Archive for the ‘Grafische vormgeving’Category

‘Je loopt eigenlijk een beetje door mijn levensverhaal’

‘De tentoonstelling is voor een belangrijk deel tot stand gekomen door ruilhandel. Het museum is niet in staat om heel veel geld te genereren of grote fondsen te vinden. Dus is de uitnodiging gratis gedrukt door een drukkerij in Noord, waarvoor ik gedurende het jaar zes illustraties maak. De digitale reproducties zijn verzorgd door een andere drukkerij waarvoor ik dan ook weer wat doe. En de tentoonstelling is ingericht door mijn vriendin Karin van der Heiden. Zo wast de ene hand de andere.’

In zijn woning annex atelier aan de Sarphatistraat vertelt grafisch ontwerper, illustrator en letterontwerper Max Kisman (Doetinchem 1953) over ‘Max Kisman Beeld Taal’, zijn expositie in GR-ID, museum voor het realiseren van GRafische IDeeën (voorheen Grafisch Museum Groningen). In twee zaaltjes en de gang van een voormalige school zijn onder meer Kismans Paradiso-affiches te zien, zijn geanimeerde titelsequenties voor de VPRO en de VARA, de posters voor het Rotterdams filmfestival IFFR, en de illustraties die hij maakt voor Het Financieele Dagblad. Allemaal in zijn volstrekt eigen, schijnbaar eenvoudige, heldere, vrolijke stijl. Max Kisman tovert met beelden en knutselt met taal, luidt de treffende ondertitel van het overzicht dat volgens Kisman geen echt overzicht is. ‘Je loopt eigenlijk een beetje door mijn levensverhaal.’

Nadat Kisman afstudeerde aan de Gerrit Rietveld Academie ontwikkelde hij zich van affiche- en tijdschriftontwerper tot grafisch ontwerper en animator, onder meer voor de VPRO Televisie. Hij was een van de eersten die in de jaren ’80 digitale technologieën toepaste in grafisch ontwerpen. Voor zijn televisiewerk ontving hij in 1996 de Werkmanprijs. Van 1997 tot 2005 woonde en werkte hij in Mill Valley, nabij San Francisco.

De eerste contacten met GR-ID werden gelegd toen Kisman er in 2009 de opening verrichtte van een expositie van Joost Swarte. ‘Het is een heel intiem museumpje. Mijn vrienden vinden het wel opmerkelijk, een tentoonstelling in het verre Groningen. Maar de bakermat van mijn werkzaamheden ligt in Groningen. Ik bracht er mijn middelbare schooltijd door, en ben er voor de schoolkrant gaan tekenen. Ze zeiden: “Max, wil je een tekeningetje maken”. Dat doe ik nog steeds; eigenlijk is er niet zo veel veranderd.’

Zijn grote voorbeelden voor zijn tekeningen waren Robert Crumb en Peter Pontiac; elpeehoezen waren een enorme inspiratiebron voor zijn zelfgemaakte letters. Ook keek hij met veel bewondering naar de Hitweek, waarvoor de jonge Piet Schreuders letters verknipte en in elkaar schoof om een hele zin op een regel te krijgen. ‘Ik ben een kind van de jaren ’70. Ik was niet super-politiek bezig, maar ik hield wel van die betrokkenheid bij de maatschappij. Er gebeurde van alles waar je dacht invloed op uit te kunnen uitoefenen. Ik groeide op met de VPRO. Dat was een deel van mijn cultuur, ik ben er mede door gevormd. En de dingen die ik maakte, werden weer gevormd door die vorming. Toen ik voor de VPRO ging VPRO werken, was ik al VPRO en de VPRO, die was al zoals ik.’

Hij zou destijds nooit gaan werken voor grote corporaties. ‘Ik ben weleens benaderd door de KLM, of ik filmpjes wilde maken voor in de eerste klas. Dat heb ik toen niet gedaan, omdat ik vond dat mijn identiteit onlosmakelijk was verbonden met de VPRO. Tsja… Ik had het ook wél kunnen doen, vind ik nu. Dan had ik mijn scope kunnen verbreden. Nu doe ik wel dingetjes voor banken en andere financiële instellingen. Zolang ik maar kan werken op de manier zoals ik altijd werk. Als mij die ruimte wordt gegeven, dan heb ik geen bezwaar. Of het moet heel erg extreem zijn wat zo’n bedrijf uithaalt…’

