Archive for the ‘Design’Category

What Design Can Do! – Verse chocola is veel lekkerder

“Iedereen weet wat chocola is, maar bijna niemand weet hoe het precies tot stand komt. De keten van cacaoboon tot consument is enorm; er zitten meer dan tien partijen tussen: boeren, opkopers, handelaren, transporteurs, mensen die voor de opslag zorgen, branders, walsers, afgieters, winkeliers… En iedereen moet iets verdienen. Wij houden alles in eigen hand, behalve de bonenteelt, natuurlijk, dat moeten de boeren doen, het is immers een tropisch product. Maar ook daar hebben we ook goed over nagedacht. Je krijgt namelijk alleen goede cacao als de boer er aandacht aan besteedt. En dat doet-ie als hij er een fatsoenlijke prijs voor krijgt. Dat klinkt logisch, maar het gebeurt weinig.”

Nadat Enver Loke en Rodney Nikkels afstudeerden aan de Landbouwuniversiteit, specialisatie ontwikkelingssamenwerking, zijn ze chocolademakers geworden. Chocolatemakers heet hun merk, dat wordt geproduceerd in Amsterdam-Noord, met antieke apparaten die ze overal vandaan haalden en zelfgemaakte machines. Loke: “Sinds twee weken draait onze lange wals, die we hebben laten maken op basis van de tekeningen van dhr. Lindt uit 1879.”

De bedrijfsvoering van Chocolatemakers is gebaseerd op zo min mogelijke uitstoot en afval. Het bedrijf streeft naar lokale oplossingen, de stroom is groen, eigen afval wordt zo veel mogelijk hergebruikt. Omdat aluminiumfolie vervuilend is, worden de verpakkingen gemaakt van vetpapier en bedrukt met bio-inkt. “Het is algemeen bekend dat aluminium slecht voor onze gezondheid is en toch verpakken we daar van alles in. Omdat het lang vers moet blijven; een reep in de supermarkt is vaak meer dan een half jaar oud. Omdat wij de distributie in eigen hand hebben, zijn die van ons hooguit twee, drie weken geleden gemaakt. Meestal maar één week. Dat proef je: verse chocolade is veel lekkerder.”

Alle repen die in de supermarkt worden verkocht, zijn volledig geoutsourced, aldus Loke, niemand maakt de repen daadwerkelijk zelf. “Alle chocolade komt uit dezelfde fabriek waar 70 procent van de Nederlandse chocola vandaan komt. Bijna alle merken zijn inmiddels fair trade, maar dat betekent nog niet dat de prijs voor de bonen de juiste is. Wij betalen de boeren het dubbele van de fair trade-prijs, omdat we de kwaliteit die ze leveren waarderen. Ook investeren we in kennisontwikkeling en infrastructuur. Het ontwerp van iedere reep begint per slot van rekening bij de oorsprong: de cacaoboon en de boer.”

Op 6 juni vaart het zeilschip ‘Tres Hombres’ de haven van Amsterdam binnen met een nieuwe lading: 5 ton cacaobonen en 2 ton cacaoboter, rechtstreeks afkomstig van een boerencoöperatie uit de Dominicaanse Republiek. Dat wordt gevierd met de introductie van een nieuwe reep van de Chocolatemakers, hun vierde: de Tres Hombres 75% met gebrande cacao-nibs. “De vraag naar onze producten wordt steeds groter. Omdat we goede kwaliteit leveren tegen een vrij scherpe prijs. Toch is ons marktaandeel miniem, en dat zal door onze manier van produceren ook zo blijven. Maar we maken wel een statement: je kunt hele lekkere, ambachtelijke chocola maken én tegelijkertijd bijdragen aan een betere wereld.”

De Chocolatemakers verzorgen do 16/5 een presentatie op de conferentie What Design Can Do!, die t/m 17/5 plaatsvindt in de Stadsschouwburg. De chocola is onder meer te koop bij Marqt.

