Archive for the ‘Weblog Cannes 2010’Category

Cannes dag 10: vrijdag 21 mei (slot)

Het festival loopt ten einde. Dat merkte je de afgelopen dagen al aan de gratis edities van de vakbladen Variety, Screen en THR. Die werden iedere dag wat dunner, en de dag nadat de filmmarkt is geëindigd verschijnen ze helemaal niet meer. Er lopen ook steeds minder mensen rond in Cannes, en de sfeer werd iets minder opgefokt.

Tot vanochtend dan: voor het festivalpaleis blokkeerden tientallen politiebusjes de straat; gendarmes stonden overal. Iedereen die naar binnen wilde, werd grondig gefouilleerd. Tassen werden ondersteboven gehaald; flesjes water moesten worden afgegeven.

De maatregelen hadden van doen met de vertoning van Hors-la-Loi, waarmee de Frans-Algerijnse regisseur Rachid Bouchareb eens te meer aantoont dat het Franse koloniale verleden nog altijd een open zenuw is. Het Front National had opgeroepen om actie te voeren vóór de wereldpremière in Cannes. Maar ik heb geen oproerkraaier gezien in de buurt van het paleis. De film viel niet mee: Hors-la-Loi is een belangrijke, maar daardoor nog niet geslaagde geschiedenisles.

De aansluitende persconferentie was een nerveuze toestand, met heel veel kleerkasten van bewakers. Bouchareb formuleerde begrijpelijkerwijs uiterst omfloerst: zijn film is bedoeld om het debat op gang te brengen over het Franse koloniale verleden, zodat de bladzijde eindelijk definitief omgeslagen kan worden. Hij benadrukte dat er bij Indigènes ook al protesten waren, en dat de bioscoopbezoeker – de Franse en de Algerijnse – zich daardoor gelukkig niet had laten weerhouden zijn film in het hart te sluiten.

Liep Cyrus Frisch nog tegen het lijf, die naar Cannes is gekomen om met sales agents te praten over zijn WorldProblems Project. Helaas geen tijd voor koffie, ook niet met Dick Rijneke. Wilde nog een laatste film zien: Rebecca H. (Return of the Dogs) van de Amerikaan Lodge Kerrigan, een intens portret van een actrice op de rand van en zenuwinzinking die in een film van Lodge Kerrigan speelt…

In het hotel alle bladen en persmappen weg gekieperd; alleen het bijzonder mooie boekje bij Apichatpong Weerasethakuls Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives gaat mee naar huis.

Het was al met al een redelijk festival. Als je tenminste niet focust op die dertig films die zozo zijn, maar op dat handjevol films dat er bovenuit steekt: Poetry van Lee Changdong, Autobiografia lui Nicolae Ceausescu van Andrei Ujica, Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives van Apichatpong Weerasethakul, Biutiful van Alejandro González Iñárritu. Iedereen zegt hier altijd dat het vorig jaar beter was. En iedereen kijkt hier altijd reikhalzend uit naar Venetië, waar al die gweldige films naartoe gaan die net niet op tijd klaar waren voor Cannes: Terrence Malicks The Tree of Life, Sofia Coppola’s Somewehere, Clint Eastwoods Hereafter, Julien Schnabels Miral, Anton Corbijns The American, Bela Tarrs The Turin Horse, Tran Anh Hungs Norwegian Wood…

En daar gaat het dan precies zo als in Cannes: er zitten vast pareltjes tussen, maar het kunnen onmogelijk allemaal meesterwerken zijn…

21

05 2010

Cannes dag 9: donderdag 20 mei

Wat is een Nederlandse film? Volgens Holland Film, de organisatie die de Nederlandse film in het buitenland promoot, is Over Your Cities Grass Will Grow van Sophie Fiennes een Nederlandse productie. Het is een documentaire van een Britse regisseur over een Duitse kunstenaar gesitueerd in Frankrijk. Maar geproduceerd of gecoproduceerd door de Nederlander Kees Kasander. Schastye moe/Mein Glück/My Joy van de Oekraïner Sergie Loznitsa, gecoproduceerd door het Amsterdamse Lemming Film, is dan weer geen Nederlandse productie… Het zal de (economische) realiteit wel zijn, maar er is geen touw aan vast te knopen. Zoals er in Cannes wel meer gebeurt wat niet helemaal te bevatten is… Waarom is Andre Schreuders bijvoorbeeld niet even voorgesteld op de Dutch Party? Wat doet een ‘non-executive director’? (ik werd gebeld of ik Pierre Lescure, wilde interviewen, de non-executive director van de gerestaureerde versie van Alfred Hitchcock’s meesterwerk Psycho).

En hoe werken de horloges van pr-medewerkers precies? Als ze waarschuwen dat de interviews een kwartiertje zijn uitgelopen, kun je er gevoeglijk vanuit gaan dat je minstens een half uur moet wachten. Andersom blijkt een interview van een half uur in de praktijk vaak maximaal een minuut of twintig te duren. Nog een raadsel: waar zoeken de beveiligers bij de deuren van het paleis precies naar?

