft haar tegenspeler totaal geen oog voor haar. Minder opmerkelijk: op de poster van KEVBDD geen spoor van kanker en de dood, op die van DGH geen enkele verwijzing naar vacuümpomp of psychose…

17

04 2010

Minidrama’s op vier schermen

In een idyllisch bos zit een stel te vrijen. Ze strelen en kussen en ontdoen elkaar langzaam van hun kleren; de wereld om hen heen bestaat niet. Tot er plots een kudde wilde zwijnen opduikt. Digitale zwijnen, welteverstaan, met vuurrode ogen.

Le jardin secret, heet Lydia Schoutens 4-kanaals video-installatie; ‘de geheime tuin’. Daarin laat een aantal mannen en vrouwen hun hectische wereld voor wat-ie is. Ze trekken zich terug in de natuur. Maar ze hebben buiten zichzelf gerekend. Al snel staan ze elkaar naar het leven. De maskers gaan af; de droom wordt een nachtmerrie.

Schouten (1948), videokunstenaar van het eerste uur, die in haar performances, video’s en installaties aanvankelijk vooral traditionele vrouwenrollen aan de kaak stelde, wilde met Le jardin secret een sombere installatie maken; een commentaar op de veranderende wereld, waarin de media steeds dominanter en oppervlakkiger worden.

Door die media wordt de mens permanent omringd door dramatische gebeurtenissen. Een verwoestende tsunami beheerst een paar dagen het nieuws; gebeurt er drie dagen later duizenden kilometers verderop iets anders, dan verplaatst het circus zich razendsnel om daar van te berichten. Surrogate betrokkenheid is het gevolg, meent Schouten.

Eenzelfde soort half-betrokkenheid en vluchtigheid ervaart de bezoeker die in het midden van de (niet al te best verduisterde) witte kubus in Arti & Amicitiae staat: Schoutens minidrama’s spelen zich tegelijkertijd af op vier schermen, er gebeurt dus altijd wel iets af buiten beeld. Steeds meer. Aanvankelijk zijn de mannen en vrouwen nog goed te volgen, terwijl ze van het ene naar het andere scherm bewegen. Maar allengs wordt de cameravoering losser, de actie gefragmenteerder en wilder.

De een na de ander legt het loodje; het suggestieve sounddesign van Arjan Kappers benadrukt de surrealistische sfeer. Er duiken met de computer gemaakte beesten op, die ernstig botsen met de hyperrealistische setting: een witte uil en een hert, een vlindertje, insecten en een zwerm vogels die zo uit Alfred Hitchcocks The Birds lijkt weggevlogen. Een enorme vogel neemt een van de vrouwen in zijn bek en fladdert weg, van het ene naar het andere scherm. Nadat het beeld even wit is geworden, is ze in een volgend intermezzo echter gewoon weer van de partij. Springlevend.

De prikkelende installatie, die eerder in een interactieve versie te zien was in Rotterdam, Vlissingen en Boedapest, dateert uit 2006. Nieuwer werk, mixed mediatekeningen, ontstaan na een verblijf van drie maanden als artist in residence in Curaçao eind vorig jaar, is vanaf half mei te zien in Galerie Witteveen op de Keizersgracht.

Le jardin secret van Lydia Schouten is t/m 2 mei te zien in Arti & Amicitiae, Rokin 112 Amsterdam.

17

04 2010

Zoek de 10 verschillen

Links een portret van actrice Angelina Jolie, in 2003 gemaakt door de Duitse fotograaf Martin Schoeller (‘Angelina Jolie with Blood’, te koop voor plusminus 28.050 dollar). Midden een postervariant van Karyn Kusama’s horrorfilm Jennifer’s Body, die 10 September 2009 in première ging op het Toronto International Film Festival (posterontwerp Crew Creative Advertising). Rechts de poster van de derde serie van de gevierde HBO-vampierserie True Blood (ontwerp Ignition Print). Die verscheen september 2009 op de buis. Wie heeft bij wie afgekeken?

