Archive for the ‘Televisie’Category

Lara rent, vecht, tuimelt, schiet en kreunt

“De grootste uitdaging was om een mens van vlees en bloed van Lara Croft te maken”, vertelde regisseur Simon West in de aanloop nar de première over Lara Croft: Tomb Raider, zijn verfilming van het populaire computerspel.

Lara Croft werd in 1995 ontworpen door de toen 21-jarige Tony Gard, game-designer bij het kleine Britse ontwerpbureau Core Design. In haar biografie op de website staan haar maten (90 – 60 – 90), haar favoriete films (Deliverance van John Boorman, Aguirre, der Zorn Gottes van Werner Herzog), en is te lezen dat ze haar luxueuze, aristocratische leventje heeft opgegeven nadat ze als enige een vliegtuigongeluk in de Himalaya overleefde. Sindsdien is Lara schatzoeker en reist ze de hele wereld over.

Dat het action adventure een hit werd, komt volgens de talrijke fans niet alleen door de enorme boezem van de silicon chick. Lara Croft, die in minuscule shorts en strakke hemdjes heupwiegend voor de speler uit rent, is slim, beweegt als een ballerina, en hanteert de twee revolvers die ze op haar heupen draagt met evenveel gemak als Chow Yun-fat in John Woo’s virtuoze The Killer.

Eind 1999 speelde Denise Richards in The World is Not Enough een naar Lara gemodelleerde atoomgeleerde – in strak groen hemdje en ultrakorte hotpants hielp ze James Bond de wereld redden. De ontwikkeling van een ‘echte’ Lara Croft-film was toen al in volle gang.

De Amerikaanse actrice Angelina Jolie (4 juni 1975, Los Angeles, California) heeft zich drie maanden voorbereid op haar rol. Zij leerde kickboksen, motorrijden, wapens in elkaar zetten en bungee jumpen, en haalde haar duikbrevet (voor een scène die op de montagetafel is gesneuveld) om in een actieheld van het nieuwe millennium te veranderen.

Jolie is volgens West de ideale Lara, en niet alleen omdat zij in het echt met messen onder haar kussen slaapt, een lijf vol tatoeages heeft en meer dan eens liet weten dat ze het liefst het bloed drinkt van haar eertijdse liefde, acteur Billy Bob Thornton.

Toen West werd gecontracteerd – als opvolger van Stephen Herek, die het productieproces te lang vond duren – wilde hij alleen de naam van de film en de inmiddels gecontracteerde Jolie handhaven. Verder moest alles anders.

Aan het script van Lara Croft: Tomb Raider is al met al gesleuteld door meer dan tien scenarioschrijvers, die niet alleen moesten voldoen aan de wensen van filmstudio Paramount Pictures, maar ook de kritische blik van waakhond Eidos Interactive, de producent van het spel, moesten weerstaan. Schrijvers kwamen en gingen – omdat hun ideeën te duur waren of anderszins niet in de smaak vielen, en werkten soms naast elkaar aan verschillende scripts.

West, regisseur van videoclips van Mel & Kim en kassuccessen als Con Air (1997) en The General’s Daughter (1999), werkte zich door jaargangen National Geographic en wetenschappelijke tijdschriften op zoek naar aanknopingspunten voor zijn script. Zijn Lara moest geen kruising worden tussen Indiana Jones en Pamela Anderson, maar de vrouwelijke evenknie van James Bond. Hij bedacht een verhaal waarin Lara de gebroken stukken van een driehoek moet zien te bemachtigen, waarmee, als alle planeten op één lijn staan, door de tijd kan worden gereisd.

Toch is het onnavolgbare verhaal weinig meer dan een kapstok voor de ene na de andere weinig spectaculaire stunt, tegen wisselende, exotische decors, net als in het spel. Lara rent, vecht, tuimelt, schiet en kreunt, maar waar zij in het spel bij het minste of geringste het loodje legt, is de film-Lara onkwetsbaar. In gevecht met robot-insecten, tot leven gewekte stenen beelden en andere schurken overkomt Lara niets. Haar zelfgenoegzame lachje wijkt geen seconde van haar gezicht. En als ze eens een schrammetje oploopt, verdwijnt het als sneeuw voor de zon door het drinken van een kopje heilzame Cambodjaanse thee.

Het maakt Lara Croft: Tomb Raider bijna net zo saai als iemand naast je een computerspel zien spelen.

Lara Croft: Tomb Raider van Simon West. Di 11/6, 20.30 uur, RTL7. Lara Croft Tomb Raider: The Cradle of Life van Jan de Bont. Wo 12/6. 20.30 uur, RTL7.

11

06 2013

“Tot hoe laat is Venetië eigenlijk open?”

“Wij zijn geen figuranten! Wij zijn gewone burgers, die deze stad bewonen!,” schreeuwt een man naar een gigantisch cruiseschip dat koerst richting de Terminal Venezia Passeggeri, de cruiseterminal van Venetië. Een aantal mannen op de kade laat demonstratief hun broek zakken. “Weg! Weg! Weg! Jullie zijn te groot. Jullie verwoesten de lagune. Jullie verwoesten de kanalen, de huizen en de kades,”, roepen ze richting de toeristen aan boord van het bakbeest. “Wij zijn geen ansichtkaart! Wij zijn een stad!”

Het kunstenaarsduo Racké en Muskens, bestaande uit Quirine Racké (1965) en Helena Muskens (1963), maakte I Love Venice, een even onthutsend als betoverend portret van een stad die ten gevolge van massatoerisme steeds meer op een pretpark is gaan lijken. En over zijn bewoners, die wegvluchten omdat het gemeentebestuur en de politiek doof zijn voor hun protesten. De film kan worden gezien als de antipode van Celebration (2005), hun documentaire over een stadje in Florida, bedacht, ontwikkeld en beheerd door de Disney Company.

Het idee voor I Love Venice ontstond een jaar of tien geleden, tijdens reizen naar Salzburg en Dubrovnik. In Salzburg werden ‘Sound of Music-tours’ georganiseerd, ontdekten Racké en Muskens; in de binnenstad van Dubrovnik liepen zoveel toeristen rond dat de marmeren straten er glad gepolijst zijn.

Dat beeld, van de historische binnenstad als openluchtmuseum, bleef hangen. Racké en Muskens vroegen zich vervolgens af welke functies de stadscentra van UNESCO Werelderfgoedsteden als Amsterdam en Brugge nog hebben. In deze tijd van city marketeers wordt geschiedenis ingezet als product; steden worden aangeboden als themapark. In I Love Venice vertelt een de stad uit gevluchte bewoner dat hem weleens is gevraagd tot hoe laat Venetië eigenlijk open is.