15

05 2013

What Design Can Do! – Een openbare zitplek op het Leidseplein

“Toen ik aan de slag ging met het Leidseplein heb ik het meermaals bekeken vanaf het Ajaxbalkon van de Stadsschouwburg. Dan zie je precies wat er gebeurt en hoe het plein functioneert. Wat mij direct opviel, is dat geen toerist foto’s maakt van het plein zelf. Ik snap dat wel, het is ook zo ontzettend gefragmenteerd en verrommeld. Wat toeristen wel vaak fotograferen, zijn de fontein voor Americain en de leguanen in het Kleine-Gartmanplantsoen voor de City. Die moeten dus blijven. Op de artist’s impression heb ik de leguanen nu verspreid op de nieuwe bankjes. Maar ik heb al contact opgenomen met Hans van Houwelingen, de kunstenaar die ze heeft bedacht. Samen gaan we een plan voor een nieuwe context voor ze maken.”

Ruwan Aluvihare is senior hoofdontwerper bij de dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) van de Gemeente Amsterdam. Hij is verantwoordelijk voor het Zuidplein, een deel van de ‘rode loper’, het gebied dat loopt van het Centraal Station tot de Ferdinand Bolstraat, en – sinds drie jaar – het Leidseplein.

Er wordt door Stadsdeel Centrum al meer dan tien jaar gewerkt aan een plan voor het Leidseplein, maar het is, aldus Aluvihare, nu eenmaal ‘een verschrikkelijk complex project’. “Het is de drukste voetgangersplek van Amsterdam, het drukste fietskruispunt en het op twee of drie na drukste ov-kruispunt van de stad. En elk ontwerp krijgt te maken met minimaal 250 personen, van de wethouder en de gemeentelijke diensten tot de ondernemers en bewoners.”

80 procent van de regels waarmee hij te maken heeft op het plein wordt bepaald door het verkeer, van de minimale breedte van de stoepen en rijwegen tot de verkeersveiligheid. Het verkeer valt echter niet onder DRO, maar onder de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer.

Het is, wil Aluvihare maar zeggen, een enorme uitdaging om iedereen op één lijn te krijgen. “Maar we zijn al een heel eind. Omdat er continue overleg wordt gevoerd met alle betrokkenheden, en we niet in een ivoren toren een kant-en-klaar plan hebben gemaakt dat vervolgens wordt afgeschoten op een inspraakavond.”

De nota van uitgangspunten waarop Aluvihare’s ‘voorlopige ontwerp’ is gebaseerd, behelst onder meer dat het gemotoriseerde verkeer van het plein verdwijnt en dat de taxistandplaatsen worden verplaatst naar de Leidsebrug, zodat er meer ruimte ontstaat voor voetgangers. “Het Leidseplein moet een verblijfsplein worden, een plek waar de bezoeker zich welkom voelt. Nu zijn er bijna alleen maar geprivatiseerde plekken, waar je iets moet bestellen om te kunnen zitten. Op het Kleine-Gartmanplantsoen, waar nu alleen ‘kijkgroen’ is, komt daarom een openbare zitplek: twee hele lange banken, die tevens het hoogteverschil overbruggen.”

Er rest Aluvihare en zijn collega’s nog één belangrijke opgave: een oplossing vinden voor het fietsparkeerprobleem. “Meer fietspontons of dekschuiten zijn opties; maar dan kom je de UNESCO tegen. Een ondergrondse fietsenstalling is duur. Alle opties worden voorlopig open gehouden. Misschien moeten we het in een heel andere richting zoeken: na iedere uitgaansavond worden er honderden onbeheerde fietsen van het plein verwijderd – ook goeie fietsen. De helft daarvan wordt nooit opgehaald bij de Algemene Fiets Afhandel Centrale. Dat is toch ongelooflijk? Misschien kunnen we iets verzinnen zodat de hechting tussen fiets en eigenaar groter wordt. Maar dat is een ontwerpopdracht die buiten mijn portefeuille valt.”

What Design Can Do!, 16-17/5 in de Stadsschouwburg.

14

05 2013

What Design Can Do! – Vleesvervangers met een unieke, verfijnde rooksmaak

“Vleesvervangers liggen in de supermarktschappen vaak naast of tussen het vlees. Terwijl ze worden gegeten door mensen die geen vlees willen eten. Ze worden gemaakt van soja. Dat is een vormeloos product, je kunt het in iedere denkbare vorm gieten, en toch hebben vleesvervangers de vorm van vlees; het zijn balletjes, filets of burgers; gehakt, schnitzels, worsten, kroketten en frikadellen. Ik vind dat, om het voorzichtig uit te drukken, merkwaardig.”