Vanochtend was het weer raak: ik hield mijn tas open, de beveiligster vroeg of ik een fototoestel bij me had. ‘Twee’, antwoordde ik, ze lachte en ik mocht doorlopen. Met mijn  fototoestel.

Naar Fair Game van Doug Liman, de enige Amerikaanse productie in de Gouden Palm-competitie. Het is een behoorlijk meeslepende politieke thriller, waarin Liman (bij het grote publiek vooral bekend door popcornvermaak als The Bourne Identity, Mr. & Mrs. Smith en Jumper) maar weinig concessies doet om de ingewikkelde, waargebeurde affaire begrijpelijk en invoelbaar te maken voor een groot publiek. Alleen het einde, waarin huwelijkscrisis en bombastisch patriottisme de overhand krijgen is wel erg des Hollywoods.

Op de aansluitende persconferentie, waar ik dankzij twitter en collega Robbert Blokland een plek op de eerste rij had, werd Liman onder meer gevraagd naar de dreiging van Iran (‘Ik ben regisseur, geen nucleair non-proliferatie-expert’) en naar het verschil tussen Jumper en Fair Game (In de eerste versie van het script dematerialiseerde Valerie Plame aan het slot. Dat bleek toch niet goed te werken…).

In mijn hotel op mijn laptop gekeken naar de Belgische kortfilm IJsland (sfeerrijk), de Nederlandse film Zingen in het donker , die ik vanochtend in mijn postvakje vond (bar en boos), en naar de geweldige Deense documentaire Armadillo.

Vervolgens naar The Two Escobars geweest, een indrukwekkende documentaire over de connectie tussen narco-terrorist Pablo Escobar en voetballer Andrés Escobar, die op het WK voetval in Amerika, 1994 het eigen doelpunt maakte dat de uitschakeling van Colombia betekende en vervolgens in eigen land werd doodgeschoten. Jammer alleen van de vreselijke muziek.

Daarna snel naar het strand, voor mijn interview met Juliette Binoche. Een half uur met zijn zessen (waaronder helaas mijn krankzinnige collega uit Israël die je er dan weer liever niet bij wilt hebben)…  Binoche, in een lila satijnen jurkje, was zeer onderhoudend.

’s Avonds nog naar twee hardcore-artfilms: Rebecca H. (Return to the Dogs) van Lodge Kerrigan en Lung boonmee raluek chat (Oncle Bioonmee ceui qui souvient de ses vies intérieures), een onnavolgbare Boedhistische parabel, met onder meer een reïncarnatie die op de aapmensen uit Tim Burtons Planet of the Apes lijkt (met rode lampjes als ogen), een prinses met een verbrand gezicht, en een sprekende meerval.

Bijna niemand liep weg. Na afloop klonk er een minutenlang applaus. Ook dat was niet helemaal te bevatten.

20

05 2010

Cannes dag 8: woensdag 19 mei

Gust Van den Berghe

De dag begonnen met Poetry van Lee Changdong, een delicaat, ontroerend drama over een sjieke, arme oma die voor haar niet-deugende kleinzoon zorgt… Lee mag van mij zo de prijs voor het beste scenario krijgen; het verhaal is uiterst subtiel en prachtig gedoseerd. Yun Junghee is geweldig in de hoofdrol, en oud-Volkskrant-criticus Peter van Bueren loopt mooi, nonchalant door het beeld als de oude oma een taxi neemt na een ziekenhuisbezoek (‘zes takes, maar dat lag niet aan mij’)… Hij is een oude vriend – en voorvechter van het werk – van Lee Changdong en is speciaal naar Cannes gekomen voor de rode loper-première.

Tien minuten na het einde van Poetry stond Route Irish gepland, Ken Loach’ film die op het allerlaatste moment aan de competitie is toegevoegd door festivaldirecteur Thierry Frémaux. Dus begonnen er ruim voor het einde al journalisten weg te lopen. Wie tot het einde bleef zitten, zoals ik, was te laat, en belandde in een soort wildwest voor de deuren van de veel te kleine zaal Bazin, waar de bewakers/toezichthouders pontificaal een bordje ‘Full/Complet’ plantten toen ik aan kwam rennen. (Anders gesteld: huftergedrag wordt beloond in Cannes.)

Er werd weer gesleurd, getrokken en geslagen. Twee journalisten die door het cordon van bewakers braken, werden hardhandig uit de rij gegooid. Een journaliste van De Standaard die verhaal ging halen, kreeg van de bewaking te horen dat journalisten beesten zijn… Daar zit misschien wel wat in… Er diende zich gelukkig al snel een oplossing aan; van Matthew Dinsdale van Premier PR, die de publiciteit van Route Irish verzorgt, kreeg ik een kaart voor de marktscreening, later op de dag.