Op een ‘normale’ zomerse dag wordt de stad, waar nu nog minder dan 60.000 mensen wonen, overspoeld door meer dan 80.000 toeristen en dagjesmensen. En het wordt alleen maar erger, weeklaagt want Lidia Fersuoch, de voorzitter van de erfgoedorganisatie Italia Nostra. “De Chinezen, de opkomende economieën, mensen uit India; iedereen wil naar Venetië. Iedereen heeft ook het recht Venetië te bezoeken, maar onder de voorwaarde dat dat niet tot de ondergang van de stad leidt”.

Racké en Muskens schetsen de Venetiaanse problemen op prachtige wijze, een oplossing biedt hun documentaire niet. Die is er ook niet, vreest Quirine Racké: “We hebben gesproken met de wethouder Publieke Zaken. Die hield een pr-achtig verhaal waarin hij alles zo formuleerde dat het leek alsof er helemaal geen probleem is. Van tevoren vertelde zijn woordvoerder echter een ander verhaal. Het is vreselijk, zei hij – off the record helaas. Wij zijn misschien wel de laatste generatie Venetianen.

Holland Doc: I Love Venice van Racké en Muskens. Wo 5/6, 23.00 uur, Ned 2.

05

06 2013

Het Pentagon herschrijft de geschiedenis via Hollywood

‘We liegen niet tegen het Amerikaanse volk over militaire zaken’, zei George W. Bush eind februari 2002 tijdens een persconferentie op het Witte Huis. De eertijdse Amerikaanse president distantieerde zich daarmee van het plan van het Pentagon, het Amerikaanse ministerie van Defensie, om de (inter)nationale media te beïnvloeden en steun te verwerven voor de oorlog tegen het terrorisme, desnoods door foute, verzonnen nieuwsberichten de wereld in te helpen. Dat idee kwam uit de koker van het Office of Strategic Influence, de propaganda-afdeling van het Pentagon, opgericht na 11 september 2001 om de ‘hearts and minds’ van het buitenlandse publiek te winnen.

In die slag speelt Hollywood al jaren een belangrijke rol; het Pentagon ziet de filmindustrie als een belangrijk hulpmiddel voor zijn public relations. 11 November 2001 besprak Karl Rove, topadviseur van president Bush, met de studiobazen hoe Hollywood kon bijdragen aan de oorlog tegen het terrorisme. Regisseurs en scenarioschrijvers werden gevraagd plaats te nemen in een denktank die zoveel mogelijk oorlogsscenario’s moest bedenken; filmsterren als Brad Pitt en George Clooney bezochten het front om de soldaten een hart onder de riem te steken. Net als tijdens WOII, toen Frank Capra de zevendelige serie Why We Fight regisseerde, moest Hollywood helpen het volk in de juiste stemming te brengen voor de oorlog.

De band tussen het Pentagon en Hollywood bestaat sinds Wings, William A. Wellmans vliegeniersdrama uit 1927, en is sindsdien alleen maar inniger geworden. Uit militaire documenten en interne memo’s blijkt dat Hollywood op verzoek van het Pentagon verhaallijnen aanpast, scenario’s wijzigt en de geschiedenis verdraait, in ruil voor tanks, onderzeeërs en vliegtuigen – wat vele miljoenen scheelt in de productiekosten.

Producent Jerry Bruckheimer – die miljarden verdiende met zijn films, dus niet echt op de kleintjes hoeft te letten – maakt met graagte gebruik van expertise en materieel van het leger. Voor Top Gun (Tom Cruise als straaljagerpiloot in de regie van Tony Scott) wijzigde hij in ruil voor straaljagers en een vliegdekmoederschip het personage dat wordt gespeeld door Kelly McGillis. In het oorspronkelijke scenario was zij soldaat; in de film kreeg zij een functie buiten het leger, omdat verhoudingen tussen officieren en soldaten verboden zijn. Bruckheimer blij met een forse budgetbesparing en echte straaljagers, het leger blij met de beeldvorming. Toen de film in de Verenigde Staten in première ging, stonden er standjes in de bioscopen waar belangstellenden zich konden aanmelden bij de luchtmacht.

Ridley Scotts Black Hawk Down wordt verkocht als een ‘reconstructie’ van de slag bij Mogadishu. In de openingsbeelden wordt gesteld dat de film gebaseerd is op werkelijke gebeurtenissen. Het ‘waarheidsgehalte’ wordt nog eens benadrukt door frequent in beeld verschijnende tijd- en plaatsbepalingen. Onder leiding van Amerikaanse soldaten wordt in Somalië in 1992 voedsel verdeeld onder de hongerende bevolking. Burgeroorlog en wrede krijgsheren hebben duizenden slachtoffers gemaakt. Als de allerwreedste, Mohamed Farrah Aideed, een aantal Pakistaanse leden van de vredestroepen vermoordt en de Amerikanen bedreigt, achten de Verenigde Staten het tijd om in te grijpen. Dat gaat mis; op 3 oktober 1993 lopen de Amerikaanse soldaten in een hinderlaag.

Wat volgt is een twee uur durende veldslag, intens (à la Saving Private Ryan) in beeld gebracht door voormalig commercialmaker Scott. De twee Black Hawk-helikopters storten spectaculair neer; kogels, granaten en ledematen vliegen in het rond. Oorlog is de hel op aarde, zoveel wordt duidelijk.

‘Leave no man behind’ is het credo van de Amerikanen, die, als ze niet schieten, zinnen uitkramen als ‘Nu kun je laten zien wat je waard bent’. Een stervende Amerikaan vraagt zijn makkers of ze zijn ouders willen vertellen dat hij dapper gevochten heeft.

Acteur Brendan Sexton III, die een van de soldaten speelt, verbaasde zich er eerder deze maand tijdens een anti-oorlogsforum aan de Columbia University in New York over dat alle nuance en twijfel uit het oorspronkelijke scenario verdwenen waren. De reden laat zich raden. ‘Zonder hulp van het leger had de film Helicopter Down geheten’, aldus Scott. ‘Helikopters zijn te huur, Black Hawks niet.’ Dus herschrijft Hollywood de geschiedenis, op verzoek van en gesponsord door het Amerikaanse leger. Wat niet in het plaatje past, wordt weggemoffeld of aangepast.

De vraag wat de best getrainde elite-eenheid van het Amerikaanse leger precies te zoeken had bij de verdeling van voedsel, wordt logischerwijs niet gesteld. De Verenigde Naties worden – net als in Behind Enemy Lines (John Moore, 2001) – afgeschilderd als een hinderlijk blok aan het been, die de Amerikanen belemmeren in het helpen van de arme burgerbevolking, die zo te lijden heeft onder Aideed.

