Archive for the ‘Fotografie’Category

Zwart en wit, jong en oud, arm en rijk; één in hun verdriet

Robert Kennedy Funeral Train, 1968 © Paul Fusco / Magnum

Zwart en wit, jong en oud. Hele families en eenlingen, kantoorklerken en werklozen. Ze huilen, peinzen, kijken strak voor zich uit, zwaaien en wijzen. Ze salueren, houden hun hand of hun hoed op het hart. In alle gevallen is de verbijstering van de gezichten te lezen.

Sommigen hebben een Amerikaanse vlag meegenomen of een roos, anderen hebben een bord gemaakt. ‘So long Bobby’ staat er op zo’n bord te lezen.

Op een van de mooiste foto’s in het Amsterdamse Uitvaartmuseum staat een meisje. Moederziel alleen; ze draagt een roze bikini. Waar komt ze vandaan? Lag ze ergens te zonnen? Op een andere staat een hele familie: een vader en moeder en hun kinderen, alle vijf slechts gekleed in shorts, als de Daltons van klein naar groot, hun armen bungelen slap langs hun lijf.

De schitterende serie is gemaakt door Magnum-fotograaf Paul Fusco, die meereed op de trein met het lichaam van de Amerikaanse senator Robert Francis Kennedy. Die was op 6 juni 1968 overleden, nadat hij een dag eerder was neergeschoten (Emilio Estevez maakte de aangrijpende film Bobby over de aanslag). De jongere broer van John F. Kennedy was hard op weg de Democratische presidentskandidaat te worden en daarna waarschijnlijk de 37e president van de Verenigde Staten.

In een filmpje dat bij de expositie te zien is, legt Paul Fusco treffend het belang van de fotoserie uit: ‘Het zegt iets heel goed over ons mensen én over dit land. Er is veel liefde in mensen voor degenen die ze respecteren en bewonderen, degenen die ze vertrouwen.’

Funeral Train van Paul Fusco. T/m 26 september in het Nederlands Uitvaart Museum, Kruislaan 124 in Amsterdam.

Post to Twitter Tweet This Post

08

09 2010

‘Vergelijk het maar met zachte of atonale muziek, daar moet je ook een beetje je best voor doen’

Vladivostok, 2006 © Alexander Gronsky

‘Ik heb nu een dag of tien een studio in de Jordaan, maar ik heb nog geen foto gemaakt. Maar het artist-in-residency is volgens mij ook bedoeld om je tijd te nemen, om musea en galeries te bezoeken. Gisteren ben ik op Sail geweest. Op een boot, er waren oude vrienden van ons uit Estland. En vanochtend heb ik met mijn vrouw en baby door de stad gewandeld. Heerlijk. Maar fotograferen? Ik houd er niet zo van om foto’s te maken in de stad. Daar kan ik niet goed uit de voeten. Er gebeurt me veel te veel, dat leidt maar af. Ik moet het gevoel hebben dat ik controle heb over het beeld. Daarom geef ik er de voorkeur aan de stad uit te gaan, de natuur in.’

Terwijl zijn foto’s Foam worden binnengedragen, zit fotograaf Alexander Gronsky (Estland, 1980) een glaasje cola te drinken in het café. Dit voorjaar won hij de Foam Paul Huf Award, bestaand uit een geldbedrag van 20 duizend euro, een artist-in-residency in Amsterdam en een tentoonstelling in Foam. ‘Gronsky vernieuwt de traditie van documentaire fotografie’ meende de internationale jury. ‘In zijn werk gebruikt hij een narratief met een intieme afstand; veraf maar niet afstandelijk, waarmee hij een hele nieuwe wereld opent met een ogenschijnlijk klassieke techniek.’

In Foam zijn twintig foto’s te zien, verdeeld over twee verwante series: ‘Less Than One’, waarvoor hij naar delen van Rusland trok waar het gemiddelde bevolkingsaantal minder dan één per persoon per vierkante kilometer is, en ‘The Edge’, waarin hij de buitenwijken van Moskou in beeld brengt. Met deze tweede serie onderzoekt Gronsky niet alleen de periferie van de stad, hij zoekt ook de grenzen van de fotografie op. De foto’s zijn gemaakt tijdens de lange wintermaanden en worden in sterke mate bepaald door het wit van de sneeuw, waardoor ze abstract en grafisch aandoen.