Dat paste allemaal net; maar eerst zou ik Juliette Binoche (Copie conforme) interviewen. Toen ik op de afgesproken plek aankwam, bleek dat het interview pas donderdag is – de dagen beginnen een beetje door elkaar te lopen. Dan had ik dus eigenlijk wel tijd om Diego Luna (Abel) te  spreken, maar dat had ik al afgezegd vanwege Binoche…

Werd gebeld of ik Ken Loach wilde interviewen (ja hoor) en kreeg een bericht dat Zingen in het donker te zien is in Cannes, een kortfilm van Martie Dekkers en Ed van Otterdijk met Carice van Houten en Aart Staartjes. Onderzoek leerde dat hij draait in de Short Film Corner, waar elke film kan draaien, als je het inschrijfgeld maar betaalt. Wel benieuwd…

Bij het Belgische paviljoen een dvd opgehaald van de kortfilm IJsland van Gilles Coulier (niet over de vulkaan…), die is opgenomen in de Cinéfondation, de kortfilmcompetitie. Nog een tijdje staan praten met regisseur Gust Van den Berghe (van En waar de sterre bleef stille staan) die zich kleedt en er uitziet als een jonge (en dunne) Martin Koolhoven, maar weer eens uitgenodigd voor een borrel, en snel door naar de marktvertoning van Route Irish, een tamelijk schematisch drama over een onder het tapijt geschoven moordpartij onder Britse contractanten in Irak. Na afloop het interview met Loach direct weer afgezegd.

19

05 2010

Cannes dag 7: dinsdag 18 mei

Vandaag heb ik voor het eerst gezien dat een van de vele mensen die in de buurt van het Palais om tickets leuren er ook daadwerkelijk één kreeg. Volgens mij niet voor de zo vurig gewenste rode loper-première, maar hij leek toch blij. Dus daarom staan ze er met zo velen; het werkt soms toch! Mooi!

in de rij voor de documentaire Autobiografia lui Nicolae Ceausescu (‘de autobiografie van Nicolae Ceausescu’) van de Roemeen Andrei Ujica (Out of the Present, 1995) stond ik voor de sterverslaggevers van The Hollywood Reporter (Peter Brunette) en Variety (Jay Weissberg). Ze klaagden wat af. Dat het festival halverwege wel een eeuwigheid leek te duren, zei de een. De ander vroeg zich af wie er nu nog naar een film van Godard gaat. ‘Het leven is sowieso te kort voor Franse films, en zeker voor Godards van na 1970.’ Ja, je maakt wat mee in de rij.

Autobiografia lui Nicolae Ceausescu begint met de bekende, grofkorrelige en schokschouderende beelden van Ceausescu en zijn vrouw Elena van vlak voor hun executie. Daarna maakt de film een sprong terug in de tijd, en zien we de jonge kameraad Ceausescu beloven dat hij alles zal doen voor het geluk van het volk. Wat volgt is schitterend archiefmateriaal van staatsbezoeken, partijcongressen, bezoeken aan overvolle winkels. Ruim drie uur duur de film. Er wordt heel veel gezongen en geklapt voor Ceausescu. De manifestaties worden steeds megalomaner; Ceausescu’s naam wordt door duizenden gescandeerd. Op prachtige kleurenbeelden doet Ceausescu mee aan een volleybalwedstrijd. Hij staat aan het net, en trekt het telkens met zijn ene hand een stukje naar beneden terwijl hij met zijn andere hand zo goed en zo kwaad als het gaat de bal er overheen probeert te werken. Niet een keer, maar de hele tijd. En niemand durft er wat van te zeggen.

Commentaar ontbreekt, net als muziek en de meest basale informatie (wie, wat, waar, wanneer). De kijker moet zelf maar uitmaken op welk moment Ceausescu het contact met de realiteit definitief verloren is, wanneer de idealist in een monster is veranderd.

Het resultaat is een ingetogen meesterwerk; een schitterende aanvulling op de nog steeds uitdijende Roemeense golf (deze editie zijn er ook weer drie Roemeense producties opgenomen in de officiële selectie).

Halverwege de film kreeg ik een sms: of mijn afspraak van 13.15 uur naar 17.00 uur verplaatst kon worden. Had ik dan een afspraak om 13.15 uur? Dat kon helemaal niet, de film duurde tot 2 uur, dus graag. Interview gedaan met André Schreuders, wiens Licht vrijdagmiddag wordt vertoond in de parallelsectie Quinzaine des Réalisateurs. David Verbeek tegen het lijf gelopen, die ene tikje baalde van de R U There-recensies (Variety is gematigd positief; The Hollywood Reporter en Screen negatief). Maar er was misschien ook goed nieuws: de kans op distributie in Frankrijk was groot. Fow Pyng Hu liep nog langs, die als toerist in Cannes is, maar ook weer met een nieuwe film bezig is.

Interviewtje gedaan met Urszula Antoniak, de regisseur van de arthousehit Nothing Personal, die is geselecteerd voor het Atelier van het festival: ze heeft dagelijks afspraken met sales agents, distributeurs en potentiële coproducenten om haar volgende film Code blue verder van de grond te krijgen. In oktober moeten de opnamen beginnen; volgend jaar hoopt Antoniak terug te zijn in Cannes. Op de rode loper, in de Gouden Palm-competitie welteverstaan.