Het meest indringende beeld van wat er werkelijk gebeurde, van een dode Amerikaanse soldaat die door de Somaliërs door de straten van Mogadishu wordt gesleept, ontbreekt. Dat de Amerikanen vrouwen en kinderen in gijzeling namen, blijft onvermeld. De met lintjes behangen John Stebbins, die zich twee jaar geleden aan een kind vergreep en door een militaire rechtbank tot dertig jaar cel werd veroordeeld, werd onder druk van het leger veranderd in de brave soldaat Grimes (gespeeld door de Schot Ewan McGregor).

Als de strijd gestreden is, en er achttien doden en 73 gewonden aan Amerikaanse kant te noteren zijn, is er even tijd voor bezinning. ‘Als ze me vragen of ik verslaafd aan oorlog ben, geef ik geen antwoord’, zegt een officier. ‘Waarom? Ze begrijpen het toch niet. Dat het om de man naast je gaat. Dáár gaat het om, meer niet.’ In de slottitels wordt nog vermeld dat bij de slag ‘ongeveer duizend’ Somaliërs zijn omgekomen.

Lee Van Arsdale, een onlangs afgezwaaide kolonel bij de Special Forces die erbij was in Mogadishu, was als adviseur aan Black Hawk Down verbonden. De kolonel was destijds verbijsterd dat de actie in de media een ‘debacle’ en een ‘fiasco’ werd genoemd, en zag de film als een kans ‘een misverstand uit de weg te ruimen’. ‘Uit militair oogpunt was het een succesvolle missie’, aldus Van Ardale.

De Amerikaanse première van Black Hawk Down werd op instigatie van het hoofd marketing van de studio vervroegd. Hij voorzag dat het publiek na 11 september behoefte zou hebben aan een ode aan heldenmoed, kameraadschap, doorzettingsvermogen en opofferingsgezindheid. De cijfers geven hem gelijk.

Black Hawk Down werd genomineerd voor vier Oscars (regie, cinematografie, montage en geluid); Jerry Bruckheimer kreeg nog een andere beloning. De producent, die als geen ander in staat is het Amerikaanse leger te laten schitteren, werd door het Pentagon gevraagd een dertiendelige televisieserie te maken over de oorlog in Afghanistan.

Black Hawk Down van Ridley Scott. Woensdag 10/4, 23.15 uur, RTL7.

09

04 2013

Na tweeënhalf uur geen clou

Een van de ongeschreven regels van Hollywood luidt dat een film goed moet aflopen. De hobbels die de geliefden in een romantische komedie dienen te nemen, mogen nog zo hoog zijn; aan het einde staan ze samen aan het altaar. Een seriemoordenaar mag de politie nog zo vaak te slim af zijn; tot slot gaat hij voor de bijl – de bioscoopbezoeker moet immers met een goed gevoel naar huis.

In Se7en (1995) lapte regisseur David Fincher deze wet aan zijn laars. In deze thriller, over een seriemoordenaar die de zeven doodzonden afwerkt, neemt een jonge, getergde rechercheur tot slot wraak op de moordenaar, die een doos met het hoofd van zijn vrouw bij hem heeft laten bezorgen. In Zodiac gaat Fincher een stap verder.

Na tweeënhalf uur is er helemaal geen clou of afgerond einde. Fincher blijft daarmee dicht bij de werkelijkheid; de film is gebaseerd op een waar gebeurde moordzaak waarvan de dader nooit is gevonden – de belangrijkste verdachte overleed in 1992, zonder ooit in staat van beschuldiging te zijn gesteld. Dezelfde moordzaak diende eerder als inspiratiebron voor films waarin de waarheid wél geweld werd aangedaan (onder meer The Limbic Region van Michael Pattinson, The Zodiac van Alexander Bulkley, Dirty Harry van Don Siegel; Steve McQueens personage Bullit was geïnspireerd door detective David Toschi, die een beroemdheid werd door het langlopende onderzoek).

4 Juli 1969 doet de seriemoordenaar ‘Zodiac’ (‘dierenriem’) voor het eerst van zich spreken. Na zijn eerste slachtpartij belt hij zelf de politie, en stuurt hij een brief aan verschillende kranten met feiten waarmee hij duidelijk maakt dat hij en niemand anders de moordenaar is. Ook is er een gecodeerde boodschap, die op de voorpagina afgedrukt moet worden. Anders zullen er meer slachtoffers vallen.

Fincher was destijds zes jaar en woonde in het gebied rond San Francisco waar de moordenaar huishield. Net als de kinderen uit de buurt werd hij begeleid door de politie als hij met de bus naar school ging. De stad was in angst, en die angst werd gevoed door de media.

Zodiac – door Harris Savides, de vaste cameraman van Gus Van Sant, digitaal geschoten in de bruin-, geel- en oranjetinten die het tijdperk aankleven – lijkt een afrekening met deze ‘ultimate boogeyman’, zoals Fincher Zodiac in interviews noemt. Zijn film werkt niet naar de oplossing van het moordmysterie; de moorden, hoe ijzingwekkend ook in beeld gebracht, zijn slechts bijzaak.

Zodiac lijkt meer op een film als All the President’s Men dan op Se7en. Want Fincher focust op de zoektocht waarin drie mannen zich los van elkaar verliezen. Dave Toschi (Mark Ruffalo) is belast met het politieonderzoek; de sjofele Paul Avery (Robert Downey jr.) is misdaadverslaggever bij de San Francisco Chronicle, en Robert Graysmith (Jake Gyllenhaal) is politiek cartoonist bij dezelfde krant, die aanwijzingen kreeg opgestuurd van Zodiac. De boeken die Graysmith over de zaak schreef, Zodiac en Zodiac Unmasked: The Identity of America’s Most Elusive Serial Killer Revealed, en de politierapporten dienden als uitgangspunt. Tijd en plaatsaanduidingen, in een ouderwets schrijfmachinelettertje, versterken het realistisch gehalte.

Als het onderzoek vastloopt, dreigt ook de film te verzanden, maar de acteurs – met name de geweldig schmierende Robert Downey jr. – weten de aandacht steeds vast te houden.

De mannen raken almaar meer geobsedeerd. Graysmith móet en zal weten wie de moordenaar is – ook al gaat dat ten koste van zijn baan, zijn vrienden en zijn gezin. ‘Is je onderzoek belangrijker dan de veiligheid van je familie?’, wil zijn tweede vrouw (Chloë Sevigny met uilebril en gesteven haar) van hem weten. ‘Waarom doe je dit?’ Graysmith’s afgemeten antwoord: ‘Omdat niemand anders het doet.’

Zodiac van David Fincher. Zondag 17 maart, 23.50 uur, SBS6.

16

03 2013

Reële droomwereld

Ofélia, een dromerig meisje van een jaar of tien, reist met haar ziekelijke moeder naar het noorden van Spanje. Ze zijn op weg naar haar stiefvader, een fascistische legerkapitein die verwoed jacht maakt op de laatste republikeinen.