Een beroepsopleiding tot fotograaf heeft hij ‘niet echt’ gedaan. Na enig doorvragen: ‘echt niet’. Gronsky werkte als assistent in een fotostudio en verhuisde op zijn twintigste van Estland naar Rusland, omdat hij dacht dat hij daar makkelijker werk zou vinden. Dat bleek te kloppen: na twee afspraken kon hij aan de slag bij een groot lifestyleblad. ‘Ik maakte foto’s bij reisverhalen, portretten bij interviews, en na verloop van tijd dacht ik: als fotograaf moet je toch ook eigen projecten doen. Toen ben ik begonnen met landschappen. De eindeloze ruimte sprak me aan. Het waren bovendien foto’s waarvan ik me kon voorstellen dat ze ergens aan een muur zouden hangen.’

Het kijken naar zijn fotografie moet een emotie oproepen vergelijkbaar met het gedachteloos staren, met een onbestemd gevoel van onbehagen, naar een ongedefinieerd punt ergens in de ruimte. Afstand is daarbij cruciaal, meent Gronsky. ‘Toen ik mijn stijl ontwikkelde, had ik last van de beroemde uitspraak van Robert Capa: Zijn je foto’s niet goed genoeg? Dan was je niet dichtbij genoeg! Een van mijn beste foto’s maakte ik toen ik bezig was met een reportage voor dat lifestyleblad. Ik was in Vladiwostok, in het uiterste oosten van Rusland, aan de Japanse Zee, toen ik een meisje zag dat op een dak lag te zonnen. Toen ik die scène zag, baalde ik als een stekker dat ik geen langere lens bij me had, dat ik niet dichterbij kon komen. Maar toen ik de foto thuis zag, wist ik direct: dit is het. Die enorme ruimte, de leegte, de eenzaamheid… dat is veel sterker. Die foto stond aan de basis van ‘Less Than One’; ik had ontdekt dat ik het meest geïnteresseerd was in de ruimte om iets heen, niet om een object of persoon met een bepaalde betekenis. Als mensen ook maar een beetje herkenbaar zijn, trekken ze zo veel aandacht. Dat leidt af. Als je ergens op inzoomt, veronderstel je dat de fotograaf een bepaald idee heeft met dat ene specifieke beeld. Maar in de meeste gevallen heb ik dat helemaal niet. Ik ben er, ervaar de ruimte. Dat levert schijnbaar abstracte werken op, maar als je beter kijkt, zie je steeds meer. Vergelijk het maar met zachte of atonale muziek, daar moet je ook een beetje je best voor doen.’

Op de vraag of hij met zijn foto’s iets wil zeggen over het Rusland van Poetin, kijkt Gronsky even peinzend voor zich uit. Dan: ‘Ja, dat denk ik wel. Hoewel, ik probeer de sociale context zo veel mogelijk te vermijden. Maar ik fotografeer het land op dit moment, dus het bevat informatie over het land op dit moment. Maar ik wil geen waardeoordeel uitspreken met mijn foto’s. Ze zeggen niet of het goed is, of slecht. Of dat het erg is dat het land vervuild is. Mijn werk is ook niet politiek; de Russische kunstwereld is geobsedeerd door politieke kunst, maar ik kan daar weinig mee; het zou me maar beperken. Ik ben ook geen journalist, ik voel me nog het meest senang met de term documentairefotograaf: ik documentair het land met mijn werk.’