Drie minuten de toestand in de wereld doorgenomen met IFFR-programmeur Gerwin Tamsma, en snel door naar Schastye moe/Mein Glück/My Joy van de Oekraïner Sergie Loznitsa, de enige debutant in de Gouden Palm-competitie (gecoproduceerd door het Amsterdamse Lemming Film). Begon geweldig, maar ontspoorde. De mens is een mens een wolf, dat wisten we ook al wel.

Met collega Bor Beekman ruzie gemaakt bij de snelle Chinees, die ons twee keer wilde laten betalen, en langs de Cinema de la Plage (Baisser de la femme araignee/Kiss of the Spider Woman van Hector Babenco; geen zin in) teruggelopen naar het hotel. Woensdagochtend staat Poetry van Lee Changdong op het programma. Oud-Volkskrant-journalist Peter van Bueren – een oude vriend van de Koreaanse meester die een kleine maar essentiële cameo appearance heeft – is er speciaal voor naar Cannes gekomen. Naar verluidt; ik ben hem nog niet tegen het lijf gelopen.

18

05 2010

Cannes dag 6: maandag 17 mei

Cannes-president Gilles Jacob kijkt tevreden naar L'Arpenteur de la Croisette

Zonder al te veel last van de Hollandse party naar Biutiful, Alejandro González Iñárritu’s opvolger van Babel, waarvoor hij vier jaar geleden op het festival van Cannes werd onderscheiden als beste regisseur. Een hartverscheurend, inktzwart drama, met een glansrol van de Spaanse acteur Javier Bardem. Tranen met tuiten gehuild…

Er waren helaas geen interviews mogelijk met Iñárritu. Dat kon alleen als de film al een Nederlandse distributeur heeft. Maar Biutiful is vooralsnog veel te duur voor de Nederlandse distributeurs.

Ook interviews met de Franse meester Jean-Luc Godard behoorden niet tot de mogelijkheden. Ruim voor het festival had ik al een visje uitgegooid bij Wild Bunch, de Franse sales agent van Godards Film Socialisme. Ze zouden hun best doen. Als Godard iets zou doen in Cannes, zou ik het zeker horen. Maar tijdens het festival liet Premier PR weten dat Godard helemaal niets doet. Ze waren al blij als hij op kwam draven voor de persconferentie.

Dat was niet zonder reden. De persconferentie werd zonder opgaaf van reden gecanceld. Op het allerlaatste moment – daar heb je dan al je schema’s omheen gebouwd. Maar met de woorden NO COMMENT als slotbeeld was Godards absentie misschien ook weer niet zo heel erg verrassend… Aan Film Socialisme was overigens geen touw vast te knopen, en saai, humor- en poëzieloos bovendien… En toch had ik Godard graag gesproken… (niet iedereen overigens: een Nederlandse collega noemde hem – zeer platisch – de dorpsgek die nog een keer mag komen opdraven voordat-ie zijn houten jas aantrekt)

’s Middag naar documentaire over Gilles Jacob, de even oude als ijdele festivalpresident. In Gilles Jacob – L’Arpenteur de la Croisette (‘Citizen Cannes’) haalt hij herinneringen op aan zijn jeugd, de oorlog, het festival en alle mooie actrices die er in de loop der jaren over de rode loper liepen. Regisseurs als Quentin Tarantino, Wim Wenders, Claude Chabrol, Ken Loach en Pedro Almodovar steken de loftrompet op de schrijver/editor/filmmaker/fotograaf/criticus/tennisser/acteur. Die zat er dan ook tevreden bij te spinnen.

Op weg naar een stokbroodje nog even staan praten met R U There-producent Frans van Gestel, die na de geslaagde première van zondagavond geen stem meer over had. ‘s Avonds naar Copie conforme van Abbas Kiarostami, een temerige variatie op Theo van Goghs Blind Date met een knappe rol van Juliette Binoche… Om half 10 stond ik klaar bij Cinéma de la Plage voor de verrassingsfilm. Maar de verrassing was dat er geen film was…

17

05 2010

Cannes dag 5: zondag 16 mei

Nederland spreekt een woordje mee in Cannes, maar waar was Carice van Houten op de Nederlandse Party?

Niet naar La princesse de Montpensier van Bertrand Tavernier (naar wat ik hoorde heb ik niet heel veel gemist), want ik had interviews op het programma staan. De eerste was met Woody Allen. Het is altijd weer spannend met wie je in een groep komt te zitten: de verschrikkelijke tang uit Australië die altijd iets vraagt over Australische actrices… Of die minstens zo erge Israëlische journalist die elke regisseur verzoekt zijn film te bezien in het licht van het Israëlisch-Palestijnse conflict…

Voor aanvang kwam een dame van het publiciteitsbureau waarschuwen dat het interview twintig minuten zou duren en geen seconde langer. Woody Allen moest namelijk om 1 uur naar het vliegveld. En drie minuten voor het einde zou ze drie vingers opsteken, ten teken van de laatste vraag. Woody geeft namelijk hele lange antwoorden, zei ze.