Haar echte vader, een eenvoudige kleermaker, is dood. Haar moeder is hoogzwanger van de kapitein. ‘Zul je hem netjes gedag zeggen?’, vraagt moeder aan Ofélia. ‘Hij heeft veel voor ons gedaan.’ Het meisje zegt niets. Als de kwaadaardige kapitein hen ontvangt, steekt ze haar linkerhand naar hem uit. Met haar rechterhand klemt ze een stapel sprookjesboeken tegen het tengere lijf.

De fantasyfilm Pan’s Labyrinth (El laberinto del fauno) van de Mexicaan Guillermo del Toro werd bekroond met drie Oscars, voor het camerawerk, de artdirection en de make-up. Eerder drong de film al even verrassend door tot de Gouden Palm-competitie van het festival van Cannes, het mekka van de kunstzinnige film. Het geeft de bandbreedte aan van Pan’s Labyrinth: het is vakkundig gemaakt amusement én hoge kunst met een boodschap.

Sinds zijn debuut Cronos (1993) wisselt Guillermo del Toro persoonlijke, Spaanstalige films af met grote Hollywoodproducties. Hij maakte de horrorfilm Mimic (1997) waarin gemodificeerde kakkerlakken New York onveilig maken, de even cartooneske als bikkelharde vampierfilm Blade II (2002), en de bizarre stripverfilming Hellboy (2004), met een rode sigaren rokende duivel in de hoofdrol. En tussendoor regisseerde hij de fijnzinnige, Spaans gesproken griezelfilm The Devil’s Backbone, waarin een weeshuis vol slachtoffers van de oorlog wordt geplaagd door een geest.

In Pan’s Laybyrinth komen al zijn kwaliteiten samen. De montage is vloeiend; de acteurs, met name Sergi López (als de onmenselijke kapitein), Maribel Verdú (moeder), Doug Jones (als twee sprookjesfiguren) en de jonge Ivana Baquero (Ofélia) zijn op dreef. De muziek van Javier Navarette bestaat uit een geslaagde combinatie van een spannende horrorscore en lieflijke melodieën. Het camerawerk en de artdirection zijn wonderschoon. Er is een magisch boek dat zichzelf schrijft – met inktzwarte en bloedrode letters. Er is krijt waarmee Ofélia deuren kan maken in het dikste steen, er is een wortel die kan huilen als een baby. En toch is de realiteit nooit ver weg – droom en werkelijkheid gaan naadloos in elkaar over.

De ongehoorzame, onverschrokken Ofélia – haar naam is een verwijzing naar de tot waanzin gedreven geliefde van Hamlet – ontmoet een faun, die haar aanziet voor een prinses uit de onderwereld. Zij moet drie gevaarlijke opdrachten uitvoeren om te bewijzen dat ze niet sterfelijk is geworden.

Avond na avond sluipt Ofélia op kousenvoeten weg bij haar moeder, naar een labyrint waar ze elfen, een man zonder ogen, en andere wonderlijke wezens ontmoet. Ofélia verbaast zich er niet over; de wrede realiteit is voor haar veel onwerkelijker dan haar droomwereld. De oorlog voor de deur is de horror, de ware monsters zijn de mensen.

Pan’s Labyrinth is een feest voor oog en oor, zo zwart als een sprookje kan zijn. Dus niet geschikt voor al te jong grut, gewend geraakt aan de ‘light-sprookjes’ van Disney.

Pan’s Labyrinth van Guillermo del Toro. 2 maart, 22:50 uur. RTL 5.

02

03 2013

Romcom met platte grappen over gehandicapten en homo’s, zwaarlijvigen en seriemoordenaars, drugs en lichaamssappen

Mary Jenson (Cameron Diaz) is dertig lentes jong, ongelooflijk sexy, slim en grappig. Ze drinkt bier, weet alles van football, speelt fantastisch golf; ze is een succesvol orthopedisch chirurg, rijk en vrijgezel. Kortom: Mary is een lot uit de loterij.

Dat was ze op de middelbare school ook al. Toch vraagt ze de sukkel Ted (Ben Stiller, met beugel en ‘fout’ haar) mee naar het eindexamenfeest, nadat die haar zwakzinnige broer uit de klauwen van een bullebak heeft gered. Helaas, er komt (letterlijk) iets tussen, en Mary en Ted verliezen elkaar uit het oog.

Dertien jaar later is Ted haar nog niet vergeten en huurt hij een morsige detective in (Matt Dillon, met ‘foute’ snor en ‘foute’ tanden) om haar op te sporen. Die vindt Mary. En dat niet alleen; ook hij valt voor haar. Zoals iedereen als een blok voor Mary valt.

There’s Something About Mary is ontsproten aan de breinen van de selfmade regisseurs Peter en Bobby Farrelly. Eerder maakten zij Dumb and Dumber met Jim Carey en Kingpin met Woody Harrelson; films die indruisen tegen alles wat wel ‘de goede smaak’ wordt genoemd.

Ook There’s Something About Mary bevat platte grappen over gehandicapten, homo’s, zwaarlijvigen, seriemoordenaars, drugs en lichaamssappen – de meeste zijn erg leuk. Ook de cast is op dreef; Diaz kwam al eens grappig uit de hoek in The Mask en My Best Friends Wedding, Dillon in een komedie is echter een ontdekking: een parodie op alle mooie jongens die hij ooit speelde.

De schier oneindige reeks grappen wordt aan elkaar gezongen door Jonathan Richman, die – als een rei in klassiek toneel – commentaar geeft op de amoureuze verwikkelingen en vertelt wat er nog te gebeuren staat.

There’s Something About Mary was afgelopen zomer de verrassing in de Amerikaanse bioscopen. Dat is te verklaren, want er valt veel te genieten. Voor liefhebbers van romantische komedies (vrouwen), ondanks de platte grappen. Voor de horde fans van de peilloze humor van de gebroeders Farrelly (mannen), ondanks het getrut van de geliefden.

There’s Something About Mary van Peter en Bobby Farrelly. Woensdag 20 februari, 22.35 uur, RTL5.

20

02 2013

Groter dan het leven zelf

Juli 1996 was ik in Antwerpen op setbezoek. Mike van Diem was er bezig met de verfilming van Bordewijks roman Karakter. 37 was van Diem destijds. Hij had een Gouden Kalf gewonnen voor zijn eindexamenfilm Alaska, verder niets. Maar hij nam bepaald geen blad voor de mond. “In Nederland heerst een halfbakken Lolamoviola-klimaat, waarin de grote publieksfilm volledig verloren dreigt te gaan. Ik hoop dat ik daar met Karakter een kentering in kan aanbrengen.”