De expositie in Foam is Gronsky’s eerste grote, eerder had hij alleen twee kleine tentoonstellingen in Moskou. ‘Ik doe nog steeds opdrachtwerk om in mijn levensonderhoud te voorzien. Mijn vrije werk is tot nu toe vooral een dure hobby; het kost me veel meer dan het oplevert. Ook als ik ze allemaal verkoop; het zijn series van een stuk of zeven, en ze doen rond de 1000 euro, zonder lijst – dat is redelijk normaal voor een beginner. Van dat bedrag gaat de helft naar de galeriehouder, en ze gaan nog niet als warme broodjes over de toonbank. Als ik er twee of drie verkoop in een maand is het veel, dus reken maar uit…’ Hij stopt en kijkt op. ‘Ik praat veel over geld, hè? Dat is niet zo goed voor een jonge kunstenaar? Begrijp me niet verkeerd, ik vind het geweldig om te doen. Maar dat concept van een straatarme artiest staat me niet echt aan… En ik heb een vrouw en een baby en een huis… Ach. ik begin natuurlijk nog maar net. Daarom is de Paul Huf Award ook zo belangrijk. Prijzen zijn goed voor je marktwaarde, zo werkt het nu eenmaal. En vanwege die 20 duizend euro, natuurlijk. Ik mag het vrij besteden, geloof ik.’

Foam Paul Huf Award: Alexander Gronsky. T/m 10 oktober 2010 in Foam_Fotografiemuseum Amsterdam. www.Foam.nl

Post to Twitter Tweet This Post

26

08 2010

Ingrepen in en aan een monumentaal gebouw

Art Dubai confirms position as leading art fair in the Middle East with strong sales and record attendance - Art Dubai official sponsor of annual Rietveld Academy graduation show van Mrova (foto Dietmar Gunne)

Vlak voor de officiële opening van de Eindexamenexpositie van de Gerrit Rietveld Academie waren twee mannen in de weer om een enorme tag van de witte gevel van het monumentale gebouw te verwijderen. Met hogedrukspuiten, enorme borstels en groene zeep. Dat is dan tenminste duidelijk: de graffiti – een rokend, slordig getekend, Bart Simpson-achtig mannetje – hoort niet bij het eindexamenwerk. En het wapperende spandoek erboven dus wel, net als de gouden vlaggenhouders onder de naam van de school, en de rode lijn die over de metershoge gevel loopt.

In en rond de Rietveld is dezer dagen het werk te zien van 189 studenten, afkomstig uit alle windstreken, afstuderend in disciplines als Textiel, Mode, Beeld & Taal, Keramiek, Fotografie, Beeldende Kunst, Grafisch Ontwerp en Audiovisueel. Zij doen dat met foto’s, fröbelwerkjes en haarfijne tekeningen, enorme abstracte doeken, maquettes en installaties, glaswerk, films en performances. En ingrepen in en aan het gebouw.

Read the rest of this entry →

Post to Twitter Tweet This Post

Speciale shirts voor 4-4-2 én 4-3-3

Klaas-Jan Huntelaar. © Floor Wesseling. fotografie Wouter Stelwagen

Toen een Hongaarse vriend van de Amsterdamse ontwerper Floor Wesseling een paar jaar geleden naar Milaan verhuisde, twijfelden de achterblijvers of ze hem een shirt van Inter of van AC cadeau zouden doen. Wesseling bracht uitkomst: hij combineerde het rood-zwart van AC Milan met het blauw-zwart van Inter. Met behulp van een handleiding heraldiek die zijn vader hem had gegeven en die nog van zijn opa was geweest (althans, zijn opa, die familiewapens maakte voor mensen die rijk waren maar niet van adel, had het nooit teruggebracht naar het gemeentearchief van Assen).

Van het een kwam het ander. De 35-jarige Wesseling, in 2002 afgestudeerd aan de Rietveld Academie, maakte sindsdien meer dan honderdvijftig voetbalshirts. Met allerhande delingen: doorsneden, doorgesneden en halfgedeeld, gevierendeeld. geschuind, gebalkt, etcetera. Soms breekt Wesseling een regeltje en legt hij blauw tegen blauw of rood tegen een andere tint rood. Het esthetische aspect is belangrijker dan de regels; het moeten wel mooie shirts worden.

Met zijn shirt vertelt Wesseling verhalen. Verhalen van carrières bijvoorbeeld: zo maakte hij een gevierendeeld shirt voor Huntelaar, toen die nog in de spits bij Ajax speelde. Met een kwart Ajax, een kwart Heerenveen, een kwart PSV, een kwart AGOVV en een hartschild van De Graafschap. En hij maakte een horizontaal gebalkt carrièreshirt voor Zlatan Ibrahimovic, met een lichtblauwe balk van het shirt van Malmö, en daarboven balken Ajax, Juventus, Inter en Barcelona. Een bevriende voetbalmakelaar vertrouwde Wesseling overigens toe dat het shirt toe is aan revisie: volgend jaar schijnt Ibrahimovic in het lichtblauw van Manchester City te spelen.