Marije Vogelzang (Enschede 1978) is ‘eating designer’. Ze studeerde af als productontwerper aan de Design Academy in Eindhoven, maar koos er al snel voor om voedsel te gebruiken als belangrijkste materiaal. “Eten was helemaal geen onderwerp toen ik ermee aan de slag ging. Philippe Starck had pasta ontworpen, dat wel, maar mij gaat het niet om het vormpje. Het voedselvraagstuk is een van de nijpendste problemen van onze tijd, maar wordt volkomen over het hoofd gezien door de meeste ontwerpers.”

Vogelzang maakte een geheel witte begrafenismaaltijd als substituut voor koffie met cake en bedacht een lolly in de vorm van pistool om te laten zien wat suiker met je lichaam doet. En ze ontwerpt ‘faked meat’.

“Als mensen meer emotie voelen bij wat ze eten, zullen ze het ook eerder eten. Maar kom daar maar eens om bij Vivera-balletjes en vegetarische burgers. Dat zijn producten zonder een ziel; een slap aftreksel; surrogaat. Ik dacht: als je soja dan toch elke denkbare vorm kunt geven, dan kun je er ook zelf een dier bij verzinnen.”

De dieren die Vogelzang bedacht hebben een eigen habitat, leefwijze en dieet, die bepalend zijn voor de vorm en smaak van het product. De Ponti, bijvoorbeeld, is een muisachtig beestje dat in de vulkanen op Hawaii voorkomt. Hij voedt zich met neergedwarrelde as en gekoelde magma in de kraters, wat zorgt voor een ‘unieke, verfijnde rooksmaak’. Omdat de Ponti (de Latijnse naam luidt Pontikos volcanae) zijn staart gebruikt om holletjes te maken, is die erg sterk en daarom perfect te gebruiken als party snack; als je de stijve staart vasthoudt, kun je ervan knabbelen zonder dat je vingers vies worden.

Vogelzang bedacht de Herbast (met een rechthoekige romp, waardoor hij eenvoudig te verpakken en te transporteren is en gemakkelijk in gelijke parten kan worden verdeeld) en de Sapicu (‘het perfecte dessert-vlees’). Speciaal voor de kerst creëerde ze de Christpila, een dier dat leeft het noorden van Scandinavië en zich voedt met noten en cranberries. “Omdat zijn buikje vol zit, is hij eenvoudig te bereiden: je kunt hem in zijn geheel roosteren, als een gevulde kip.”

Vogelzang – die wordt ingehuurd door multinationals als Nestlé, Procter & Gamble en Albert Heijn om mee te denken over productontwikkeling – draait er niet omheen ze alles verzint. “De meeste fabrikanten draaien er omheen. Die zetten een vrolijke kip of een grazende koe op de verpakking, maar wat onder het cellofaan zit heeft een compleet ander leven gehad. Zie het paardenvleesschandaal; wij kopen wat ons wordt verteld. Ik ben geen uitvinder die nieuwe producten op markt wil zetten; ik zeg ook niet dat de Ponti dé oplossing is voor het voedselvraagstuk. Maar ik weet wel dat het belangrijk is om out of the box te denken als we écht iets willen veranderen.”

Marije Vogelzang is een van de sprekers op de conferentie What Design Can Do!, die 16-17/5 plaatsvindt in de Stadsschouwburg. Zij zal er ook Ponti serveren.

14

05 2013

Geen logo is voor de eeuwigheid

De eerste schelp in het logo van Shell was een mossel. Het eerste, zeer gedetailleerde Apple-logo was een houtsnede van de vermaarde Engelse wis- en natuurkundige Isaac Newton, zittend onder een appelboom. Het Finse technologiebedrijf Nokia voerde ooit een zalm in zijn logo, een verwijzing naar de Nokianvirta-rivier waar de fabriek aan lag toen er nog papier werd geproduceerd. En in de eerste jaren van zijn bestaan was in het Ajax-logo geen Griekse god te bekennen; er stond een voetballer met een zwarte voetbalbroek en zwarte kousen en een bal aan de voet in een rode cirkel – het lijkt het Sparta-logo wel!

Een logo is het icoon of symbool waarmee een bedrijf zijn diensten of producten wil verbinden. Het staat op visitekaartjes en briefpapier, reclames, posters en bedrijfsbrochures, de website en de merchandise (van mokken en gummetjes tot ansichtkaarten en shopping bags), het wc-papier, en het bestek en de borden in de bedrijfskantine. Soms is het mooi, soms is een logo ergerlijk lelijk, maar ook dat kan uiterst effectief zijn.