Dus (1) Woody Allen heeft gemiddeld drie minuten nodig voor een antwoord, en (2) het rondtafelgesprek duurt twintig minuten, en (3) er zitten vijftien journalisten rond de tafel, dan betekent dat volgens Bartjens dat ongeveer de helft van de aanwezigen een vraag kan stellen… En toch was het leuk; ik zat aan de goede kant van Allen, bij zijn niet-dove oor, en dat hielp.

Vervolgens met angst en beven naar Mike Leigh. Maar de doorgaans zo nurkse Brit was opvallend goedgemutst – het zal te maken hebben gehad met de lovende recensies voor zijn film Another Year (het gemiddelde in de journalistenpoll in het vakblad Screen International is 3,3 op een schaal van 0 t/m 4; Bor Beekman van de Volkskrant geeft’m 5 sterren op de site van Cinema.nl).

Leigh stopte zelfs keurig met praten als er weer eens een middeleeuwse cassetterecorder afsloeg. Wel kreeg de journalist die het in zijn hoofd haalde om tijdens het veertig (!!) minuten durende gesprek op te staan om een foto te maken een flinke uitbrander, maar dat was verdiend. ‘We zijn hier in gesprek’, baste Leigh. ‘Straks mag je een foto van me maken, en als je wilt krijg je ook een handtekening.’

Toen het interview klaar was, was ik al te laat voor mijn groepsgesprek met Diego Luna. Daar aangekomen, bleek dat ik me voor niets had gehaast: het interview was vervroegd. Had ik geen mail gekregen? Ook geen tekstbericht? O, sorry. Het laatste groepsgesprek was net afgelopen; de Mexicaan werd nu met gezwinde spoed naar het vliegveld gebracht. Later in de week is hij weer terug (als de vulkaan meewerkt) en volgt er een herkansing.

Geluncht; gepraat; stukken geschreven; een skype-interview gedaan met de Zweedse, in Amsterdam wonende schilderes Jenny Lindblom, van wie dezer dagen fraaie nieuwe doeken zijn te zien op de Kunstvlaai; de documentaire Countdown to Zero gemist; en in slaap gevallen tijdens Hai Shang Chuan Qi van Jia Zhangke – toch een van mijn favoriete regisseurs. Heerlijk gedineerd; tot mijn grote spijt de documentaire Hollywood don’t Surf gemist; en naar The Dutch Party, die, het moet gezegd, heel erg goed was (is, eigenlijk op het moment dat ik dit schrijf, maar ik ben er toch maar vandoor gegaan: er liepen wel héél véél Nederlanders rond, en er werd gedanst rond handtasjes… En morgen vroeg draait de nieuwe Alejandro González Iñárritu)

16

05 2010

Cannes dag 4: zaterdag 15 mei

Sommige dingen veranderen gelukkig nooit. Waar Nederlandse festivals ieder jaar een nieuwe trailer laten maken door een hip communicatieadviesbureau begint iedere competitiefilm op het festival van Cannes al zo lang als ik me kan herinneren met hetzelfde filmpje: een rode loper, die vanuit de zee tot de diepzwarte sterren reikt, begeleid door het Carnaval des Animaux van Saint-Saëns. En aan het eind roept bijna altijd wel een of andere grappenmaker ‘Raoul’, een stokoude traditie, maar niemand kan meer vertellen hoe of wat…

Nóg mooier – kippenvelmooi – is de trailer van de Quinzaine des Réalisateurs: een filmpje van Olivie Jahan, bestaand uit stills en hele korte fragmenten van makers uit de roemrijke geschiedenis van de prestigieuze parallelsectie, begeleid door prachtige muziek van Cyril Moisson. Daar roept niemand ooit iets doorheen…

De dag begonnen met Another Year van Mike Leigh, een ontroerende karakterstudie over ouderdom, eenzaamheid en het leven dat niet altijd rechtvaardig is… Een van Leigh’s beste sinds jaren. Op de persconferentie was hij desalniettemin ouderwets chagrijnig: dat hij een journaliste die hem vroeg waarom hij het seizoen zomer had overgeslagen in zijn film die alle seizoenen bestrijkt, een uitbrander gaf was nog wel te begrijpen (‘Ga de film nog een keer kijken. Waar het woord ‘zomer’ in beeld verschijnt, begin het stuk over de zomer’). Waarom hij een vraag van een journalist van The Sunday Times of London weigerde te beantwoorden, was raadselachtiger. Maar hij deed het mooi niet.

Daarna snel door naar You will meet a tall dark stranger van Woody Allen, een film die je al wel eens eerder hebt gezien, maar die wel heel vermakelijk is. (Wat betekende dat ik tot mijn grote spijt Over your cities grass will grow van Sophie Fiennes, geproduceerd door Kees Kasander, moest missen.) Bij de aansluitende persconferentie was het weer een gevecht, hoewel er dit keer een lijntje was gespannen om het voordringen enigszins binnen de perken te houden. Maar de persconferentie van Woody Allen was al het geduw en getrek waard: een spervuur van geweldige quotes over ouder worden: ‘Ik kan het iedereen afraden.’