15

04 2010

David Verbeek naar Cannes

R U THERE van David Verbeek is geselecteerd voor de sectie Un certain regard van het festival van Cannes, de tweede competitie bedoeld voor kunstzinnige producties.

R U THERE is opgenomen in Taiwan en gaat over een jonge professionele gamer (Stijn Koomen) die de wereld over reist om mee te doen aan videogamewedstrijden. De echte wereld interesseert hem niet, hij leeft zijn leven in de virtuele werkelijkheid en heeft daar alles onder controle. Nadat hij op straat getuige is van een dodelijk ongeluk, raakt hij uit balans en begint hij te twijfelen aan de zekerheden in zijn eigen bestaan. David Verbeek maakte eerder onder meer Shanghai trance, Melody Z, Yu-lan en Beat. R U THERE is geproduceerd door IDTV Film en de VPRO in co-productie met de Franse producent Petites Lumières.

Over Your cities grass will grow van regisseuse Sophie Fiennes, mede geproduceerd door het Nederlandse Kasander Film, wordt in het hoofdprogramma buiten competitie vertoond, in het onderdeel Special Screenings. Het is een ‘cinematografische reis’ waarin de alchemistische creatieve processen van de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer worden blootgelegd. Andere Nederlandse coproducties in het hoofdprogramma zijn You my joy van de Rus Sergei Loznitsa, gecoproduceerd door Lemming Film (opgenomen in de Gouden Palm-competitie), en Adrienn Pál van de Hongaar Ágnes Kocsis, gecoproduceerd door Isabella Films (te zien in Un certain regard).

Licht van André Schreuders is geselecteerd door het parallelfestival Quinzaine des Réalisateurs. De kortfilm, opgenomen op 8mm, verhaalt over een oudere, alleenstaande vrouw (Leny Breederveld) die aan het einde van haar leven een tocht onderneemt naar een klooster, en onderweg enkele bijzondere ontmoetingen heeft.

Nanouk Leopolds Brownian Movement en Rudolf van den Bergs Tirza haalden het dus niet. Voor de Gouden Palm-competitie zijn in totaal slechts 18 titels geselecteerd. Daaronder zijn nieuwe films van Alejandro González Iñárritu, Abbas Kiarostami, Takeshi Kitano en Mike Leigh. De 63e editie van het Festival van Cannes opent 12 mei met Robin Hood van Ridley Scott.

15

04 2010

Van de Big Bang tot Bo, het hondje van de Obama’s

‘Nee, het is geen kunst. Pertinent niet. Voor mij is het visual journalism. Ik heb materiaal verzameld, interviews gedaan, en vervolgens een systeem bedacht om mijn verhaal te vertellen. Net zoals journalisten dat doen, toch? Alleen is mijn verhaal altijd en beeldverslag.’

In het Graphic Design Museum in Breda én op de museumwebsite toont informatieontwerpster Gerlinde Schuller de ontwikkeling van informatiedesign en datavisualisatie door de eeuwen heen. Het adagium ‘kennis is macht’ vormt daarbij haar uitgangspunt. Betekent dit dat iemand of een organisatie die de universele kennis van de hele wereld bezit dus ook de ultieme macht heeft? Als dat zo is, stelt Schuller, is Google een van de machtigste organisaties ter wereld. ‘Google neemt het ene na het andere bedrijf over, en verzamelt op die manier kennis. En macht: ze hebben zoveel macht dat zelfs de Chinese overheid met ze rond de tafel moet gaan zitten om te overleggen.’

In 2009 maakte Schuller het fascinerende boek Designing Universal Knowledge, een zoektocht naar de grootste kennisverzamelingen ter wereld. Ze vroeg 50 mensen wat volgens hen de meest universele beelden, gebeurtenissen en personen in de wereldgeschiedenis zijn. Die historische data verwerkte ze in een tijdlijn van 16 pagina’s, waarin ze tevens plaats inruimde voor de mijlpalen in de geschiedenis van het informatiedesign. Schuller, die na haar studie visuele communicatie in Offenbach, Duitsland naar Amsterdam kwam, een aantal jaar voor Irma Boom werkte, het telefoonboek onder handen nam, en nu infographics maakt voor kranten en bladen: ‘Het systeem van het boek is enigszins vergelijkbaar met Wikipedia, maar ik heb de saaie begrippen weggelaten. Ik heb mijn eigen keuzes gemaakt en mijn eigen interesses onderzocht; het is een heel persoonlijk onderzoek.’