“Als het goed is, geeft een logo op een memorabele manier de essentie van een bedrijf weer”, aldus creative director Ron van der Vlugt, die in het koffietafelboek Logo Life de visuele ontwikkeling toont van honderd wereldberoemde bedrijfslogo’s. “De beste logo’s zijn veel meer dan grafische beelden die ideeën symboliseren of organisaties representeren. Het zijn designklassiekers die onze herinneringen en passies vertegenwoordigen”, aldus Garech Stone in Logo R.I.P.

De oudste beeldmerken zijn vaak zeer ornamenteel, in de loop der jaren is er in de meeste gevallen de essentie van het beeldmerk uit gedestilleerd. Sommige logo’s zijn zo krachtig, en worden zo zeer met het merk vereenzelvigd dat de bedrijfsnaam niet eens meer nodig is. De swoosh ís Nike, het bandenmannetje Bibendum ís Michelin, de geelrode schelp ís Shell.

Maar hoe groot de identificatie op een bepaald moment ook moge zijn, geen logo is voor de eeuwigheid. Er wordt voortdurend aan gesleuteld, omdat bedrijven verhuizen of fuseren, er een nieuw product in de markt moet worden gezet, of een nieuw management zijn eigen stempel op een merk wil drukken. Soms is een logo gewoonweg verouderd en is er een nieuw beeldmerk nodig om een bedrijf van zijn stoffige imago te ontdoen.

Read the rest of this entry →

21

11 2012

Jørgen Leth en de perfecte mens

‘De Mart Smeets van Denemarken’ wordt hij wel genoemd, ook door hem zelf. Het klopt ook wel – ten dele. Jørgen Leth (Aarhus 1937) verslaat sinds jaar en dag de Tour de France voor de Deense radio en tv, en ja, ook hij is fan van Lance Armstrong. Hij maakte een aantal documentaires rondom wielerwedstrijden, zoals En forårsdag i Helvede (‘een voorjaarsdag in de Hel’) en hij schreef een boek over de Tour. Maar Leth kan meer. Hij schrijft ook poëzie. En hij maakt schitterende, volstrekt originele, uiterst kunstzinnige documentaires.

Een aantal daarvan is nu te zien in de ‘filmische installatie’ My Name is Jørgen Leth, in de Tuinzaal van Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond is, als onderdeel van het IDFA-programma ‘EXPANDING DOCUMENTARY #3’.

De installatie bestaat uit acht schermen; op zeven daarvan zijn doorlopend films te zien, op de achtste een selectie van Leths poëzie. Die gedichten hebben eenzelfde ritme als zijn films en gaan over dezelfde onderwerpen: (jonge) vrouwen, seks, de perfecte mens, wielrennen – de legendarische Fausto Coppi met name.

Je kunt de films tegelijk bezien, als installatie. Dan zie je de overeenkomsten, niet alleen in onderwerpen maar ook bepaalde shots keren veelvuldig terug. Soms zie je beeldrijm dat er helemaal niet is; dan zie je in één oogopslag Andy Warhol, met zijn gebleekte, sluike haren, een whopper met ketchup eten in 66 Scenes From America en tegelijk, in een van Leths antropologische films, een Haïtiaanse man met een vreemd zwart kapsel met een angstaanjagend mes kaal geschoren worden.

De films zijn natuurlijk ook afzonderlijk te bekijken – staand, dat wel, desgewenst met een koptelefoon op je hoofd. In Stjernerne og vandbærerne, zoals de oorspronkelijke titel van The Stars and the Watercarriers luidt, doet Leth verslag van de 56e Giro d’Italia, in 1973. Van start tot finish volgt hij de renners op de motor, van zeer dichtbij. Maar hij heeft niet alleen aandacht voor de beproevingen van de ‘sterren’ en de ‘waterdragers’ in het peloton, Leth toont ook het circus dat de renners dag in dag uit volgt: van het gesleutel aan de fietsen door de mecaniciens tot het mediacircus.