Wesseling maakte shirts van de traditionele topdrie (Ajax, Feyenoord, PSV), een ‘superjodenshirt’ (Ajax gecombineerd met het nationale tricot van Israël) en verscheidene Berlusconi-shirts (o.a. het roodzwart van AC Milan gecombineerd met het roze van Palermo, de maffiahoofdstad). Hij maakte een shirt van de tricots van alle Premier League-clubs uit Londen, om de twee jaar maakt hij een nieuw Nederland-Duitsland shirt, en Wesseling maakte de nieuwe shirts voor zijn eigen elftal: de spelers van het tweede van Zeeburgia dragen komend seizoen shirts waarvan hun positie in het veld is af te lezen. Het maakt niet uit welke tactiek het team kiest: Wesseling maakte shirts voor zowel 4-4-2 als voor 4-3-3.

Alle shirts zijn nu op model gefotografeerd door Marques Malacia voor het mooi vormgegeven boek ‘Blood In Blood Out’, waarin ook een overzicht is opgenomen van de systematiek en symboliek van de heraldiek en dat fraaie verhalen bevat over de derby’s die de verschillende shirts verbeelden. Een selectie van Wesselings shirts is bovendien te zien in de etalage van het Graphic Design Museum in Breda. Een selectie min één, overigens: het shirt dat hij speciaal voor de Bredase expositie maakte, een verbeelding van dé regioderby NAC-Willen II, mag niet worden getoond; het museum is bang dat de harde supporterskernen de ruiten ingooien.

Blood In Blood Out door Floor Wesseling. Bis Publishers. ISBN 978-90-6369-244-5. 224 pagina’s, 34 euro. T/m 6 september in het Graphic Design Museum in Breda.

Post to Twitter Tweet This Post

29

06 2010

De ziel van de fotografie

Een van de vele foto’s die in Genius of Photography worden besproken: Pond - Moonlight van Edward Steichen, ten tijde van de opnames de duurste geveilde foto uit de geschiedenis.

Eindelijk op dvd: de 6-delige, veelvuldig bekroonde, door fotografen bejubelde BBC-serie Genius of Photography. Het is een soort Allemaal Film of Allemaal Theater, maar dan, zoals de titel al aangeeft over fotografie. Werkelijk ieder facet komt aan bod in zes afleveringen van bijna een uur (verdeeld over twee schijfjes): zwart-wit en kleur, oud en nieuw, van de eerste fotografische experimenten in de jaren ‘40 van de 19de eeuw tot de huidige digitale revolutie. Van Louis Daguerre en Robert Capa, Nan Goldin en Henri Cartier-Bresson tot Martin Parr en Cindy Sherman.

Aan het woord komen tientallen wereldvermaarde fotografen, verzamelaars, uitgevers, curatoren, veilingmeesters en kunsthistorici, en er trekt een schier oneindige reeks foto’s voorbij. Gemaakt op alle continenten. De serie plaatst de fotografie in perspectief (sociaal, politiek, economisch en artistiek) en belicht verschillende genres, zoals kunst, nieuws, reportages, landschappen, portretten en advertenties.

De lat is hoog gelegd: ‘De ziel van de fotografie’, dat is wat Genius of Photography wil blootleggen. En het lukt nog ook. De serie leert je kijken en begrijpen hoe fotografie weet te ontroeren, beroeren, ontgoochelen, te laten genieten en herbeleven. ‘And that is the true genius of photography!’

Post to Twitter Tweet This Post

28

05 2010

Zwanger? In ontblote staat op de cover!

Demi Moore zette een trend, toen ze in augustus 1991 zeven maanden zwanger poseerde voor de cover van de Vanity Fair. Cindy Crawford deed haar na, en Christina Aguilera, Brooke Shields, Claudia Schiffer, Monica Bellucci (twee keer), en Britney Spears (drie keer), om er maar een paar te noemen. Ook in Nederland vond Moore navolging: Elle van Rijn ging uit de kleren voor Mama, Nikkie Plessen stond naakt op de cover van Grazia, en Sanne Wallis de Vries deed een Demi Mooretje voor Vrij Nederland.