Het Graphic Design Museum vroeg Schuller haar papieren onderzoek in een expositie te vertalen. Het resultaat is een tijdlijn op een 26 meter lange wand, die begint bij de ‘Big Bang’, en via grottekeningen, het wiel, de piramides en het Paard van Troje; de uitvinding van de boekdrukkunst; de Tweede Wereldoorlog en, de millenniumbug (‘No computer crash’) eindigt met Bo, het nieuwe hondje van de Obama’s, en het hoogste gebouw in de wereld: de Burj Khalifa in Dubai (828 meter).

‘Het paard van Troje komt er twee keer op voor. Aan het begin van de tijdlijn en tegen het einde, maar dan in de vorm van een computervirus. Hetzelfde geldt voor de Bibliotheek van Alexandrië. Die komt terug in 2004, omdat er een nieuwe bibliotheek is gebouwd in Egypte: de Bibliotheca Alexandrina.’

De eerste informatieontwerper is Johannes Gutenberg, de uitvinder van de drukpers. ‘Er is natuurlijk discussie wie de ware uitvinder is, maar het gaat mij om de boekdrukkunst zelf. Na Gutenberg werd de drukpers wereldwijd bekend. Het werd mogelijk grote hoeveelheden informatie wereldwijd te verspreiden.’

Daarna krijg je kettingreacties op het gebied van informatiedesign, stelt Schuller. ‘Zonder Gutenberg was de Belgische bibliograaf Paul Otlet er niet geweest. Die heeft in 1910 het idee opgevat om de complete kennis van de wereld in een ‘Universele Bibliotheek’ te verzamelen en daarvoor een classificeringssysteem  te bedenken. Hij was de eerste die termen gebruikte die je zou kunnen vergelijken met ‘hyperlinks’. Geïnspireerd door Otlet filosofeerde Ted Nelson in de jaren ’60, toen er nog geen sprake was van het internet, over hypertekst: tekst met direct activeerbare verwijzingen. Tim Berners-Lee, de bedenker en grondlegger van het World Wide Web, werd dan weer geïnspireerd door Nelsons Xanadu Project.

In haar tijdlijn maakt Schuller onderscheid tussen zwarte begrippen (de wereldgeschiedenis) en blauwe (de ontwikkeling van de informatiemaatschappij en de belangrijkste informatieontwerpers). Met een edding stift kunnen de bezoekers van het museum hun eigen highlights toevoegen op de muur. ‘De meeste mensen schrijven hun naam op, en natuurlijk zijn er op heel veel afbeeldingen brilletjes getekend. Maar ook de val van het kabinet is toegevoegd, en andere mensen leveren echt commentaar. “Coca Cola is evil; bought Santa Claus” schreef iemand, en een ander “Quite an eye-opener”. Dat is een soort minirecensie  – dat vind ik wel leuk. En als iemand anders het daar niet mee eens is, kan hij dat ook opschrijven. Er wordt geen redactie gevoerd door het museum. Alleen als het té vol wordt, dan moeten de stiften weg.’

Volgens Schuller is de volgende échte belangrijke stap voor de informatiemaatschappij de uitvinding van een goed vertaalprogramma. ‘Daar wordt aan gewerkt, Google, Yahoo en SDL plc. zijn ermee bezig. De huidige vertaalprogramma’s geven nog hele grappige verhaspelingen, maar stel dat het wordt geperfectioneerd, dan zijn er wereldwijd geen taalbarrières meer. Iedereen begrijpt iedereen. Dat is net zo’n revolutie als de drukpers.’

Infodecodata. T/m 2 september in het Graphic Design Museum Breda. De ‘Designing Universal Knowledge-Tijdlijn’ is ook te zien op www.graphicdesignmuseum.nl. The World as Flatland – Report 1: Designing Universal Knowledge van Gerlinde Schuller is verschenen bij Lars Müller Publishers, ISBN 978-3-03778-149-4.