Ook The Five Obstructions (2003) ontbreekt niet, waarmee Leth hier te lande nog het meeste bekendheid geniet. Het is een schrandere speelfilm en een making of-documentaire ineen, waarin te zien is dat Leth van zijn landgenoot en voormalig leerling Lars von Trier de opdracht krijgt zijn korte zwartwitfilm Det perfekte menneske (‘de perfecte mens’ – die ernaast wordt geprojecteerd) uit 1967 opnieuw te regisseren. Vijf maal, met telkens een andere, door Von Trier met sardonisch genoegen bedachte obstructie. Omdat Leth een voorliefde heeft voor lange takes, gebiedt Von Trier hem dat geen enkel beeld langer dan een halve seconde mag blijven staan, als Leth uitlegt hoe hij het toeval in zijn werk koestert, veroordeelt ‘aangever en pedagoog’ Von Trier hem tot het maken van een tekenfilmversie, waarin voor toeval geen plek is. Ook zijn animatie-versie van ‘de perfecte mens’ is prachtig; kan Leth dan waarlijk alles?!

Tijdens IDFA, t/m 25 november, biedt Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond onderdak aanEXPANDING DOCUMENTARY #3, een ‘grensoverschrijdend programma over de toekomst van documentaire storytelling’. Met live cinema events en een Late Night Club van Tom Barman. Met Robots in Residence, een geinig project waarin kleine pratende robots een documentaire maken met het publiek, en het indrukwekkende Empire, waarin Kel O’Neill en Eline Jongsma de overblijfselen van het Nederlandse kolonialisme belichten. En met My Name is Jørgen Leth en de DocLab Competition Showcase, met 15 computers en iPads waarop de documentaires te zien zijn die onderdeel uitmaken van de IDFA DocLab Competition for Digital Storytelling. Daaronder het aangrijpende Alma, a Tale of Violence, waarin de jonge Alma terugkijkt op de jaren dat ze lid was van een van de meest gewelddadige bendes in Guatamala en Pointer Pointer, een simpel, zeer verslavend online tijdverdrijf: zet de cursor ergens op het scherm, en er verschijnt een foto waarop iemand exact dezelfde plek aanwijst.

Solderen aan de toekomst; in gesprek met vijf Nederlandse medialabs

Voor de publicatie Nederland Labland sprak ik met vertegenwoordigers van vijf Nederlandse medialabs: Anne Helmond (Digital Methods Initiative, Amsterdam), Wilja Jurg (TETEM Kunstruimte, Enschede), Koen Martens (Revelation Space, Den Haag), Marleen Stikker (Waag Society, Amsterdam) en Tijmen Schep (SETUP, Utrecht en programmamanager van Virtueel Platform).

Zoveel medialabs zoveel definities, bleek tijdens het rondetafelgesprek. Al snel was sprake van een Babylonische spraakverwarring, met termen als educatielab en fablab, tijdelijk lab en virtueel lab, community, hackerspace en labaliker. Maar over één ding waren alle betrokkenen het roerend eens: het belang van het “geknutsel” in de verschillende soorten labs is groot. Het beïnvloedt de wetenschap en sectoren als zorg en onderwijs. Het beïnvloedt het leven van iedereen. Iedere dag opnieuw.
Klik hier voor het volledige artikel en hier voor een recensie in Metropolis M.

04

06 2012

Het beeld van de 21e eeuw: van een Louis Vuitton-tas tot handbeschilderde zonnebloemzaadjes

Gastcurator Joost Zwagerman vroeg 121 ‘prominente Nederlanders’ een beeld te kiezen dat symbool staat voor de pas begonnen 21ste eeuw. Een beeld dat kenmerkend, fascinerend of veelzeggend is voor de tijd waarin we leven en/of verband houdt met iemands persoonlijke leven. Het resultaat is Rollercoaster – Het Beeld in de 21e Eeuw, nu te zien in drie overvolle zalen van het MOTI uit Breda, het Museum of the Image (voorheen Graphic Design Museum).

De beelden zijn zeer divers, van snapshots tot doorwrochte kunstwerken, van films en boeken tot spotprenten en een (imitatie) Louis Vuitton-tas. Het maakt Rollercoaster een expositie als een magazine, een beeldenstorm die recht doet aan de stortvloed aan beelden die we dagelijks over ons uitgestort krijgen. Belangrijk en triviaal en beeldschoon en foeilelijk wisselen elkaar af.

Omdat er niets gestuurd of gemanipuleerd werd, kon het gebeuren dat drie van de ‘prominente Nederlanders uit de cultuurwereld’ hetzelfde beeld kozen: de iconische foto Richard Drew, van een man die van het brandende World Trade Center is gesprongen, en ondersteboven, bijna ontspannen naast de noordelijke toren hangt.