Zijn jongste werk, ook te zien in Groningen, maakte Kisman voor Schiphol Parking: 12 pictogrammen, die automobilisten moeten helpen herinneren waar ze hun auto hebben geparkeerd. ‘Er is daar een enorme verbouwing gaande, waarbij ook de parkeergarages worden gemoderniseerd. De beleving van het voorgedeelte moet aantrekkelijker worden, heet dat dan. Nu zitten er nog pictogrammen van Opland op de muren van de parkeergarage. En hoe goed die ook zijn, ze moeten worden vervangen, en toen zijn ze bij mij uitgekomen. Ik heb uitvoerig onderzoek gedaan, iedereen heeft zijn een mening kunnen geven, maar heel veel anders dan dezelfde onderwerpen van Opland opnieuw tekenen is het uiteindelijk niet. Een molen, een wilg, een boerin, een vuurtoren, een meeuw, een haring en een ophaalbrug. Alleen de dijk is afgevallen. Daar kwam ik niet goed uit, toen heb ik maar een schaatser getekend.’

Max Kisman Beeld Taal. T/m 16/6 in GR-ID, Groningen. Werk van Kisman is van 26/3 t/m 1/4 tevens te zien in de etalage van het Athenaeum Nieuwscentrum op het Spui.

27

03 2013

Galerie – Beeldende kunst in Amsterdam

Douglas Perez Castro, A whisper in the wind. T/m 23/3 in Galerie Metis-nl, Lijnbaansgracht 316.

Een duizendpoot die over vijf enorme, veelkleurige doeken kronkelt. Een draak die in zijn eigen staart bijt. Een skelet, een ineenstortend gebouw. Een smal pad tussen de rietsuikervelden. Of is het toch een bord met wisselkoersen?

Er valt veel te zien en te ontdekken in de vierde solotentoonstelling in Metis-nl van de Cubaanse schilder Douglas Pérez Castro (Cienfuegos 1972). Perez Castro, die na een kunstopleiding in Havana aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam studeerde, becommentarieert niet alleen de sociale geschiedenis van zijn land, maar put ook gretig uit de (West-Europese) kunstgeschiedenis. In een vrolijke, bijkans kinderlijke, maar overweldigende en virtuoze stijl.

Als je het kronkelende gevaarte van dichtbij bekijkt, zie je tientallen mannen en vrouwen met lange, dunne nekken, enorme borsten en piemels, en D&G- en YSL-logo’s op het blote lijf, uitgemergelde arbeiders en zakenlieden met grote zakken dollars. Mocht nog niet duidelijk zijn wat het allemaal te betekenen heeft, dan biedt de titel uitkomst: Ecosystem. Alles is met elkaar verbonden, wil Pérez Castro maar zeggen.

Social Media Art, met werk van Menno Kok en Afke Besseling. T/m 30/3 in Boef, Buikslotermeerplein.

De tentoonstelling Social Media Art beslaat, zoals de titel al aangeeft, twee kunstprojecten die zonder sociale media nooit in deze vorm zouden zijn ontstaan. Fotograaf Menno Kok, die in 1997 afstudeerde aan de Rietveld Academie en inmiddels docent is aan de Fotoacademie, plaatst sinds 2010 foto’s van matrassen op Facebook. Van afgedankte matrassen welteverstaan; beschimmelde, doorgelegen of anderszins beduimelde exemplaren die aantreft bij vuilstortplaatsen of gewoon langs de kant van de weg. Kok fotografeert ze met zijn smartphone, even snel in het voorbijgaan. Zijn dagelijkse posts op Facebook inspireerden vrienden en vrienden van vrienden om hetzelfde te doen; het resultaat is Everyday Mattress, een gesamtkunstwerk dat door de veelheid en eenheid van vorm niet alleen grappig is, maar ook gezien kan worden als commentaar op onze wegwerpmaatschappij.

Naast de opgespelde printjes van Kok hangt de ‘verveelkunst’ van beeldend kunstenaar Afke Besseling: bewust klungelige computertekeningen met onbedaarlijk leuke, vaak grove of vervreemdende bijschriften, die ze dagelijks publiceert op haar Facebookpagina. Te zien in BOEF, een anagram van FEBO; de tijdelijke galerie is gevestigd in de voormalige vetput op de kop van het Buikslotermeerplein in Noord.