De leukste variatie is voor de poster van Naked Gun 33 1/3: The Final Insult, met het hoofd van Leslie Nielsen op het naakte lijf van Demi Moore. Celebrity-fotografe Annie Leibovitz klaagde Paramount aan wegens inbreuk op haar auteursrecht; de studio verweerde zich met het argument dat de poster een parodie was voor een film waarin de hele filmgeschiedenis en popcultuur werden geparodieerd. De studio won.

Post to Twitter Tweet This Post

27

05 2010

Bezorgd om Jan Bal

© Niels Blekemolen

Een tijd geleden interviewde ik fotograaf Rob Hornstra over zijn Sotchi Project. In Foam schoof ook een jongen aan die zijn assistent bleek te zijn: Niels Blekemolen. Hij fotografeerde zelf ook, vertelde hij. Recent heeft hij een project afgerond, waarvoor hij een oude, alleenstaande man volgde, die woont in een geprivatiseerd verzorgingshuis waar Blekemolen. Blekemolen zoekt nu donateurs, zodat hij een krant kan laten drukken met zijn fraaie foto’s van Jan Bal én om aandacht te vragen voor de marktwerking in en de kwaliteit van de zorg. Voor maar 5 euro krijg je een exemplaar van de krant; voor 50 euro (of meer) tevens een afdruk van een van de foto’s. Meer informatie is te vinden op de site van Blekemolen en op PhotoQ.

Post to Twitter Tweet This Post

11

05 2010

‘Gewoon eerlijk je zin doen’

Eindhoven Airport, 6 augustus 2006 © Joost van den Broek

Guus Dubbelman, vaste freelance-fotograaf bij De Volkskrant, deed kort geleden zijn beklag over het nieuwe compacte formaat van de krant. Foto’s komen er niet langer tot hun recht, stelde Dubbelman: ‘Fotojournalistiek begint minimaal bij vier kolom in een acht koloms broadsheet’. Wat langer geleden riepen persfotografen hel en verdoemenis over een experiment van regionaal dagblad De Gelderlander om verslaggevers van de stadsredactie uit te rusten met een digitale camera. Sindsdien is het stil rond het onderwerp, terwijl ‘Nokia-fotografie’ toch langzaam maar zeker ingeburgerd raakt.

Fotojournalistiek en beroepsfotojournalisten staan onder druk. Terwijl de betekenis van het beeld alleen maar toeneemt, gaan bezuinigingen van krantenuitgevers vaak ten koste van de persfotografie. Multimediale ontwikkelingen en de opkomst van de amateur-persfotografie tasten de positie van de beroepsfotograaf verder aan. Dat is niet alleen ‘opmerkelijk’, stelt Bijzonder hoogleraar fotografie Frits Gierstberg in het voorwoord van Door de lens van professionele fotografen, ‘als we ons bedenken dat de makers van het beeld achter het beeld in de problemen komen, is dat zonder meer verontrustend te noemen. Want waar blijft de voor onze democratie zo broodnodige onderzoeksjournalistiek als de makers hun verhalen niet meer kwijt kunnen?’

In de bundel Door de lens van professionele fotografen laat Lise Lotte ten Voorde vijftien documentairefotografen aan het woord over hun professionele afwegingen en hun persoonlijke drijfveren. Op één vlak zijn hun tips opvallend eensluidend: het onderwerp. ‘Begin te fotograferen wat je mooi, interessant of spannend vindt. Hou het dicht bij jezelf’, adviseert Chris de Bode. ‘Blijf jezelf’, stelt Filip Claus. ‘Gewoon eerlijk je zin doen’, aldus Paul Van den Abeele. En ook volgens Jimmy Kets moet je gewoon doen waar je zin in hebt: ‘Volg je hart’.

Over andere zaken zijn de dames en heren – afkomstig uit Nederland en België; jong en oud; man en vrouw; geschoold en ongeschoold: ervaren en aanstormend, wereldvermaard en minder bekend – veel minder eensgezind. Zo adviseert Wouter Van Vaerenberg om veel foto’s en fotoboeken te bekijken (‘In de fotogeschiedenis duiken: super tijdverdrijf!’). Paul Van den Abeele stelt juist dat je níet naar fotoboeken moet kijken, ‘maar naar de werkelijkheid, de mensen, de natuur’.