“Hij doet mij onweerstaanbaar denken aan de Toren van Babel van Breughel”, noteerde Freek de Jonge. Voor Frits Gierstberg, curator van het Fotomuseum in Rotterdam, symboliseert dit beklemmende beeld “de vrije val waarin de wereld na de aanslagen van 9/11 gevoelsmatig terechtkwam én de grote verschuivingen die sindsdien het onzekere politieke wereldtoneel beheersen.” “Hier viel niet alleen een man, maar het optimisme van de westerse beschaving na de val van de Muur”, motiveerde filosoof Menno Lievers zijn keuze.

De foto is op groot formaat op een muur geprint, direct aan het begin van de expositie. Ernaast hangt een zogenaamd ‘tegenbeeld’, een beeld dat een gesprek aangaat met een gekozen beeld: de boekcover van Don DeLillo’s roman Vallende man uit 2007. Daarop ontbreekt de man; maar hij staat direct op je netvlies, door de combinatie van de boektitel en de foto van de gevel van het WTC. En daar weer naast hangt een tekening, Vallen 5, van Paul van Dongen, gekozen door schrijver Willem Jan Otten. “Ik ken geen overtuigender verbeelding van tuimelen uit de tijd, uit het geloof, uit het bezield verband.”

Door de hele expositie hangen kleine schermpjes met het gezicht van Zwagerman. Als je op een rode knop drukt, begint hij te praten. “Wanneer begon de 21e eeuw eigenlijk?”, vraagt Zwagerman zich af. Om direct zelf het antwoord te geven: “Op 11 september 2001, de dag dat de torens vielen.”

Dat geldt overigens niet voor iedereen. Zo koos Stedelijk Museum-curator Bart Rutten een video van Jeroen Kooijmans uit 1998, waarin een Boeing door een eenvoudige ingreep – het draaien van de camera – een looping lijkt te maken. “Daar kon toen nog hartelijk om gelachen worden.” En kunstenaar Barbara Visser koos een schoolportret van Steve Jobs uit 1972. “Om te tonen dat in iedere schijnbaar gewone tiener misschien wel een Steve Jobs verborgen zit.”

Er zijn veel kunstwerken te zien, zoals Michael Haneke’s met een Gouden Palm bekroonde meesterwerk Das weisse band, Ronald Ophuis naargeestige schilderij Birkenau 1 en Ai Weiwei’s Sun Flower Seeds, volgens journaliste Bianca Stigter “hét kunstwerk van de 21e eeuw.” Dat is overigens niet in Breda, in een piepkleine vitrine liggen drie handbeschilderde zaadjes.

Maar niet alles is kunst. Jan Mulder koos een ‘echt kwakende eend’, als symbool voor de toestand in de wereld in de 21e eeuw, Frits Barend selecteerde een foto van de foute wissel van Sven Kramer, tijdens zijn 10 km-rit op de Olympische Spelen van Vancouver in 2010. “En zeg dan nooit: ach, het is maar schaatsen.” En Albert Verlinde – die samen met oud-museumdirecteur Rudi Fuchs op de Rollercoaster-poster staat; bien étonnés de se trouver ensemble – koos een fragment over de zelfgekozen dood van acteur-zanger Antonie Kamerling uit zijn eigen programma RTL Boulevard. De uitzending geeft volgens de musicalproducent annex presentator goed weer “hoe we in de 21e eeuw rouwverwerking een plek hebben gegeven in de media.”

Zo kun je het ook bekijken.

Rollercoaster – Het Beeld in de 21e Eeuw. T/m tot 2/9 in MOTI, Boschstraat 22 Breda

What Design Can Do!

Donderdag 10 mei en vrijdag is in de Amsterdamse Stadsschouwburg de tweede editie van What Design Can Do!, een internationale conferentie over de kracht van design, mode en architectuur en de rol die deze disciplines in de samenleving kunnen spelen. Er staan meer dan twintig sprekers op het programma, uit binnen- en buitenland. onder wie Catarina Midby, hoofd duurzaamheid van de Zweedse modeketen H&M, de Braziliaanse activistische interieurontwerper Marcelo Rosenbaum die make-overs doet met bewoners van sloppenwijken, en Cameron Sinclair, oprichter van Architecture for Humanity. Uit eigen land zijn onder anderen de landschapsarchitecten Piet Oudolf en productdesigner Hella Jongerius gestrikt.