En verder: in EYE zijn ‘scène-interpretaties’ te zien die fotografen als Bertien van Manen en Robin de Puy maakten naar aanleiding van Norbert ter Hall speelfilm &Me, die deze week in première gaat. In galerie Cultural Speech staat nog de overzichtstentoonstelling Represent, met werk van de New Yorkse straatfotograaf Jamel Shabazz.

Reclame om in te lijsten van affichevirtuoos Frans Mettes

“Maak maar wat, mits het maar opvalt” zo luidde doorgaans de instructie die de Amsterdamse afficheontwerper Frans Mettes (1909-1984) meekreeg van zijn opdrachtgevers. Waar reclameboodschappen tegenwoordig lang en grondig voorbesproken, getest en geëvalueerd moeten worden, zette Mettes zich gewoon achter zijn schildersezel en ging aan de slag met gouacheverf. De pay-off verzon hij er in één moeite bij.

Frans Mettes (1909-1984) is waarschijnlijk de meest productieve affiche-ontwerper die Nederland ooit heeft voortgebracht. Tientallen jaren lang was zijn werk beeldbepalend op peperbussen, aanplakplaatsen en stations in stad en land. Permanent, en vrijwel altijd met meerdere affiches tegelijk.

Mettes maakte reclameposters voor Heineken én concurrent Amstel, voor Droste én Van Houten, Nuts én Mars. Hij maakte tientallen posters voor Hartevelt Jenever, hij werkte voor Belinda, Chief Whip (pay off: op ieders lip!) én Egyptische sigaretten; voor laxeermiddelen, stofzuigers, de spoorwegen en politieke partijen – zowel voor linkse als rechtse.

Ook schilderde Mettes honderden filmaffiches, soms wel twee of drie per week. Daarvan is het merendeel verloren gegaan; de oude raambiljetten verdwenen meestal in de kachel, en winkeliers verpakten er de boodschappen in.

In het Spoorwegmuseum in Utrecht zijn nu tachtig van Mettes mooiste affiches te zien, deels op thema, deels op opdrachtgever, uit de collecties van het museum en de Amsterdamse verzamelaar Gielijn Escher. Ze hangen in hetzelfde soort zwarte houten wissellijsten die vroeger op de stations hingen. Bij de tentoonstelling is een fraaie monografie verschenen, Frans Mettes affichevirtuoos.

Daaruit valt op te maken dat Mettes zichzelf beslist niet als kunstenaar zag, maar veeleer als kundig reclameman, die voor zijn opdrachtgever zijn talenten inzette als wapen in de strijd om marktaandeel. “Een affiche is alleen dan goed, als de fundamentele belangenbinding tussen product en publiek niet ontbreekt,” aldus Mettes. “Een affiche moet natuurlijk blikvanger zijn; het moet op straat de aandacht trekken en wel zo sterk, dat de voorbijganger er tenminste even naar kijken moet of hij wil of niet.”

Eigenwijs was hij ook: “Van een ontwerper die zijn opdracht goed begrepen heeft en een kundig reclameman is, zal nooit een concessie worden verlangd”.

Hoe uiteenlopend zijn opdrachtgevers ook waren, de signatuur van Mettes is vrijwel altijd herkenbaar. Hij gebruikte felle, sprekende kleuren en voorzag zijn werk vaak een of andere gimmick. Maar hij excelleerde ook in een treffend-realistische stijl.

Mettes maakte een prachtig, zeer sprekend portret van Marlene Dietrich voor de filmposter van Ernst Lubitsch’ Angel (1936), bedacht visjes die hun enorme ogen niet kunnen afhouden van het fraaie Tweka-badpak van een schone zwemster, en een geinig gebronsd mannetje wiens rug wordt ingesmeerd door het (aangesneden) mannetje dat achter hem staat en die de rug insmeert van het (aangesneden) mannetje dat voor hem staat – als je meerdere Ambre Solaire-posters naast elkaar hangt, ontstaat een oneindige rij mannetjes die elkaars rug insmeren.

Mettes schilderde een schitterende poster voor Virginia Eden sigaretten: witte letters tegen een roodbruine achtergrond, in de hoofdletter E is kunstig een gezicht verwerkt, op de onderlip ligt nonchalant een sigaret. Een groen patroontje suggereert een frivool shawltje. Iconisch is ook de poster die Mettes in 1951 maakte voor Heineken, met een man met ogen als bierglazen en een brede mond waarin de tanden zijn vervangen door de merknaam. De plaat is nog steeds in menig café te vinden – ook als er geen Heineken wordt geschonken.