‘Fotografeer heel veel en geef niet te snel op!’ is de tip van Martijn van de Griendt. ‘Doorgaan. Blijf fotograferen’, adviseert Carl de Keyzer. ‘Er zijn natuurlijk heel veel elementen die je van het fotograferen kunnen afhouden of die je kunnen frustreren. Maar je moet er gewoon voor gaan.’ ‘Nooit opgeven, en altijd verder gaan’, meent Lieve Blancquart. Ad van Denderen is een andere mening toegedaan: ‘Werk vier jaar hard, zet zoveel mogelijk opzij en als het na vier jaar nog niets is, STOP en ga wat anders doen’.

Naast de prettig geschreven interviews vol smeuïge anekdotes, open deuren, ontboezemingen en andersoortige tips (‘Je moet een worden met je camera; jij en je camera moeten een entiteit worden’, aldus Lieve Blancquert. De Groninger Reyer Boxem houdt het wat aardser: ‘Neem altijd reservebatterijen mee’) bevat Door de lens van professionele fotografen handige kaders met persoonlijke gegevens van de fotografen, fraaie portfolio’s en informatie over de inhoud van hun cameratassen. Dure camera’s mogen volgens Reyer Boxem dan nog geen goede foto’s maken, de meeste genoemde toestellen – van Leica’s en Hasselblads, Canons en Nikons tot Minolta’s en Mamiya’s – vergen een aardige investering.

Wie, zoals Joost van den Broek, vindt dat fotografie het mooiste vak is dat er bestaat, moet het er maar voor hebben. En een paar tientjes voor Door de lens van professionele fotografen, om inzicht te verkrijgen in de manier waarop goede fotojournalistiek tot stand komt. Niet alleen warm aanbevolen voor amateur-fotografen en semi-professionals, maar ook voor hoofdredacteuren in kranten- en tijdschriftenland.

Door de lens van professionele fotografen. Door Lise Lotte ten Voorde. Uitgeverij Easy Computing Publishing. ISBN: 978-90-456-4750-0 Prijs € 29,95

Post to Twitter Tweet This Post

28

04 2010

De sporen van het menselijk tekort

Tsjernobyl, controlepaneel. Uit: Memory Traces’ van Cary Markerink‘

Ik heb me altijd verzet tegen de romantische landschapsfotografie… tegen die kalenderplaatjes met een ondergaande zon. Het landschap ziet er toch heel anders uit? Als ik een ondergaande zon zou fotograferen, staat er op de voorgrond een kerncentrale.’

Fotograaf Cary Markerink (Medan, Indonesië, 1951), exponent van de atoomgeneratie, reisde de hele wereld over om ‘zijn’ geschiedenis te verbeelden. Hij trok naar Hiroshima en Nagasaki, de Bikini-atol waar tientallen atoomproeven plaatsvonden en Tsjernobyl, naar de Vietnamese dorpen My Lai en Khe San, Sarajevo en de Potsdamer Platz in Berlijn. Hij keek er om zich heen en fotografeerde, verbaasde zich en schreef. En bundelde al zijn ervaringen ten slotte in ‘Memory Traces’: een monument voor de in het landschap gegrifte sporen van het menselijk tekort.

In zijn Amsterdamse woning annex atelier staat een loden zakje met de geigerteller die hij meenam naar Tsjernobyl. ‘Die is zelf radioactief geworden. Als je ‘m aanzet, gaat-ie meteen piepen. Ik moet het bedrijf waar ik hem heb gekocht eens bellen, want dit geef je niet met het chemisch afval mee.’