Met een budget van 6,5 miljoen gulden en opnames in Nederland, België, Duitsland en Polen is Karakter zeker geen kleine film. In Antwerpen worden onder meer vijf korte scènes opgenomen in een voormalig militair hospitaal. Terwijl de set wordt opgebouwd, de crew stills en setfoto’s van eerdere opnamedagen bekijkt en hoofdrolspeler Jan Decleir zich laat schminken, nemen tegenspeelster Betty Schuurman en Van Diem de scènes door. Het gaat er allemaal vrij ontspannen aan toe. Dat is knap, want ook voor cameraman Rogier Stoffers betekent Karakter zijn speelfilmdebuut.

Jan Decleir neemt in zijn rol van Dreverhaven plaats achter een eenpersoons tafeltje. Zijn huishoudster Joba, vertolkt door Schuurman, komt hem koffie en de post brengen. Ze gunnen elkaar geen woord of blik. In het verhaal heeft Dreverhaven haar de avond ervoor “kort en ruw genomen” en later blijkt dat hij met deze daad zijn bastaardzoon Katadreuffe heeft verwekt. De scène waarin Joba hem dat vertelt, wordt in één moeite door opgenomen. “Ik ben in positie, ik ga weg”, luidt de korte mededeling van Joba. “Zo”, is Dreverhavens veelzeggende commentaar.

“Geen liefdesscène om deodorant mee te verkopen”, vindt Decleir. Hij hoefde, ondanks zijn drukke agenda, niet lang na te denken toen Van Diem en Laurens Geels hem vroegen voor Dreverhaven, een rol die niettemin erg lastig is. In de woorden van Bordewijk: “Het zwaard zonder genade voor iedere schuldenaar die hem in handen valt (…) een man zonder hart, in de zin van een man zonder gevoel.” Decleir: “We hebben het er lang over gehad of ik niet te aardig, te goed ben voor de rol. Dreverhaven is het kwaad zelf, een man die boven de wet staat, die de wet misbruikt. Er woont een fundamentele boosaardigheid in hem. Hij is groter dan het leven zelf. Met mijn eigen ervaringen kan ik in dit geval niet zoveel; ik heb zelf een lieve vader en probeer zo goed en zo kwaad als het gaat een goede vader te zijn voor mijn kinderen. Maar dat maakt het juist interessant; het is een kant van me waar ik nog niet zo vaak mee naar buiten ben getreden.”

Onzinnig
“Ik wilde een filmster hebben voor de rol van Dreverhaven”, zegt Van Diem. “Niet zomaar een goede acteur. Mijn Dreverhaven is niet zomaar de man die doet wat hij doet om zijn zoon te harden. Hij is een mysterie. Alles wat riekt naar surrealisme heb ik naar boven gehaald. Het duistere, mysterieuze uit ‘Bint’; ik hoop dat je er iets van terugziet in de ogen van Jan Decleir. Het zo goed mogelijk verfilmen van een boek is op zichzelf een onzinnige bezigheid. Het interesseert me dan ook totaal niet om ‘Karakter’ goed te verfilmen, ik wil een goede film maken. Wat me in het boek aanspreekt is de manier waarop de hoofdrolspelers met elkaar communiceren, of eigenlijk niet communiceren, hoe ze ten onder gaan aan hun onvermogen om emoties te tonen. Het is een verhaal van iemand die aan zijn afkomst wil ontsnappen, die probeert om zich aan zijn ouders te ontworstelen. Het is een strijd die we volgens mij allemaal voeren.”

Bordewijk heeft de merkwaardige verhouding tussen Dreverhaven en zijn onwettige zoon twee keer beschreven: in 1928 in de novelle ‘Dreverhaven en Katadreuffe’, tien jaar later in de roman ‘Karakter’. In samenwerking met Laurens Geels en Ruud van Megen heeft Van Diem de roman en de novelle bewerkt tot een scenario. Van Diem: “Die novelle geeft me onbeperkte vrijheid bij het maken van mijn film. Ik heb het verhaal helemaal opnieuw opgebouwd met mijn eigen bouwstenen, niet met scènes uit het boek. Natuurlijk zitten er mooie scènes in het boek die niet in de film zitten, maar die heb ik niet nodig voor mijn verhaal. Een film moet aan heel andere voorwaarden voldoen. De roman is beroemd vanwege de karakters, berucht vanwege het zwakke plot en de wijdlopigheid. Dus gebruik ik Bordewijks fantastische personages, maar wat er niet goed is aan het plot heb ik verbeterd en wat saai is laat ik weg. Ik hoop dat onze versie op die manier de meest bevredigende wordt.”

Dolende vader
Van Diem opent zijn film met het verhaal van een kersvers beëdigd advocaat (Katadreuffe) die er van wordt verdacht een beruchte deurwaarder (Dreverhaven) te hebben vermoord. “Omdat het boek stevigheid mist, heb ik gekozen voor een raamvertelling. Dat heeft een heel belangrijke functie: je moet weten waar het conflict tussen Katadreuffe en Dreverhaven toe leidt voordat de eigenlijke tragedie begint, anders ligt de film na drie kwartier op zijn gat.”

De roman ‘Karakter’ behandelt universele waarden van alledag. Dat de film desalniettemin in de periode van 1903 tot 1934 is gesitueerd, heeft een duidelijke reden: een vader was toen nog een vader, een moeder een moeder. Tegenwoordig wordt dat beeld vertroebeld door een oneindige reeks nieuwe relatievormen. Van Diem: “Ik zie Joba nog niet als bom- of bijstandsmoeder, of Dreverhaven als dolende vader. Ik wil een film maken die ze ook in China of India begrijpen, over het conflict tussen ouders en kinderen. Daar heb ik gedachten over, daar vertel ik iets eigens over. Ik haal dus bepaalde zaken uit het boek naar voren, waar een andere regisseur wellicht een ander thema als uitgangspunt gekozen zou hebben.”

Etentje
Van Diem was in 1990 net afgestudeerd aan de Nederlandse Film en Televisie Academie en werkte bij First Floor Features aan een grote Amerikaanse co-produktie toen Laurens Geels hem ‘Karakter’ liet lezen, als één van de films die hij nog eens wilde produceren. Van Diem: “Ik vond het wel iets voor mezelf, maar kon dat toen moeilijk zeggen. Ik had net Alaska gemaakt en dat is nu niet bepaald het soort film waarna je tegen een producent kunt zeggen dat jij wel een film als Karakter wilt maken.” In 1993 en 1994 regisseerde Van Diem afleveringen van de veelgeprezen dramaserie ‘Pleidooi’. Niet lang daarna liet hij bij een etentje met Laurens Geels tussen neus en lippen door vallen dat hij van ‘Karakter’ vast een hele goede film zou kunnen maken. “Laurens moet toen het vuur in mijn ogen hebben gezien.”