Reclame om in te lijsten. T/m 11/2 in het Spoorwegmuseum, Maliebaanstation, Utrecht. Frans Mettes affichevirtuoos. Met bijdragen van Gielijn Escher, Paul Mertz en Paul van Ieperen. Uitgeverij De Buitenkant. 144 pagina’s. € 29,50. ISBN 9789490913298.

25

01 2013

Gevonden foto’s en met typex bewerkte poëzie

“Het zijn projecten die te experimenteel zijn voor de reguliere uitgeverijen. Ze zijn in het Engels of met gebruikmaking van een gevonden tekst, met typex bewerkt, of gemaakt volgens een ander bijzonder procédé… Mijn eerste boekje heb ik in 2000 in een week tijd geschreven, vervolgens heb ik ruim twee jaar rondgelopen om het uitgegeven te krijgen. Toen drong het tot me door dat ik het zelf moest gaan doen . Het was noodzaak, en dat is het nog steeds. Niemand zal het op deze manier voor mij doen; zo precies, zo verzorgd, zo volgens mijn eigen visie. In de poëziewereld betekent ‘uitgegeven in eigen beheer’ vaak zo veel als ‘niet goed genoeg voor De Bezige Bij’, maar dat is het dus niet. Het past er gewoonweg niet.”

Elisabeth Tonnard (Leerdam, 1973) is schrijver en beeldend kunstenaar. In 2003 verscheen haar eerste Engelstalige poëziebundel Let us go then, you and I, een met typex bewerkt gedicht van de Amerikaans-Brits dichter T.S. Eliot. Inmiddels publiceerde ze al 27 kunstenaarsboeken, variërend in grootte en oplage, die zijn opgenomen in de collecties van onder meer het Centre Pompidou, Tate, MoMA Library en het Nederlands Fotomuseum. “Er melden zich soms ook andere kunstenaars, maar daar begin ik niet aan. Ik maak alleen boeken die van A tot Z mijn eigen werk zijn.”

Tonnard gebruikt taal als beeld en beeld als taal. Als een vj samplet ze uit archieven opgeduikelde foto’s en teksten van dode dichters. Haar boeken houden het midden tussen ready-made, cut-up en bewerking; ze zijn het concept én de uitwerking ineen.

Zo maakte ze twee boeken op basis van het archief van een straatfotograaf uit San Francisco, die voor een bioscoop snapshots van passanten schoot. De nachtelijke foto’s van eenzame, vaak stuurs kijkende wandelaars combineerde ze met negentig verschillende Engelse vertalingen van de beginregels van Dante’s Inferno. “Eigenlijk zeggen alle geportretteerden nu hetzelfde, maar in verschillende bewoordingen. Midway along the journey of our life / I woke to find myself in a dark wood, / for I had wandered off from the straight path. Ook de filmtitels, zoals Hell is a city en Of the Doomed, nog net zichtbaar op de gevel van de bioscoop, gaan meespelen als je beter naar de foto’s kijkt.”

In The Man of the Crowd combineert Tonnard eigen fotografie met een kort verhaal van Edgar Allan Poe. Dat wil zeggen: met haar interpretatie van het verhaal uit 1840, waaruit, zoals uit al haar werk, een enorme taalvaardigheid spreekt. In The story of a young gentleman vertelt ze een zesregelig verhaal over een man die Oorlog en vrede leest, waarin Tolstoj’s honderden pagina’s tellende roman in zijn geheel is opgenomen. En uit de wraakzuchtige post 11 september-toespraken van George W. Bush destilleerde ze dreigende, maar verrassend poëtische nieuwe gedichten die ze bundelde in Enduring Freedom. The Poetry of the President: I said to / the Taliban, / turn them over, destroy the camps.

Ook maakte Tonnard een onzichtbaar boek, The Invisible Book. In een oplage van honderd, te koop voor nul euro. De eerste editie was binnen 5 minuten uitverkocht. Die werd in zijn geheel opgekocht door de Duitse kunstenaar Joachim Schmid, die de ‘boeken’ vervolgens op eBay aanbood. “In het begin gingen ze weg voor wel 17 euro; sommige verzamelaars willen nu eenmaal per se de eerste druk hebben. Het is vreemd: er zijn mensen die mijn boeken duur vinden, die het nauwelijks accepteren dat ik er ook nog iets aan wil verdienen. Maar op eBay mag er wel aan worden verdiend. De tweede editie is overigens nog gewoon leverbaar.”