Vervolgens naar Kaboom van Gregg Araki, een volkomen krankzinnige, uitzinnig vormgegeven horrorfilm over het einde der tijden. Met mooie jongens en meisjes, heel veel drugs en koortsdromen en nóg veel meer seks…

Gedineerd op uitnodiging van de Nederlandse distributeur E1/RCV: een glas wijn over Daphne Bunskoek heen gekieperd, en de hele avond gepraat over de zeer gewaardeerde collega’s Ab Zagt (AD) en Erik Koch (De Telegraaf) die er niet bij waren. Na het toetje – citroentaart – snel door naar Un homme qui cri van Mahamat-Saleh Haroun (die eerder het fraaie Daratt regisseerde), een schitterende, schijnbaar eenvoudige parabel over vaders en zonen en oorlog en vrede.

Bij Le Petit Majestic, hangout sinds jaar en dag, het einde van R U There verraden aan hoofdrolspeler Stijn Koomen, die de film nog niet heeft gezien… Daarna naar mijn hotel: nog vrij lang op allerlei knopjes gedrukt voordat iemand anders de deur voor me opendeed…

15

05 2010

Cannes dag 3: Vrijdag 14 mei

Op tijd, maar met het slaapzand nog in mijn ogen, naar Grand Théâtre Lumière voor Wall Street: Money Never Sleeps. Het is namelijk zaak om aan de goede kant van de zaal te zitten, zodat je na afloop snel weer buiten bent en dus op tijd voor de persconferentie (Dat kan ook anders: ruim voor het einde van de film banen collega’s zich al een weg naar de uitgang).

Wall Street: Money Never Sleeps stelt niet teleur. In de hilarische proloog wordt de voormalige beurskoning Gordon Gekko (opnieuw gespeeld door Michael Douglas, die in 1987 een Oscar won voor de rol) na acht jaar uit de gevangenis ontslagen. Hij krijgt zijn gouden horloge terug, een gouden ring, een gouden clip zonder geld, en zijn mobiele telefoon: een enorme Motorola. Niemand wacht hem op als hij de poort uit wandelt; de stretched limo komt een hiphopper ophalen…

Tijdens zijn gevangenschap is Gekko’s zoon overleden aan een overdosis; zijn dochter Winnie (Carey Mulligan) wil hem niet meer zien. Acht jaar later – het is dan 2008 – heeft Gekko een boek geschreven: Is Greed Good? (een verwizjing naar zijn fameuze uitspraak uit de eerste Wall Street-film: ‘Greed is Good!’). Zijn dochter wil hem nog steeds niet zien, maar houdt het wonderlijk genoeg met een ambitieuze beurshandelaar (Shia Laboeouf) die als twee druppels water op haar vader lijkt. Maar dan met idealen: hij wil zijn miljoenenwinsten beleggen in groene energie. Wat volgt is een vermakelijke, typische Oliver Stone-film. Bombastisch, met veel zwart en wit en geen grijs. Over de financiële crisis én over mensen en relaties.

En leuk: de film heeft een kleine maar belangrijke Nederlandse connectie. Gekko legt zijn aanstaande schoonzoon de allereerste speculatie-luchtbel uit de geschiedenis uit: de tulpenmanie uit de Gouden Eeuw, toen de prijs van een bloembol zo ongeveer gelijk was aan de waarde van een grachtenpand.

De aansluitende persconferentie was een hel, althans de entree. Journalisten plantten hun ellebogen in het gezicht van collega’s en maakten elkaar uit voor rotte vis; kleerkasten van bewakers sommeerden iedereen rustig te blijven. Tevergeefs. Maar eenmaal binnen was het rustig. Erik Koch (van de Telegraaf) vertelde over de tijden dat zijn vader nog misdaadverslaggever was bij de krant; Daphne Bunskoek grapte over een vervolg op Feestje!, Ruud van Hemerts film uit 2004 waarin ze een rolletje speelt als welzijnswerkster. En even uitgehuild bij Lise Kleijn, de naar Frankrijk verhuisde Nederlandse die al 21 jaar de persconferenties in goede banen leidt.

Op het Belgisch terras geluncht met de jonge Beernemse regisseur Gust van den Berghe, wiens En waar de sterre bleef stille staan vanmorgen werd vertoond in de sectie Quinzaine des réalisateurs. In aanwezigheid van de cast: drie jongemannen met het syndroom van down: Paul Mertens als Pitje Vogel, Jelle Palmaerts als Suskewiet en Peter Janssens als Schrobberbeeck. De drie maakten er op het podium een ware show van, met het ene open doekje na de andere diepe buiging. Van den Berghe’s film geeft nieuwe dimensies aan de begrippen hermetisch en eigenzinnig: een kerstverhaal gespeeld door nauwelijks te verstane jongemannen met het syndroom van down, gedraaid in zwart-wit, met minutenlange shots van bomen en kruinen. En toch ontroert En waar de sterre bleef stille staan ook, als je tenminste een beetje geduld hebt.