“Aanvankelijk wilden we er een kleine, makkelijk te financieren film van maken. Bij First Floor lopen echter nogal wat jongens van ‘mag het een onsje meer zijn’, met als gevolg dat het project alleen maar groter werd naarmate we er langer mee bezig waren. Uit die instelling zijn overigens al hele mooie dingen voortgekomen. Zelfs de mislukkingen van First Floor vind ik persoonlijk een stuk interessanter dan veel andere Nederlandse produkties. In Nederland heerst een soort halfbakken Lolamoviola-klimaat, waarin de grote publieksfilm volledig verloren dreigt te gaan. En als er dan eens iemand een interessante film maakt, is het vaak eenmalig. Karakter moet het Nederlandse antwoord op Daens worden. Dat was in Vlaanderen – anders dan hier – een grote publieksfilm.”

Onbekende regisseur
Als Van Diem per se een speelfilm had willen maken, had dat wel eerder gekund, want er zijn hem verschillende scenario’s aangeboden. Waarschijnlijk heeft hij ze terecht geweigerd; van de aangeboden plannen is alleen De flat gerealiseerd. Van Diem: “Wat Paul Ruven heeft of Ian Kerkhof, dat ken ik helemaal niet: dat gevoel van als ik in godsnaam maar kan filmen. Film is voor mij geen noodzaak. Voor het grote publiek ben ik misschien een onbekende regisseur, maar ik heb voldoende ander werk. En dat wordt door Karakter echt niet meer. Als we het verknoeien wordt het misschien wel minder; verder verandert er niks.”

Hoewel de opnames van Karakter nog doorlopen tot oktober, is er inmiddels al een reclamebureau ingeschakeld dat moet nagaan hoe de film het best aan de man kan worden gebracht. Omdat het een film zonder echte sterren is, het een niet erg voor de hand liggend genre betreft, en Karakter het evenmin moet hebben van grootse seks- of actiescènes, moet er volgens First Floor PR-medewerker Sara Höhner stevig aan de salonfähigkeit van de film worden gewerkt. Karakter moet gaan ‘gonzen’, net als ZUSJE. Van Diem maakt zich er intussen vooral druk over hoe hij iedereen duidelijk kan maken dat het niet de zoveelste keurige literatuurverfilming is. “Karakter is niet zomaar een Nederlandse kostuumfilm naar een klassiek boek, het is een spannende film over haat en liefde, vol verborgen mysteries. Het mag absoluut niet saai worden!”

Het verhaal
Karakter vertelt het verhaal van de strijd tussen de tirannieke deurwaarder Dreverhaven en zijn onwettige zoon Katadreuffe. Nadat Katadreuffe’s moeder Joba de dominante Dreverhaven heeft afgewezen, stelt hij alles in het werk om zijn bastaardzoon te dwarsbomen. Als het eerste zakelijke avontuur van Katadreuffe mislukt, mede door toedoen van zijn vader, belandt hij in een sjiek advocatenkantoor. De ambitieuze Katadreuffe vindt er zijn levensdoel: hij zal advocaat worden. In koppigheid evenaart Katadreuffe zijn vader, die zijn zoon telkens weer tot noodlottige daden probeert te verleiden. Gedreven door de vloek van het verleden bereidt hij zich voor op de onvermijdelijke confrontatie met de man met wie hij door het bloed verbonden is.

Karakter van Mike van Diem. Maandag 18 februari, 20.30 uur, RTL 8.

18

02 2013

Oogstrelende ode aan Mozart

Danseres Siti wordt verscheurd door haar liefde voor twee mannen: haar hardwerkende echtgenoot Setio en de gemene Ludiro. Die begeerde de mooie Siti altijd al en ziet zijn kans schoon als Setio op zakenreis is.

Het gegeven van de driehoeksverhouding is zo oud als maar kan (letterlijk: Opera Jawa is een verfilming van het eeuwenoude Ramayana-epos), maar in de uitvoering van de Indonesiër Garin Nugroho levert het een frisse, wervelende film op.

Nugroho, wiens Leaf on a Pillow in 1999 de openingsfilm was van het International Film Festival Rotterdam, combineert klassieke met hedendaagse dans, traditionele Indonesische gamelanmuziek en Javaanse liederen met hedendaagse invloeden. De aankleding is rijk, de decors zijn oogstrelend.

Opera Jawa maakt onderdeel uit van het zeer geslaagde project New Crowned Hope, een serie auteursfilms gemaakt in het kader van de viering van de 250ste verjaardag van Mozart, vorig jaar in Wenen. De Amerikaanse curator en theatermaker Peter Sellars en de Brit Simon Field, oud-directeur van het IFFR, gaven zeven regisseurs – onder wie Apichatpong Weerasethakul, Mahamet-Saleh Haroun, Tsai Ming-liang en Bohman Ghobadi – de opdracht een film te maken die op de een of andere manier iets met de Weense componist te maken heeft.

Sommige van de regisseurs hielden niet van Mozart; anderen waren nauwelijks bekend met diens oeuvre. De Indonesiër Garin Nugroho wilde zijn bijdrage aanvankelijk Requiem from Java noemen, om maar aan te geven dat er wel degelijk een band is. Die is er ook, maar hij is veel wezenlijker. Opera Jawa is een overrompelende, opzwepende film. Voor wie zich eraan over geeft, tenminste; voor wie durft weg te dromen. Wie dat niet kan heeft een zware zit; het verhaal is moeilijk te volgen, en de meeste symboliek zal waarschijnlijk ook aan de Westerse kijker voorbijgaan.

Opera Jawa van Garin Nugroho. Zaterdag 26 januari, 0.10 uur, Ned 2.

22

01 2013

Een lekke bal als hoofdkussen

De 12-jarige Remco van Leeuwen droomt ervan in het Nederlands elftal te spelen. Zijn kamer hangt vol met posters van zijn Oranje-helden en van zijn grootste idool Garrincha – hoewel de Braziliaanse dribbelaar voor Remco een speler uit de prehistorie moet zijn.

Remco’s droom stort in als hij een zware enkelblessure oploopt en zijn betweterige vader annex trainer langs de lijn in elkaar zijgt. Twee vrouwen bieden uitkomst: de oma van een Surinaams vriendje brengt Remco met behulp van winti in contact met zijn overleden vader. Een bijdehante apothekersdochter die graag voetbalvrouw wil worden (‘Krijg ik dan een zwarte leren jas?’) levert pijnstillers en zwachtels.

Regisseur Joram Lürsen en scenarist Frank Ketelaar, beiden middenvelder van Buitenveldert 7, hebben zich voor In Oranje laten inspireren door de levens van Nederlands grootste voetballers. Johan Cruijff had net als Remco een vader die groenteboer was en jong overleed, Marco van Basten gebruikte net als Remco een lekke bal als hoofdkussen. Toen hij twaalf was, kreeg hij van de dokter te horen dat hij moest stoppen met voetballen.