De bijzondere uitgaven van Elisabeth Tonnard zijn te bestellen op haar site of via 06-19979274.

22

01 2013

Gezien – Alles is…

Rechts de poster van Alles is liefde, gemaakt door Brad Ljatifi. Links de parodie, die circuleert op Facebook en sites als Dumpert: “Een film vol bedrog en gebroken beloftes” en “De nieuwste feelgoodfilm rond twee vriendjes die proberen om een land te besturen”.

03

12 2012

“Hoe verschillend de boodschappen ook zijn, er zijn patronen en sjablonen waarneembaar”

“Nee, het is geen kunst. En het is ook geen wetenschap. In ieder geval geen exacte wetenschap. Maar we hebben wél serieus onderzoek gedaan. Visueel onderzoek. Het grootste deel van ons boek is een visueel experiment.”

René Put maakte samen met Rianne Petter het boek Poster Nº 524, een bonte verzameling visuele analyses van de posters die hij gedurende drie maanden aantrof in en op de Amsterdamse abri’s, tramhaltes, driehoeksborden en wildplakzuilen.

Put is grafisch ontwerper, zijn studio PutGootink geeft vorm aan boeken, catalogi, affiches, postzegels, campagnes en tentoonstellingen. Daarnaast doceert hij aan de Gerrit Rietveld Academie, op de afdeling grafisch ontwerpen. “Het Lectoraat Art & Public Space stimuleert docenten om onderzoek te doen naar de rol van kunst en vormgeving in het publiek domein. Daar is dit project uit voortgekomen.”

Put en Petter formuleerden in eerste instantie een aantal relevante begrippen die van belang zijn bij het kijken naar affiches, zoals de toegankelijkheid en de mate van originaliteit. Die matrix bleek weliswaar een interessant discussiemodel, maar heel veel konden de grafisch ontwerpers niet met de uitkomsten, die bovendien nogal willekeurig waren.

Dus besloten ze het over een andere boeg te gooien. “Een onderzoeker heeft materiaal nodig, dus dat zijn we gaan verzamelen. Met hulp van de officiële verspreiders en wildplakkers kwamen we op 523 affiches.” Daaronder zitten hele mooie en tamelijk afzichtelijke, van de Wehkamp, Carré en Turks Fruit – de musical tot de PC Dump Dag, toneelgroep Dood Paard en de bioscoopfilm Romance & Cigarettes. En twee posters van Put zelf, voor een theatervoorstelling van Lenette van Dongen.

Alle affiches werden door Put en Petter ‘gedeconstrueerd’ op basis van zaken als compositie, taal en kleurgebruik. “We zijn gaan kijken hoe al die visuele boodschappen zijn vormgegeven; welke ontwerpkeuzes er zijn gemaakt. Hoe verschillend de boodschappen ook zijn, er zijn toch patronen en sjablonen waarneembaar. Omdat de affiches zijn gebaseerd op dezelfde conventies, en omdat de beeldtaal nu eenmaal sterk verbonden is met doelgroepen. Dat hebben we willen blootleggen. Vervolgens is het natuurlijk de vraag of die conventies nog te doorbreken en te vernieuwen zijn.”

Met de geïsoleerde elementen ‘bouwden’ Put en Petter nieuwe affiches. “We hebben bijvoorbeeld alle focuspunten uitgesneden en alle vlakken en vormen in één bepaalde kleur, en die vervolgens op dezelfde positie teruggeplaatst op een blanco vel. Daardoor ontstaan een soort infographics. Die bieden geen pasklare oplossing of gebruiksaanwijzing, maar scheppen wel mogelijkheden. Door de geconcentreerde vorm zie je bijvoorbeeld dat veel grafische elementen in belangrijke mate worden bepaald door de tools in de computerprogramma’s die de meeste grafisch ontwerpers gebruiken. Je ziet steeds dezelfde lijnen, vlakken en pijlen die in het standaardpakket zitten van programma’s als Illustrator, Photoshop en InDesign. Als je je daarvan bewust bent, zijn er natuurlijk wel andere varianten te bedenken.”