Op sommige plekken mocht hij niet komen, in Nevada bijvoorbeeld, waar de Amerikanen hun atoombommen testten, en het kostte jaren voordat hij in Tsjernobyl mocht doen wat hij wilde. ‘Je kon er wel heen, maar je mocht de centrale niet in. Dát landschap wilde ik fotograferen; de controlekamer waar dat catastrofale experiment heeft plaatsgevonden…’

Bepaalde plekken heeft hij overgeslagen. ‘In de buurt van Tsjernobyl staat een verbrand zwart bos, helemaal versteend. Dat was een fantastische foto geweest, maar op weg erheen begon de geigerteller te keer te gaan… De radioactiviteit was er volgens Amerikaanse normen levensgevaarlijk. Dat bos heb ik dus maar overgeslagen. Ik wil niet dood. Er zijn mensen die vragen of ik ’s nacht oplicht. Natuurlijk, antwoord ik dan. Mijn vriendin hoeft in bed niet lang naar me te zoeken.’

Markerink werkte ruim vijftien jaar aan het project. Na het fotograferen – de eerste foto maakte hij al in 1997, de laatste stamt uit 2008 – nam hij alle tijd om zijn ideeën over documentaire landschapsfotografie als spiegel van onze cultuur op papier te zetten. Dat gebeurt in verschillende vormen, van reisverslagen en ‘geschreven foto’s’ tot fictie. Vervolgens nam de vormgeving ruim een jaar in beslag.

Daarvoor vroeg Markerink de gelauwerde ontwerpster Irma Boom. ‘Tijdens onze eerste gesprekken zei ze dat ze een boek wilde maken op staand formaat. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik maak vaak panoramafoto’s, die wilde ik zo groot mogelijk zodat je alle details goed ziet. Dat kan niet anders dan liggend, dacht ik.’

Toch liet hij Boom haar gang gaan, en spijt heeft hij daarvan niet gehad; ze maakte een prachtig boek waarin de gelaagdheid van beeld en tekst, landschap, geschiedenis en herinnering volledig tot hun recht komen. Sommige foto’s vallen binnen de marge, de meeste kun je uitklappen. ‘Ik werk graag met een extreme groothoek, omdat dat een enorm zuigend perspectief oplevert. Ik wil de kijker het beeld in hebben, erbij betrekken. Het enige nadeel van zo’n lens is dat-ie ook veel voorgrond oplevert. Die moet ik dus aansnijden. Dat doe ik op gevoel. Daardoor zijn de formaten altijd net weer anders. Ik hou me niet graag aan de kaders van de foto-industrie.

Het fotoboek is verpakt in een speciaal ontworpen doos waarin nog twee kleine boekjes schuilgaan: een met de grofkorrelige familiekiekjes van een filmpje dat Markerink in een ontruimd en geplunderd huis nabij Tsjernobyl vond en een thriller gesitueerd in de kunstwereld, waarin hij zijn ideeën over fotografie verwoordt.

Het even verontrustende als fraaie boek zelf omvat slechts dertig foto’s, en dat hadden het er nog minder kunnen zijn: oorspronkelijk wilde Markerink maar één foto per locatie. ‘Ik zeg altijd dat ik uit de negentiende eeuw kom: de tijd dat één foto van ver weg mensen eindeloos deed fantaseren.’

Als hij terugkijkt is hij een tikkeltje teleurgesteld. ‘Wij mensen kunnen fantastische machines maken; we hebben zoveel kennis, en toch vallen we iedere keer terug op destructief gedrag. Ik vind het jammer dat we het met z’n allen niet een beetje leuker maken. Er zit zoveel meer in mensen. Ik klink nu vast als de late jaren 70-jongen die ik nu eenmaal ben, maar het kan toch veel beter?!’

Maar ondanks alle destructie is Markerink positief gestemd. ‘Je ziet dat dingen weer herstellen; als wij van de aarde verdwijnen, is de natuur er zo weer bovenop. In Tsjernobyl groeien de bomen alweer driehoog uit het tapijt. Als wij op tijd uitsterven, blijft die aarde nog wel een tijdje doordraaien… De natuur is grenzeloos vitaal.’

Memory Traces is te bestellen op www.carymarkerink.nl. ISBN 978-94-90506-01-8. Prijs € 150,00. Werk van Cary Markerink is t/m 17 april te zien in Johan Deumens Gallery, Donkere Spaarne 32ZW in Haarlem. www.johandeumens.blogspot.com

Post to Twitter Tweet This Post

08

04 2010

Foto’s die werelden openen

Er zijn naar alle waarschijnlijkheid meer foto’s genomen van de sterren dan van de Eiffeltoren, stelt curator Els Barents ter verantwoording van de expositie ‘First Light: Fotografie & Astronomie’ in het Museum voor Fotografie Huis Marseille.