Ook andere voetbaldetails zijn levensecht. Het getik van noppen in de kleedkamers, de bloedfanatieke vaders langs de lijn, het zusje dat ongeïnteresseerd koprollen maakt. Alles klopt. Van de clichés en de humor (‘Héé krullenbol’, roept vader tegen de kale scheids) tot de voetbalhemel, waar het Manchester United-team dat in 1958 bij een vliegramp omkwam het opneemt tegen overleden toppers als Abe Lenstra en – natuurlijk – Garrincha.

De spelsituaties en doelpunten in de film zijn afgekeken van het Nederlands elftal. In een dramatische scène wordt Remco net als Cruijff in de WK-finale tegen West-Duitsland op de rand van het strafschopgebied onderuit gehaald. Maar hij krijgt géén strafschop. De charge levert hem zijn enkelblessure op en zijn vader een hartaanval.

In Oranje wordt ondersteund door de KNVB en zijn sponsors. In de film wordt gebruikgemaakt van echte Nike-shirts en -ballen; de familie eet een hamburger bij McDonald’s. In ruil daarvoor geven de multinationals op hun producten aandacht aan de film.

Maar In Oranje is meer dan een voetbalfilm. Veel meer zelfs. Het is óók een coming of age-film, een ontroerende tear-jerker over rouwverwerking en een bijzondere vader-zoon relatie.

In Oranje overtuigt op elk terrein. De makers hebben dan ook jaren aan hun plannen geschaafd. Lürsen studeerde in 1990 af aan de Filmacademie met De Finales, over een jongetje dat nóg beter was dan Marco van Basten. Het oerhollandse melodrama werd geschreven door Ketelaar en begeleid door Jean van de Velde, wiens zoon Yannick nu de hoofdrol speelt in In Oranje.

In 1992 schreven Lürsen en Ketelaar al een eerste versie van het scenario; samen waren ze ook verantwoordelijk voor de All Stars-aflevering waarin keeper Thomas Acda na een fatale terugspeelbal bezwijkt aan een hartaanval.

Dezelfde Acda is ditmaal trefzeker gecast als volkse groenteboer; Wendy van Dijk is een poezelige, dappere moeder (geholpen door de precieze kledingkeuze van Mariëlla Kallenberg). Van de Velde kan acteren én voetballen, en in de bijrollen overtuigen Porgy Fransen (huisarts), Ton Kas (rechercheur), Sterre ‘Knofje’ Herstel (zusje) en vooral Peter Blok als de boekhouder, die tot leedwezen van Remco zijn moeders hart verovert.

In Oranje van Joram Lürsen. Woensdag 16 januari, 15.30 uur, Nederland 3.

16

01 2013

The Comeback Kid

Daar zit hij: Mickey Rourke, met een verweerde kop en keurig getrimde snor en sik. Op zijn hoofd staat een grote zonnebril, in zijn geblondeerde haren zitten een paar witte strikjes. Zijn blouse staat vier knopen open; de losse, veel te lange manchetten steken uit de mouwen van zijn jasje. Aan de vingers van beide handen heeft hij tal van grote gouden ringen.

Links op de sofa ligt zijn hondje, waarvan hij met gevoel voor pathos heeft gezegd dat zij op een gegeven moment nog zijn enige gezelschap was. Rechts staan haar bakjes met eten en drinken. Op het salontafeltje staan literflessen water, die Rourke tijdens het gesprek een keer of wat vol aan zijn mond heeft gezet, en asbakken die uitpuilen van sigarettenpeuken.

In een peperduur hotel in Londen draait het voormalige bête noire keurig mee in de geoliede publiciteitsmachine. Als een bekeerling vertelt hij over de peilloze diepten in zijn carrière en privéleven en over de therapie die hem er bovenop heeft geholpen. En over de parallellen tussen zijn eigen leven en dat van zijn personage in The Wrestler. Die parallellen zijn er toch? Rourke: ‘Ach. Wat is een comeback? Je kunt terugkomen nadat je een broodje ham hebt gegeten, terugkomen uit Irak zonder benen, of terugkomen van het toilet, nadat je bent gepijpt. Elke comeback is anders. Ik ben uit het niets teruggekomen. Nadat ik vijftien jaar niets anders gedaan heb dan mezelf onmogelijk maken.’

In The Wrestler van Darren Aronofsky speelt Rourke (Schenectady, 1956) Randy ‘The Ram’ Robinson, een eenzame, aan pijnstillers verslaafde worstelaar op leeftijd, die door een hartaanval wordt gedwongen het rustiger aan te doen. Hij probeert een normaal baantje, op de vleesafdeling van een warenhuis, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Randy mist de spotlights en de kameraadschap, en betreedt opnieuw de ring.

Op het festival van Venetië werd The Wrestler bekroond met de Gouden Leeuw. Rourke werd onderscheiden door tal van verenigingen van (Amerikaanse) filmcritici. Hij kreeg een Golden Globe, werd genomineerd door de Screen Actors Guild (die zijn prijs gaf aan Sean Penn voor diens rol in Milk), en voor de Oscar voor beste mannelijke hoofdrol. Het kan verkeren; er was een studio die veel geld voor de film over had, maar alleen als Nicolas Cage de rol zou krijgen.

‘Gelukkig ben ik een regisseur tegengekomen die zich hard heeft gemaakt voor mij. Die ‘nee’ zei tegen het grote geld. Omdat hij mij per se wilde, koos Darren ervoor zijn film met een klein budget te maken. In ruil daarvoor moest ik iets doen wat ik in geen jaren had gedaan: alles geven. En ik kreeg maar weinig betaald. Hoeveel? In elk geval lang niet genoeg om de film te willen doen. Ik deed het alleen vanwege Darren. Toen ik hem ontmoette, zei hij: ‘Je gaat heel goed naar me luisteren en je gaat alles precies zo doen als ik zeg. Je komt op tijd, en je gaat niet nachtenlang feesten. En je toont altijd respect voor me waar de crew bij is’. Dat heeft geen enkele regisseur ooit tegen me gezegd. In elk geval niet recht in mijn gezicht. En ondertussen zat hij ook nog met zijn vingertje naar me te wijzen. Bij ieder ander zou ik zijn vinger hebben gebroken, maar bij Darren dacht ik: ik mag jou wel.’