Fruit gekocht (4 sinaasappelen, 2 appels en 4 bananen voor 10,30 euro) en even naar een borrel geweest van de Nederlandse distributeur Independent Film, die in Cannes is – ja, waarom eigenlijk? Op tijd weer door naar Abel van de Mexicaan Diego Luna, die ik hoe dan ook moest zien omdat ik zondag interviews moet doen. Maar de zaal was al vol, en we konden lullen als Brugman maar we kwamen er niet in. De pr-dames van Premier PR boden uitkomst: collega Bor Beekman van de Volkskrant en een dame van De Standaard uit België konden de film ten kantore op een laptop bekijken – we kregen er nog wat te drinken bij ook. Daarna nog een tijdje staan kijken op het strand, bij de Cinéma de la Plage waar de documentaire The Two Escobars werd vertoond in aanwezigheid van de regisseurs Jeff Zimbalist en Michael Zimbalist, en door naar het feest van Abu Dhabi. Dat was een stuk minder exorbitant dan vorig jaar, maar nog altijd zeer de moeite waard. Desalniettemin op tijd weer naar huis: zaterdagochtend vroeg draait de nieuwe Mike Leigh…

14

05 2010

Cannes dag 2: donderdag 13 mei

Keuzes, keuzes, keuzes. Op de eerste avond was de keuze nog vrij eenvoudig: ik was toe aan een film, uitgebreid tafelen kon altijd nog, dus ging ik naar Tournée, van en met de magistrale Franse acteur Mathieu Amalric, die buiten de Franse landsgrenzen nog het meest bekend is door zijn rol als schurk in de James Bond-film Quantum of Solace. In Tournée speelt Amalric een televisieproducent die ooit alle schepen achter zich heeft verbrand, naar Amerika is vertrokken, en terugkeert met een groep Amerikaanse burlesquedanseressen (denk: valse wimpers, tepelkwastjes, veren en satijn). Hij heeft ze beloofd dat ze in Parijs zullen optreden, maar dat heeft nog heel wat voeten in aarde.

De film bevat een aantal schitterende scènes en Amalric is opnieuw geweldig op dreef – met een prachtige snor, Catweazle-haar en net als in Un conte de Noël de halve film met een enorme wond op zijn hoofd: een gescheurde wenkbrauw en een blauw oog.

’s Avonds de enorme pakken papier uit mijn postvakje doorgenomen. Handig: er zat ook een uitleg bij hoe je je postvakje moet openmaken… Daarna nieuwe schema’s gemaakt. De volgende ochtend om half negen naar de volgende film: Chongqing Blues van Wang Xiaoshuai, de enige Chinees in competitie. Daarin keert een vader na veertien jaar terug naar het huis van zijn ex-vrouw, nadat hij te horen heeft gekregen dat hun zoon is overleden. Mooi, maar een tikje sentimenteel.

Daarna moest ik kiezen tussen O estranho caso de angelica van de 101-jaar jonge Portugees Manoel De Oliveira en Draquila – L’Italia che trema van Sabina Guzzanti. Het zou weleens De Oliveira’s laatste kunnen zijn, maar aan de andere kant: dat wordt al zo’n dertig jaar gezegd… Dus toch maar naar de documentaire van Guzzanti, de Italiaanse Michael Moore, waarin Silvio Berlusconi er genadeloos van langs krijgt.

Vervolgens maar weer eens langs bij persbureaus, want zoals het nu is moet ik op hetzelfde moment interviews doen met Josh Brolin en Naomi Watts (naar aanleiding van de nieuwe Woody Allen, You will meet a tall dark stranger) zijn tegelijk met Mike Leigh. Naar een oplossing wordt gezocht. Net op tijd voor de derde competitiefilm, The Housemaid van de Koreaan Im Sangsoo, een stijlvolle, goed gedoseerde thriller over een steenrijke, narcistische jongeman; diens verwende, hoogzwangere vrouw; haar hooghartige moeder en een nieuw, wat al te serviel dienstmeisje. Met een fijne, late twist.

Interview gedaan met R U There-regisseur David Verbeek en -scenarist Rogier de Blok, en door naar de borrel van de Belgen, op een dakterras dat uitzicht biedt op de rode loper (van Tournée in dit geval) en veel Belgische champagne (=bier). Praatje gemaakt met de pas 25-jarige Beernemse regisseur Gust van den Berghe, wiens En waar de sterre bleef stille staan morgen wordt vertoond in de sectie Quinzaine des réalisateurs.

Tot slot op mijn hotelkamer nog even Wall Street doorgespoeld: vrijdagochtend vroeg staat Oliver Stone’s goed getimede sequel op het programma: Wall Street: Money Never Sleeps. Dat betekent overigens dat ik Gust van den Berghe’s gelijk draaiende film pas ‘s middags kan zien – als er dan tenminste niks tussen komt…

13

05 2010

Cannes dag 1: woensdag 12 mei

‘Wanneer je een kunstwerk niet meteen begrijpt, is het de moeite waard om je af te vragen of je ontvanger goed staat afgesteld. “Ik begrijp het niet, dus kan het niet goed zijn”, is de overhaaste conclusie van iemand die denkt dat alleen hapklare brokken te vreten zijn.’