Put hoopt dat het boek eraan bijdraagt dat de variëteit en kwaliteit van de posters in het straatbeeld zullen toenemen. “Als je ziet wat voor posters Piet Zwart in de jaren ’20 kon maken voor de PTT! Het grafisch ontwerp was destijds veel meer verbonden met de maatschappij. Als je ziet hoe er tegenwoordig wordt gecommuniceerd, vooral met sociale media, blijven affiches door naar mijn idee bij achter. Posters hebben tegenwoordig veel minder aansluiting bij onze manier van doen en denken. Het medium wordt vaak op de automatische piloot ingezet, terwijl er zo veel meer mee te doen is! Maar misschien kan Poster Nº 524 helpen een mindset te creëren waardoor de grenzen van het affiche weer wat verder kunnen worden opgerekt.”

René Put en Rianne Petter, Poster Nº 524. Uitgeverij Valiz, ISBN 978-90-78088-59-2, € 25,00.

02

12 2012

Geen logo is voor de eeuwigheid

De eerste schelp in het logo van Shell was een mossel. Het eerste, zeer gedetailleerde Apple-logo was een houtsnede van de vermaarde Engelse wis- en natuurkundige Isaac Newton, zittend onder een appelboom. Het Finse technologiebedrijf Nokia voerde ooit een zalm in zijn logo, een verwijzing naar de Nokianvirta-rivier waar de fabriek aan lag toen er nog papier werd geproduceerd. En in de eerste jaren van zijn bestaan was in het Ajax-logo geen Griekse god te bekennen; er stond een voetballer met een zwarte voetbalbroek en zwarte kousen en een bal aan de voet in een rode cirkel – het lijkt het Sparta-logo wel!

Een logo is het icoon of symbool waarmee een bedrijf zijn diensten of producten wil verbinden. Het staat op visitekaartjes en briefpapier, reclames, posters en bedrijfsbrochures, de website en de merchandise (van mokken en gummetjes tot ansichtkaarten en shopping bags), het wc-papier, en het bestek en de borden in de bedrijfskantine. Soms is het mooi, soms is een logo ergerlijk lelijk, maar ook dat kan uiterst effectief zijn.

“Als het goed is, geeft een logo op een memorabele manier de essentie van een bedrijf weer”, aldus creative director Ron van der Vlugt, die in het koffietafelboek Logo Life de visuele ontwikkeling toont van honderd wereldberoemde bedrijfslogo’s. “De beste logo’s zijn veel meer dan grafische beelden die ideeën symboliseren of organisaties representeren. Het zijn designklassiekers die onze herinneringen en passies vertegenwoordigen”, aldus Garech Stone in Logo R.I.P.

De oudste beeldmerken zijn vaak zeer ornamenteel, in de loop der jaren is er in de meeste gevallen de essentie van het beeldmerk uit gedestilleerd. Sommige logo’s zijn zo krachtig, en worden zo zeer met het merk vereenzelvigd dat de bedrijfsnaam niet eens meer nodig is. De swoosh ís Nike, het bandenmannetje Bibendum ís Michelin, de geelrode schelp ís Shell.

Maar hoe groot de identificatie op een bepaald moment ook moge zijn, geen logo is voor de eeuwigheid. Er wordt voortdurend aan gesleuteld, omdat bedrijven verhuizen of fuseren, er een nieuw product in de markt moet worden gezet, of een nieuw management zijn eigen stempel op een merk wil drukken. Soms is een logo gewoonweg verouderd en is er een nieuw beeldmerk nodig om een bedrijf van zijn stoffige imago te ontdoen.

Read the rest of this entry →

21

11 2012

Jørgen Leth en de perfecte mens

‘De Mart Smeets van Denemarken’ wordt hij wel genoemd, ook door hem zelf. Het klopt ook wel – ten dele. Jørgen Leth (Aarhus 1937) verslaat sinds jaar en dag de Tour de France voor de Deense radio en tv, en ja, ook hij is fan van Lance Armstrong. Hij maakte een aantal documentaires rondom wielerwedstrijden, zoals En forårsdag i Helvede (‘een voorjaarsdag in de Hel’) en hij schreef een boek over de Tour. Maar Leth kan meer. Hij schrijft ook poëzie. En hij maakt schitterende, volstrekt originele, uiterst kunstzinnige documentaires.