‘We geven een souper, kom u ook?’

Toen Elsie de Brauw La grande bouffe voor het eerst zag, ze was een jaar of twintig en studeerde in Groningen, haalde ze het einde niet. Op het moment dat Michel Piccoli over de balustrade hangt en al scheten latend het leven laat, is ze de bioscoop uit gelopen. ‘Niet vanwege de overdaad aan eten, daar had ik niet zo’n last van geloof ik, maar vanwege de plotloosheid. Die monotone staat van zijn; er zijn geen confrontaties, er komen geen lijken uit de kast… De mannen komen bij elkaar en dan eten ze zich dood.’

Bijna dertig jaar later speelt De Brauw een dubbelrol in de eerste ‘vertoneling’ van Marco Ferreri’s instant-schandaalfilm La grande bouffe – geregisseerd door haar man Johan Simons – waarin vier welgestelde, succesvolle mannen zich in een enorm huis terugtrekken voor een dagenlang zuip-, vreet- en seksfestijn. Toen ze de film tijdens de repetities terugzag, was ze wél gefascineerd. ‘Het was materiaal geworden in plaats van een avondje uit’, vertelt De Brauw (Theo d’Or-winnares voor haar rol in Opening Night; voor haar aandeel in Mijke de Jongs Tussenstand kreeg ze een Gouden Kalf) in café-restaurant Stanislavski. ‘Dan kijk je er toch anders tegenaan. Ik vind het nu ongelooflijk fascinerend hoe die mensen met elkaar omgaan, in dat geweldige huis. Het is een mooie ambiance. En het roept veel vragen op.’

De toneelversie gaat meer over de fantasie, over de verbeelding, dan de film, meent De Brauw. ‘Dat eten en die seks, dat kan sowieso niet op toneel. Dat geloof je nooit. Een film van het begin tot het einde naspelen heeft ook niet zo veel zin, daarom zoek je naar een kader. Wij gebruiken metaforen: van kunstmatig vlees kwamen we op kunst, op een kunstmatig opgewekte dood en vrijwillige euthanasie. Het is de overtreffende trap, weg van het naturalisme. Dat zorgt als het goed is voor een explosie in het hoofd van de kijker; je kunt alles bedenken. Er zitten zo verschrikkelijk veel thema’s in: vriendschap en intimiteit; kunst, goeie smaak, slechte smaak; dood, leven; overdaad, decadentie; mannen, vrouwen; ga zo maar door.’

Hoe het komt dat er de laatste jaren zo veel films op het toneel belanden, weet ze niet precies, maar ze ervaart het wel als een ‘bevrijding’ dat er zo veel meer materiaal beschikbaar is. ‘Het is een uitbreiding. Het enige wat ik er lastig aan vind, is dat de taal vaak niet zo mooi is. In een stuk van Shakespeare of een de bewerking van een roman heb je van die mooie zinnen; daar word ik echt door gevoed. Maar van de taal uit een film krijg ik niks; dat is gewoon spreektaal. La grande bouffe drijft nu niet bepaald op de kracht van het woord. Het is van “Wie wil er nog Tortellini met champignonroomsaus… We geven een souper, kom u ook?” Dat zijn geen zinnen om wakker van te liggen…’

En toch komt die spreektaal ook aan bij het publiek. ‘Wim Opbrouck, die een sterrenkok speelt, leest tijdens de voorstelling allemaal recepten voor, op een manier dat je denkt: ik heb dat gegeten. Na afloop vertellen mensen soms dat ze een bepaald gerecht zo lekker vonden.’

Waarom de mannen doen wat ze doen, dát wordt niet verteld in het stuk, zoals het ook in de film in het midden is gelaten. ‘Ze verheffen zichzelf tot kunst. Ze gaan niet naar de McDonald’s, maar doen zich te goed aan fantastische, uitgekiende gerechten. Het is superieur. De daad zelf is kunst.’ Haar personage, de onderwijzeres Andrea, gaat mee in het geheel omdat ze gefascineerd is door de kracht van die mannen, stelt De Brauw. ‘Ze wordt aangetrokken door dat zintuiglijke feest dat ze met elkaar vieren. Ik het idee dat ze daar heel lang op heeft zitten wachten. Op die mannen en die vriendschap door dik en dun, die vriendschap die sans-gêne is. Dat is een intimiteit om jaloers op te worden.’