In de aanloop naar de conferentie vroeg ik Rietveld Landscape, Dietwee, Pink Pony Express en DUS architecten wat design kan doen voor respectievelijk de economische crisis, de grachtenplassers, brood en verkeersopstoppingen.

Wat ontwerp kan doen voor… verkeersopstoppingen

“Nu steden als Parijs, Barcelona en Stockholm ook het concept van de witte fietsen hebben ontdekt, is het in Amsterdam tijd voor een volgende stap: de Vrije Vloot. Of de Witte Vloot of de Amsterdamse Vloot… Het is een vloeiende vrijstaat, die kan dienen als proeftuin voor de stad op het gebied van stedelijke ontwikkeling; voor ruimtelijke, sociale economische en ecologische vraagstukken, die vragen om een andere manier van denken en vooral van doen.”

DUS architecten maakt ‘veelzeggende architectuur zonder vooringenomen visies’; plekken waar mensen zich thuis voelen, van park tot patio, van lounge-plek tot woonwijk en van tijdelijke interieurs tot permanente gebouwen. In 2011 won het bureau de Amsterdamprijs, onder meer vanwege zijn maatschappelijke betrokkenheid. Onlangs heeft DUS de OpenCoop opgericht, een ‘beta-testplek’ in de stad waar ideeën en vraagstukken die nog niet helemaal uitgewerkt zijn getest en verder ontwikkeld kunnen worden.

Het idee voor de Vrije Vloot is niet ontstaan als oplossing voor de opstoppingen in de binnenstad, maar kan daar wel bij helpen, vertelt Hans Vermeulen, een van de drie partners, in het DUS-kantoor in de Tolhuistuin in Noord. “We zochten naar een manier om het water meer te gebruiken, meer in het dagelijks leven te incorporeren. Naar een manier om de oude infrastructuur van de stad op een moderne manier te gebruiken. Ook wilden we Noord wat meer met de stad verbinden. Over een tijdje hebben we natuurlijk de metro, maar dat is maar een dun lijntje. Het water is een enorme verbinding tussen Noord en de stad.”

“De Vrije Vloot bestaat uit honderden witte bootjes”, aldus Vermeulen. Het wit refereert natuurlijk aan het witte fietsenplan en aan de witkar, het tweepersoons, driewielig elektrisch motorvoertuigje, dat in de jaren ’70 is ontworpen door de Amsterdamse provo Luud Schimmelpennink, en bedoeld was als collectief vervoermiddel in de Amsterdamse binnenstad. “Dat was zijn tijd ver vooruit. Als je ze nu ziet, zijn ze nog steeds supermooi en futuristisch. Het zou mooi zijn als we dat principe naar het water kunnen vertalen: drijvende capsules waarin je droog blijft, en die geschikt zijn voor een paar personen. Het moeten geen partyboten worden.”

Dat het op het water bij tijd en wijle ook erg druk kan zijn, weet Vermeulen. “Maar dat is vooral pleziervaart, op zomerse dagen en volksfeesten als Gay Pride! en Koninginnedag. Je zou ook kunnen denken aan een combinatie: een enorme vloot kleine bootjes à la de Witkar én een grote buslijn, zoals de Venetiaanse vaporetto. Dat zijn bussen op het water. Die hebben wij ook niet, Amsterdam heeft alleen toeristenboten. Je zou een ‘rondje IJ’ kunnen maken, langs culturele bestemmingen en horeca, zoals Hannekes Boom, Mediamatic, NDSM, De Zwijger, Eye, Tolhuistuin, de Open Coop, de Westergasfabriek… Je zou desgewenst nog wat meer water en aanlegplekken kunnen creëren in Noord.”

DUS heeft het plan nog niet doorgerekend. “Het is nog een idee. En wij hebben veel ideeën, natuurlijk. Maar het is wel een plan dat opgepakt kan worden. Ook omdat er nieuwe technologieën zijn, zoals de fietsen in Parijs en de car2go, de elektrische Smarts die gebruik maken van een computertjes aan boord, waardoor leden gebruik kunnen maken van het vervoermiddel. Dat lijkt mij sowieso de meest interessante vorm: een coöperatie met leden. Hoe meer leden, hoe goedkoper het kan.”