Er zijn dan ook talrijke maanfoto’s te zien – natuurlijk. Het zijn historische ferrotypieën in zwart-wit en spiksplinternieuwe C-prints in alle kleuren van de regenboog, door Barents cum suis gegrasduind in universiteitsbibliotheken en bij sterrenkundig instituten, niet in musea of bij kunstverzamelaars. Ze zijn niet gemaakt door (professionele) fotografen, maar door astronomen, telescopen, bemande en onbemande ruimtevoertuigen, ruimteschepen, ruimtesondes en door satellieten. Dat laat onverlet dat de beste werken doen wat álle geslaagde foto’s doen: ze openen werelden. Letterlijk.

In januari 1839 schetste de Franse sterrenkundige François Arago al het nut van de fotografie voor de sterrenkunde: hij voorzag de ontdekking van ‘nieuwe, bijzondere werelden’ als een camera aan de telescoop wordt bevestigd. Hij moest eens weten. Sinds de Hubble Space Telescope op 24 april 1990 in een baan om de aarde is gebracht, kunnen er zelfs ‘Ultra Deep Field’-opnames worden gemaakt, beelden van het diepste (langdurigste en verste) deel van de hemel. Het zijn marmerachtige, hallucinatoire afbeeldingen; torens van koud gas en stof; fantasierijke vormen gevormd door sterke gaswinden en gloeiendhete ultraviolette straling.

Op de bordjes staat wat je ziet, maar veel wijzer wordt je er niet direct van. Sterker: soms hebben de bijschriften veel weg van raketwetenschap: ‘de foto is samengesteld uit false colour-beelden die emissies laten zien in infrarood-golflengten van 3.6 micron (blauw), 4,5 micron (groen), 5,8 micron (oranje) en 8,0 micron (rood)’.

De indeling van de tentoonstelling volgt de structuur van het heelal, en dat werkt dan wel weer goed. In de eerste vertrekken zijn foto’s te zien van de zon en de maan; in het souterrain is plaats ingeruimd voor 9 hemellichamen die rond de zon draaien; op de eerste verdieping zijn sterren en nevels te vinden; en nog hoger, op de tweede verdieping, de sterrenstelsels die buiten dat van ons liggen.

Zo wordt op ingenieuze wijze de relatie tussen ruimte en tijd inzichtelijk gemaakt: bezoekers maken tegelijkertijd een reis door de geschiedenis van de fotografie, van het verleden naar het heden, én een reis terug in de tijd: hoe verder weg er door de voortschrijdende techniek gefotografeerd kan worden, hoe ouder de beelden zijn. Zo bezien maakt de fotografie het mogelijk om terug in de tijd te kijken, naar ‘babyfoto’s’ van het heelal’ en naar ‘beelden die dichtbij de oerknal liggen’.

Maar het meest tot de verbeelding spreken toch de zwartwitfoto’s uit de beginjaren van de ruimtevaart. Waarop Jupiter en Saturnus speldenprikjes zijn, en Mars mysterieus opdoemt uit het duister – wat voeding gaf aan de verhalen over marsmannetjes en andere vormen van buitenaards leven.

De maanfoto’s inspireerden ook kunstenaars, is te zien in Huis Marseille. De Amerikaanse fotograaf Michael Light (nomen est omen) componeerde een monumentaal panorama van vijftien zwart-wit opnamen die de astronaut Harrison Schmitt op 13 december 1972 met zijn Hasselblad-camera maakte van Eugene Cernan, gezagvoerder van de Apollo 17 (tot op de dag van vandaag de laatste bemande missie naar de maan) en zijn Lunar Rover bij Split Rock. De Duitse fotograaf Thomas Ruff bewerkte de negatieven van het European Southern Observatory in Chili met de computer, en drukte zijn prints af op reuzenformaat.

Het zijn foto’s waar je je heel klein bij voelt.

First Light: Fotografie & Astronomie. T/m 30 mei in Huis Marseille. www.huismarseille.nl

Post to Twitter Tweet This Post

12

03 2010