Dat las ik vanochtend om een uur of zeven in ‘Hoe word ik gelukkig?’ van Guus Kuijer. Het kan geen toeval zijn; deze wijze woorden lijken bij uitstek van toepassing op de 63e editie van het festival van Cannes. Op het programma staan bijna alleen maar hardcore-artfilms, van makers die bij de meeste mensen niet direct een belletje doen rinkelen. Films waaraan je je moet overgeven, die je moet willen veroveren.

‘Het voordeel van het lezen van boeken is dat je in korte tijd met hondeden levens kunt meeleven’ schrijft Kuijer een paar bladzijden verder. Vervang ‘boeken lezen’ door ‘films kijken’ en begrijp dat ik ernaar uitkijk me tien dagen onder te dompelen in het filmfeest dat Cannes heet. ‘Je komt in allerlei culturen terecht, in verschillende tijdperken en zelfs in het andere geslacht. Goede verhalen nestelen zich in je geheugen en gaan tot je eigen geschiedenis behoren. Voor iemand die leest duurt het leven niet kort, daarvoor gebeurt er te veel.’ En zo is het!

Na een vlucht zonder vertraging, een zachte landing, en een kamikazetaxirit stond ik vanochtend om half tien op de stoep van mijn hotel. Spullen weggelegd, voor alle zekerheid in paraplu in mijn tas gestopt, en begonnen aan het rondje langs de persagentschappen om wat interviews te bevestigen. Daarna door naar het festivalpaleis, dat deze editie is voorzien van twee metersgrote diepblauwe doeken met de hemelsblauwe namen van alle regisseurs die zijn opgenomen in de officiële selectie. Daarbij staat ook David Verbeek (zijn RU There draait zondag in de tweede competitie Un certain regard), in de rechteronderzoek, pal onder de naam van Ridley Scott, en vlakbij zijn grote helden, zoals Lee Chang-dong en Apichatpong Weerasethakul.

In het Paleis was de persconferentie van de openingsfilm Robin Hood (die lauw is ontvangen in vakbladen als Screen en Variety, maar niet zo de grond in is geschreven als The Da Vinci Code een paar jaar terug), met op de eerste rij alle Nederlandse collega’s – Ab Zagt van het AD, Robbert Blokland van het ANP, Erik Kock van De Telegraaf, René Mioch (voor de dertigste keer Cannes!) en Daphne Bunskoek (voor de eerste keer in Cannes, voor het VPRO festivaljournaal).

Voorafgaand werd een verklaring voorgelezen van regisseur Ridley Scott, die op doktersvoorschrift in de Verenigde Staten was gebleven. ‘Hij heeft nu nog wat last’ grapte hoofdrolspeler Russell Crowe, ‘maar aan het eind van het jaar slaat hij Roger Federer weer van de baan’. Het bleek het startschot van een weinig geïnspireerde sessie, waarin Crowe niet eens probeerde zijn dédain voor het journaille te verbergen en Cate Blanchett vooral zat te ginnegappen. Blanchett vertelde dat haar harnas niks woog omdat het van plastic was, Crowe vertelde dat als Robin Hood vandaag had geleefd, hij zijn pijlen waarschijnlijk niet had gericht op het bankwezen of de politiek, maar op de media. ‘De monopolisering van de media is het grootste gevaar.’

Op de vraag of er een vervolg komt, antwoordde Crowe dat hij ongetwijfeld door een studiobaas gebeld gaat worden als de film een succes wordt, maar dat er geen twee kant-en-klare scripts klaarliggen onder het ziekenhuisbed van Ridley Scott. Verder had hij het vooral over voetbal: Spanje maakt een goede kans op het WK, volgens Crowe, net als Brazilië en Portugal, als Cristiano Ronaldo tenminste in vorm is. Ronaldo is overigens een heel aardige jongen. Engeland is altijd kansrijk, maar de grote favoriet is natuurlijk Australië: de wereldheerschappij begint volgens Crowe deze zomer…

Na Crowe cum suis was het de beurt aan de Gouden Palm-jury. ‘An amazing great weird group’, in de woorden van juryvoorzitter Tim Burton. De regisseur van films als Ed Wood, Mars Attacks en Alice in Wonderland vertelde dat zijn jury zonder vooroordelen zal gaan kijken. ‘Wij zullen open zijn; we willen niets liever dan ons laten verrassen.’

Op de vraag wat de jury vond van de situatie van de Iraanse regisseur Jafar Panahi (er was sprake van dat de jury een stoel voor hem zou vrijhouden), antwoordde Burton dat de vrijheid van meningsuiting een belangrijk goed is. Zo kabbelde het een tijdje door. Tot slot werd gevraagd of de juryleden een Gouden Palm-winnaar konden noemen die diepe indruk op ze had gemaakt. Alle negen vielen stil. Tot slot zei iemand ‘Taxi Driver’, een ander mompelde ‘Apocalypse Now’.

Volgende week zondag weten we waar deze jury echt voor staat…

12

05 2010