Nadat hij eerder al wat rolletjes had gespeeld in film- en televisieproducties, viel Rourke in 1981 voor het eerst echt op door zijn bijrol in Body Heat, een moderne film noir van Lawrence Kasdan. Daarna ging het snel: hij speelde een van de hoofdrollen in Diner, het regiedebuut van Barry Levinson over een groepje vrienden dat in 1959 volwassen wordt in Baltimore, en werd door Francis Ford Coppola gecast als de mythische ‘motorcycle boy’ in Rumble Fish. Rourke maakte indruk als de Amerikaanse schrijver/alcoholist Charles Bukowski in Barfly (Barbet Schroeder, 1987) en werd een sekssymbool dankzij Nine 1/2 Weeks, een film van Adrian Lyne waarin hij een sm-relatie aanknoopt met Kim Basinger.

Vervolgens ging het even snel weer bergafwaarts. Zijn onaangepaste, bij tijd en wijle gewelddadige gedrag was de reden dat steeds minder studio’s met hem in zee wilden, en in 1991 besloot Rourke bokser te worden. Hij won zes wedstrijden; twee partijen eindigden onbeslist en hij verloor geen enkele keer. Maar zijn gezicht en hersenen liepen tijdens de wedstrijden wel aanzienlijke schade op, en de dokter adviseerde hem te stoppen.

Rourke liet weten dat hij een tweede kans wilde als acteur. Die kreeg hij: Sean Penn gaf hem een rol in The Pledge, Steve Buscemi in Animal Factory, Robert Rodriguez in zijn duistere stripverfilming Sin City. Maar even zo vaak was hij te zien in halfbakken actiefilms met Jean-Claude Van Damme en Sylvester Stallone. ‘Als mijn agent een afspraak voor me wilde maken met een studiobaas, kreeg hij meestal als antwoord: ‘Rourke? Dat was een geweldige acteur, maar hij heeft het voor zichzelf verpest.’ Dat zegt alles. En het klopt. Toen ik jong was, wist ik niet wat ‘professioneel’ betekende en wat ‘verantwoordelijkheid’ was. Ik heb nooit geleerd na te denken over de dag van morgen. Totdat ik alles kwijt was, zo’n jaar of veertien geleden, toen moest ik wel. Ik was mijn huis kwijt, mijn geld kwijt, mijn vrouw kwijt en mijn zelfrespect; mijn carrière was naar de gallemiezen.’

Rourke was gedwongen om in de spiegel te kijken. ‘Ik herinner me het als de dag van gisteren; het donderde en onweerde en ik heb gekrijst als een baby. Voor het eerst in mijn leven realiseerde ik me dat ik dit mezelf had aangedaan en niemand anders. Ik ben in therapie gegaan, heb achterhaald waar mijn zelfdestructieve gedrag vandaan kwam. Waarom ik deed wat ik deed, en met zoveel graagte. Ik had geen regels, kon niet omgaan met autoriteit, trok een pantser op. De godganse dag. Mijn psychiater zei me: jij hebt zo’n dik pantser, maar waarom? Er is helemaal geen oorlog… Je hebt er niets aan. Het was beter als je tweehonderd jaar eerder was geboren, maar dat is niet het geval. Je bent hier nu. Laat het pantser zakken. Ik dacht dat het me een jaar zou kosten, het duurde meer dan tien jaar.’

Dat is het belangrijkste verschil met Randy in The Wrestler, aldus Rourke. Hij had mensen in zijn nabijheid die hem hielpen. Die hem advies en richting gaven. ‘Ik voel me erg bevoorrecht ten opzichte van Randy. Randy heeft dat niet. Hij mist de verstandelijke vermogens, of hij heeft geen geluk, of hij schat zijn mogelijkheden niet goed in. Randy ziet niet dat zijn hoogtijdagen definitief voorbij zijn, en dat er iets aan zijn leven moet veranderen. Dat hij zichzelf opnieuw moet uitvinden – een vreselijke uitdrukking overigens. Randy moet zichzelf prepareren op een ander leven. Maar hij kan het niet, want het enige wat echt iets voor hem betekent zijn de momenten in de spotlight. Maar de lampen zijn al lang uit.’

Het overkomt niet alleen worstelaars en acteurs, maar ook andere topsporters en modellen, denkt Rourke. ‘Er komt een moment in je carrière waarop je bij het grof vuil wordt gezet of geruild voor een pak suiker. Dan moet je van de ene op de andere dag je act in een kleiner theater opvoeren, en word je vervangen door iemand die jonger, sneller, sterker of mooier is. Dat is verdomd moeilijk te accepteren.’

Met de worstelsport had de ex-bokser niet veel voordat hij met de opnamen begon. ‘Integendeel. Ik zeg het eerlijk: door mijn achtergrond als bokser had ik totaal geen respect voor de worstelsport, omdat alles van tevoren is geregeld en gechoreografeerd. Maar toen ik begon te trainen, moest ik mijn mening herzien. Ik ben vijf keer in het ziekenhuis geweest. Met pijn in mijn been, mijn rug, mijn knie, mijn nek, noem maar op. Als iemand die twee keer zo groot is als jij je boven zijn hoofd tilt en op de grond gooit, doet dat pijn. Echt pijn. Na een lange carrière kunnen de grote kampioenen hun veters niet eens meer strikken.’

Een groot aantal van die worstelkampioenen kwam naar de première van The Wrestler in Los Angeles. ‘Ze strompelden naar binnen, Ric Flair, Roddy Piper, Brutus Beefcake… Dat zijn de mannen die de sport groot hebben gemaakt, levende legendes. Na afloop stonden de tranen ze in de ogen. Dat deed ons goed; het was voor ons heel belangrijk wat zij van de film vonden. Gelukkig waren ze tevreden, juist omdat we het niet mooier hebben gemaakt dan het is. Omdat het ook over steroïdengebruik gaat en over eenzaamheid en omdat de film geen happy ending heeft zoals Rocky.’

Over zijn verwachtingen met betrekking tot de Oscars is Rourke voorzichtig. ‘Ik verwacht niets. Ik ben al blij dat ik ben uitgenodigd op het feestje. We maakten The Wrestler met weinig geld, en geen distributeur wilde de film in de Verenigde Staten uitbrengen. Op het allerlaatste moment werden we uitgenodigd voor Venetië, waar we de Gouden Leeuw wonnen, een zeldzaamheid voor een Amerikaanse film. Vervolgens werd de film vertoond op het festival van Toronto, en meldde zich een distributeur die in The Wrestler geloofde en meer geld in de campagne stopte dan de hele film heeft gekost. Het kan al niet meer stuk. Daarom draag ik nu graag mijn steentje bij, wat ik nooit eerder heb gedaan. En geloof het of niet, ik doe het met plezier. Ik voel me bevoorrecht dat het kan. Ik sta weer, en daar ben ik dankbaar voor.’ Lachend: ‘Schrijf dat maar op: Mickey Rourke is dankbaar.’

The Wrestler van Darren Aronofsky. Donderdag 10 januari, 22:30 uur op Nederland 3, 

09

01 2013