Toen de tournee Zwolle aandeed, belandde het gezelschap in De Librije, het 3-sterrenrestaurant van Jonnie en Thérèse Boer. ‘Als je dan toch gaat eten… Maar nee, het voelde niet als een spagaat. Als je eerlijk bent kun je je afvragen of wij ons eigenlijk niet ook de hele dag aan het dood eten zijn. We ondernemen geen enorme acties om dat te stoppen. Terwijl iedereen weet dat als we met z’n allen besluiten om een dag per week geen vlees te eten er een enorm probleem wordt opgelost. Maar we doen het niet. Wat dat betreft is het ook een prettige afspiegeling van de werkelijkheid.’

La grande bouffe van Toneelgroep Amsterdam en NTGent (regie Johan Simons). Zaterdag 10 april, en 13 t/m 17 april in de Stadsschouwburg. Elsie de Brauw geeft 13 april om 18.30 uur in het Filmmuseum een inleiding bij de gelijknamige film van en Marco Ferreri.

11

04 2010

De sporen van het menselijk tekort

Tsjernobyl, controlepaneel. Uit: Memory Traces’ van Cary Markerink‘

Ik heb me altijd verzet tegen de romantische landschapsfotografie… tegen die kalenderplaatjes met een ondergaande zon. Het landschap ziet er toch heel anders uit? Als ik een ondergaande zon zou fotograferen, staat er op de voorgrond een kerncentrale.’

Fotograaf Cary Markerink (Medan, Indonesië, 1951), exponent van de atoomgeneratie, reisde de hele wereld over om ‘zijn’ geschiedenis te verbeelden. Hij trok naar Hiroshima en Nagasaki, de Bikini-atol waar tientallen atoomproeven plaatsvonden en Tsjernobyl, naar de Vietnamese dorpen My Lai en Khe San, Sarajevo en de Potsdamer Platz in Berlijn. Hij keek er om zich heen en fotografeerde, verbaasde zich en schreef. En bundelde al zijn ervaringen ten slotte in ‘Memory Traces’: een monument voor de in het landschap gegrifte sporen van het menselijk tekort.

In zijn Amsterdamse woning annex atelier staat een loden zakje met de geigerteller die hij meenam naar Tsjernobyl. ‘Die is zelf radioactief geworden. Als je ‘m aanzet, gaat-ie meteen piepen. Ik moet het bedrijf waar ik hem heb gekocht eens bellen, want dit geef je niet met het chemisch afval mee.’

Op sommige plekken mocht hij niet komen, in Nevada bijvoorbeeld, waar de Amerikanen hun atoombommen testten, en het kostte jaren voordat hij in Tsjernobyl mocht doen wat hij wilde. ‘Je kon er wel heen, maar je mocht de centrale niet in. Dát landschap wilde ik fotograferen; de controlekamer waar dat catastrofale experiment heeft plaatsgevonden…’

Bepaalde plekken heeft hij overgeslagen. ‘In de buurt van Tsjernobyl staat een verbrand zwart bos, helemaal versteend. Dat was een fantastische foto geweest, maar op weg erheen begon de geigerteller te keer te gaan… De radioactiviteit was er volgens Amerikaanse normen levensgevaarlijk. Dat bos heb ik dus maar overgeslagen. Ik wil niet dood. Er zijn mensen die vragen of ik ’s nacht oplicht. Natuurlijk, antwoord ik dan. Mijn vriendin hoeft in bed niet lang naar me te zoeken.’

Markerink werkte ruim vijftien jaar aan het project. Na het fotograferen – de eerste foto maakte hij al in 1997, de laatste stamt uit 2008 – nam hij alle tijd om zijn ideeën over documentaire landschapsfotografie als spiegel van onze cultuur op papier te zetten. Dat gebeurt in verschillende vormen, van reisverslagen en ‘geschreven foto’s’ tot fictie. Vervolgens nam de vormgeving ruim een jaar in beslag.