What Design Can Do!, 10 en 11 mei in de Stadsschouwburg.

09

05 2012

Wat ontwerp kan doen voor… brood

“Volgens het stadsdeel wordt het oude brood gerecycled. Maar bijna iedereen weet dat dat niet gebeurt op de manier die gesuggereerd wordt, in ieder geval niet voor de volle honderd procent. Zoiets vinden wij interessant: de mensen weten dat het brood naar de vuilstort gaat, maar willen het eigenlijk liever niet weten. In de Koran staat namelijk dat je graan moet respecteren. Dat kun je hypocriet noemen, aan de andere kant is het ook heel menselijk: even de andere kant opkijken omdat dat nu eenmaal beter uitkomt.”

De Pink Pony Express is een interdisciplinair, in Amsterdam gehuisvest ontwerperscollectief dat fenomenen onderzoekt die ‘de tekenen zijn van informele netwerken’, bestaand uit grafisch ontwerper Annemarie van den Berg, de Zweedse stedenbouwkundige Jessica Hammarlund Bergmann, de Amerikaanse grafisch ontwerper Tara Karpinski en ruimtelijk ontwerper Cecilia Hendrikx.

Eind vorig jaar, tijdens een artist in residency in De Kolenkitbuurt, een buurt in stadsdeel West waarvan het grootste deel van de bevolking van Marokkaanse afkomst is, stuitten ze op de zogenoemde broodcontainers. Die zijn door de gemeente geplaatst om te voorkomen dat moslims hun oude boterhammen op straat of langs de waterkant uitstrooien voor vogels en eenden.

De broodcontainers maakten dan wel korte metten met de enorme ratten-, muizen- en meeuwenplaag, ze zorgen er niet voor dat het brood weer voor honderd procent in de kringloop werd teruggebracht, ontdekte de Pink Pony Express toen ze ‘als detectives’ het spoor van het vuilnis volgden.

Na gesprekken met Imams én wetenschappers leek het de Ponies een goed idee het brood binnen de grenzen van de wijk te houden. Eerst dachten de kunstenaars/ontwerpers aan een manier om compost van het brood te maken. Een gesprek met microbiologen, leerde hen echter dat Nederland overgecomposteerd is, en dat er meer energie uit brood te halen valt door middel van vergisting.

Vervolgens hebben ze contact opgenomen met de Wageningen University, de belangrijkste Europese universiteit op het gebied van ‘Life Sciences’. Karpinski: “Daar waren ze net bezig met een project om door middel van vergisting van oud brood strooizout te maken. Dat vonden wij een mooie oplossing, omdat het oude brood dat uitgestrooid op straat een probleem veroorzaakte wordt omgezet in een andere chemische samenstelling, die uiteindelijk ook weer op straat wordt gestrooid.”

De Universiteit was direct geïnteresseerd in de plannen van de Pink Pony Express, aldus Bergmann. “Ze vinden het interessant door de positie van de Kolenkit, die te boek staat als een van de slechtste wijken van Nederland én door de religieuze en politieke aspecten om juist daar een hypermoderne hightech-pilot te starten.” “Het duurt misschien nog wel vijftien jaar voordat het op grote schaal kan”, vult Hendrikx aan. “Maar de Universiteit wil graag op kleine schaal in de Kolenkit experimenteren, juist omdat ze de hele discussie er omheen zo boeiend vinden. En ze vinden het interessant dat wij het vraagstuk op een andere manier onder de aandacht kunnen brengen. Omdat wij nu eenmaal op een beeldende manier denken, bereiken wij andere mensen dan zij met hun formules.”

Een tentoonstelling in Mediamatic FABRIEK op het Oostenburgereiland moet eind 2012 voor nóg meer aandacht zorgen. Hendrikx: “De tentoonstelling heeft de duizenden stukken brood als onderwerp. De bewoners van de Kolenkit zijn dus eigenlijk curator van de show.”

“Het is nu allemaal in ontwikkeling”, zegt Van den Berg. “Uiteindelijk komt er een apparaat. Dat kan nog alle vormen aannemen, maar het mooist zou het zijn als het op zo’n uitvinding van Willie Wortel lijkt: dat je er aan de ene kant brood in kunt gooien en er aan de andere kant strooizout uit komt.”

What Design Can Do!, 10 en 11 mei in de Stadsschouwburg.

08

05 2012