Een aantal daarvan is nu te zien in de ‘filmische installatie’ My Name is Jørgen Leth, in de Tuinzaal van Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond is, als onderdeel van het IDFA-programma ‘EXPANDING DOCUMENTARY #3’.

De installatie bestaat uit acht schermen; op zeven daarvan zijn doorlopend films te zien, op de achtste een selectie van Leths poëzie. Die gedichten hebben eenzelfde ritme als zijn films en gaan over dezelfde onderwerpen: (jonge) vrouwen, seks, de perfecte mens, wielrennen – de legendarische Fausto Coppi met name.

Je kunt de films tegelijk bezien, als installatie. Dan zie je de overeenkomsten, niet alleen in onderwerpen maar ook bepaalde shots keren veelvuldig terug. Soms zie je beeldrijm dat er helemaal niet is; dan zie je in één oogopslag Andy Warhol, met zijn gebleekte, sluike haren, een whopper met ketchup eten in 66 Scenes From America en tegelijk, in een van Leths antropologische films, een Haïtiaanse man met een vreemd zwart kapsel met een angstaanjagend mes kaal geschoren worden.

De films zijn natuurlijk ook afzonderlijk te bekijken – staand, dat wel, desgewenst met een koptelefoon op je hoofd. In Stjernerne og vandbærerne, zoals de oorspronkelijke titel van The Stars and the Watercarriers luidt, doet Leth verslag van de 56e Giro d’Italia, in 1973. Van start tot finish volgt hij de renners op de motor, van zeer dichtbij. Maar hij heeft niet alleen aandacht voor de beproevingen van de ‘sterren’ en de ‘waterdragers’ in het peloton, Leth toont ook het circus dat de renners dag in dag uit volgt: van het gesleutel aan de fietsen door de mecaniciens tot het mediacircus.

Ook The Five Obstructions (2003) ontbreekt niet, waarmee Leth hier te lande nog het meeste bekendheid geniet. Het is een schrandere speelfilm en een making of-documentaire ineen, waarin te zien is dat Leth van zijn landgenoot en voormalig leerling Lars von Trier de opdracht krijgt zijn korte zwartwitfilm Det perfekte menneske (‘de perfecte mens’ – die ernaast wordt geprojecteerd) uit 1967 opnieuw te regisseren. Vijf maal, met telkens een andere, door Von Trier met sardonisch genoegen bedachte obstructie. Omdat Leth een voorliefde heeft voor lange takes, gebiedt Von Trier hem dat geen enkel beeld langer dan een halve seconde mag blijven staan, als Leth uitlegt hoe hij het toeval in zijn werk koestert, veroordeelt ‘aangever en pedagoog’ Von Trier hem tot het maken van een tekenfilmversie, waarin voor toeval geen plek is. Ook zijn animatie-versie van ‘de perfecte mens’ is prachtig; kan Leth dan waarlijk alles?!

Tijdens IDFA, t/m 25 november, biedt Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond onderdak aanEXPANDING DOCUMENTARY #3, een ‘grensoverschrijdend programma over de toekomst van documentaire storytelling’. Met live cinema events en een Late Night Club van Tom Barman. Met Robots in Residence, een geinig project waarin kleine pratende robots een documentaire maken met het publiek, en het indrukwekkende Empire, waarin Kel O’Neill en Eline Jongsma de overblijfselen van het Nederlandse kolonialisme belichten. En met My Name is Jørgen Leth en de DocLab Competition Showcase, met 15 computers en iPads waarop de documentaires te zien zijn die onderdeel uitmaken van de IDFA DocLab Competition for Digital Storytelling. Daaronder het aangrijpende Alma, a Tale of Violence, waarin de jonge Alma terugkijkt op de jaren dat ze lid was van een van de meest gewelddadige bendes in Guatamala en Pointer Pointer, een simpel, zeer verslavend online tijdverdrijf: zet de cursor ergens op het scherm, en er verschijnt een foto waarop iemand exact dezelfde plek aanwijst.

De camera van Jan Bons hangt weer in de stad: IDFA!

Het IDFA is weer bezig. Dus hangen de handgescheurde camera’s van Jan Bons weer overal in de stad. Althans, een variatie erop. Ik heb ze gemaakt in de geest van Jan Bons, in eendrachtige samenwerking met zijn zoon Jeroen Bons en Cathalijne de Wilde en Laura van Halsema (hoofd IDFA Communication). Er zijn vijf verschillende posters; spaar ze allemaal!