Daarvoor vroeg Markerink de gelauwerde ontwerpster Irma Boom. ‘Tijdens onze eerste gesprekken zei ze dat ze een boek wilde maken op staand formaat. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik maak vaak panoramafoto’s, die wilde ik zo groot mogelijk zodat je alle details goed ziet. Dat kan niet anders dan liggend, dacht ik.’

Toch liet hij Boom haar gang gaan, en spijt heeft hij daarvan niet gehad; ze maakte een prachtig boek waarin de gelaagdheid van beeld en tekst, landschap, geschiedenis en herinnering volledig tot hun recht komen. Sommige foto’s vallen binnen de marge, de meeste kun je uitklappen. ‘Ik werk graag met een extreme groothoek, omdat dat een enorm zuigend perspectief oplevert. Ik wil de kijker het beeld in hebben, erbij betrekken. Het enige nadeel van zo’n lens is dat-ie ook veel voorgrond oplevert. Die moet ik dus aansnijden. Dat doe ik op gevoel. Daardoor zijn de formaten altijd net weer anders. Ik hou me niet graag aan de kaders van de foto-industrie.

Het fotoboek is verpakt in een speciaal ontworpen doos waarin nog twee kleine boekjes schuilgaan: een met de grofkorrelige familiekiekjes van een filmpje dat Markerink in een ontruimd en geplunderd huis nabij Tsjernobyl vond en een thriller gesitueerd in de kunstwereld, waarin hij zijn ideeën over fotografie verwoordt.

Het even verontrustende als fraaie boek zelf omvat slechts dertig foto’s, en dat hadden het er nog minder kunnen zijn: oorspronkelijk wilde Markerink maar één foto per locatie. ‘Ik zeg altijd dat ik uit de negentiende eeuw kom: de tijd dat één foto van ver weg mensen eindeloos deed fantaseren.’

Als hij terugkijkt is hij een tikkeltje teleurgesteld. ‘Wij mensen kunnen fantastische machines maken; we hebben zoveel kennis, en toch vallen we iedere keer terug op destructief gedrag. Ik vind het jammer dat we het met z’n allen niet een beetje leuker maken. Er zit zoveel meer in mensen. Ik klink nu vast als de late jaren 70-jongen die ik nu eenmaal ben, maar het kan toch veel beter?!’

Maar ondanks alle destructie is Markerink positief gestemd. ‘Je ziet dat dingen weer herstellen; als wij van de aarde verdwijnen, is de natuur er zo weer bovenop. In Tsjernobyl groeien de bomen alweer driehoog uit het tapijt. Als wij op tijd uitsterven, blijft die aarde nog wel een tijdje doordraaien… De natuur is grenzeloos vitaal.’

Memory Traces is te bestellen op www.carymarkerink.nl. ISBN 978-94-90506-01-8. Prijs € 150,00. Werk van Cary Markerink is t/m 17 april te zien in Johan Deumens Gallery, Donkere Spaarne 32ZW in Haarlem. www.johandeumens.blogspot.com

08

04 2010

Bh’s aan de bomen

De natuur is van slag. Op de eerste mooie lentedag van het jaar, 24 maart j.l., groeiden er in een van de weinige bomen die nog overeind staan op het Rembrandtplein bh’s. Althans, ze waren nog niet goed en wel opgehangen door een paar werkstudenten, in opdracht van de firma Hunkemöller, of de politie en de milieudienst hadden al ingegrepen. Het veelkleurige ondergoed moest terstond worden verwijderd. ‘Boomvervuiling’, aldus een kordate politieagent…

Gisteren had de marketingafdeling van EYE/Filmmuseum een soortgelijke actie bedacht. Ter gelegenheid van de start van de Film Biënnale waren er in het Vondelpark duizend ‘Biënnale-bloemen’ tot bloei gekomen. Zal het helpen? Zal het de komende dagen storm lopen?

08

04 2010