14

11 2012

Wat is een boek?

De leukste van de Best Verzorgde Boeken uit 2011? Het handzame, vrolijke boekje met een tekstloze, kunststoffen band met folkloristische motieven in rood, roze, paars en blauw, afgezet met kant, en een omvouwsluiting met magneetclip en een rood met wit gestippeld hartje. Het lijkt een poeziealbum. Of een meisjesdagboek.

Het is een ‘meidenbijbel’, een speciaal voor meisjes en jonge vrouwen gemaakte uitgave van Uitgeversgroep Jongbloed, in samenwerking met het Nederlands Bijbelgenootschap. Zo bijzonder als het omslag (van Studio Vrolijk) is, zo standaard-klassiek en rechttoe-rechtaan is het binnenwerk: een plechtig lettertje op dundrukpapier. Had de ‘meidenbijbel’ niet beter genomineerd kunnen worden voor Het Beste Boekomslag?

De vierkoppige jury van De Best Verzorgde Boeken, bestaande uit een drukker, een uitgever, een designhistoricus en een ontwerper, was verdeeld. Zij spreekt van “een verpakking die de Bijbelse inhoud maskeert en de suggestie wekt dat het lezen van de bijbel in het openbaar een heimelijke activiteit is of kan zijn”, anderzijds is de hippe, vrolijke stoffencollage “heel toepasselijk voor deze doelgroep”. Na veel wikken en wegen werd de vorm zo ongebruikelijk en uitzinnig bevonden dat het juryoordeel naar een plus kantelde.

De Best Verzorgde Boeken 2011 zijn te zien in het Stedelijk Museum, in de nieuwe entreehal naast de boekhandel, uitgestald op drie stellingen van blankhout en plexiglas. Het zijn er dertig, gekozen uit 338 door uitgevers, opdrachtgevers, ontwerpers en drukkers ingestuurde boeken (tegen 33 uit 376 in 2010). De jury zag heel weinig radicale boeken, meer differentiatie in de typografie, en maar weinig boeken die mooi openvallen.

Het zal best. Zoals te doen gebruikelijk valt op de dertig uitverkorenen geen peil te trekken. Er zitten weer veel kunstenaarsboeken, catalogi en fotoboeken tussen (waaronder het vuistdikke Foto Vincent Mentzel van meesterontwerper Irma Boom), en een enkel klassiek leesboek, uitgegeven door Athenaeum – Polak & Van Gennep (Exotische liefde van Jacob Haafner). Ook VPRO Gids Covers – Een kleine geschiedenis van de VPRO vormgeving aan de hand van enige honderden gidsomslagen van 1926 tot nu, vormgegeven door Piet Schreuders en Beate Wegloop, haalde de selectie, hoewel het volgens de jury “niet direct opvalt als bijzonder of bijzonder mooi”.

De jury koos een brochure waarmee de Gemeente Amsterdam leraren in het zonnetje wil zetten, een prachtig Gouden Boekje (Het kerstfeest der dieren; “een echt ‘gezellig’ boekje”, aldus de jury) en een in eigen beheer uitgegeven, uit andere boeken gegrasduinde verzameling pagina’s met de woorden ‘Part One’: Part One van Robin Waart. “Het absurdisme van deze onderneming kan de meerderheid van de jury bekoren.”

De gehanteerde criteria zijn even arbitrair als inwisselbaar. Waarom zelfgeproduceerde boeken in kleine oplagen (‘printing on demand’) wel kunnen meedingen en het digitale boek nog altijd wordt genegeerd, is een raadsel. Wat is nu eigenlijk een boek volgens de Stichting De Best Verzorgde Boeken? En wat is ‘best verzorgd’? Hoe moeten vorm en inhoud zich tot elkaar verhouden, welke eisen worden er nu precies gesteld aan typografie, beeldbehandeling en grafisch-technische productie? Of heel concreet: mag een boek worden beoordeeld op het omslag?

Tsja. De dertig Best Verzorgde Boeken van 2011 leveren meer vragen dan antwoorden op.

De Best Verzorgde Boeken 2011. T/m 25 november in het Stedelijk Museum. De Stichting De Best Verzorgde Boeken heeft een catalogus uitgegeven met daarin onder meer een juryrapport over alle geselecteerde boeken (ontwerp Meeusontwerpt, ISBN 9 789059 651845, € 27,50)

01

11 2012